Een oorverdovende stomp in je maag

Javier Guzman in PePijn en Diligentia

Niks wispelturiger dan een Javier Guzman. Op het hoogtepunt van zijn verslaving goot hij zeker twee volle flessen wodka per dag zijn mik in, probeerde professioneel van zijn verslaving af te komen, en vertelde daar vervolgens openhartig over in verschillende landelijke tv-programma’s én gebruikte het als basis voor zijn vierde avondvullende theatervoorstelling Delirium.

Javier Guzman is een harde jongen, en zo ook zijn imago als volleerd cabaretier. De winnaar van de jury- en publieksprijs van het Leids Cabaret Festival 2002 hakt vrijwel alles in de gehaktmolen wat hem maar voor de voeten komt. Bij hem is er geen hoop op nuancering, geen plaats voor subtiliteiten. In die zin is zijn aanpak en strijdwijze vergelijkbaar met die van Theo Maassen – hoewel hij een halfjaartje geleden en in tegenstelling tot Maassen, slechts tot de 23e plaats reikte in weekblad HP / De Tijd, in een poging van het blad om de beste dan wel leukste cabaretiers in het land eens op een rijtje te zetten.

Medio vorig jaar verscheen op internet een amateurfilmpje waarin te zien was hoe Guzman op 9 juni 2009 een collega-cabaretier op het podium van het Amsterdamse Comedytheater aanvalt na een sarcastische opmerking over zijn (ex-)alcoholisme. Later werd bekend dat het om een PR-stunt en dat de vechtpartij in scene is gezet. In Gent werd eveneens een halfjaar geleden een voorstelling van hem stilgelegd – volledig verward als hij was. En hij was al ook eens betrokken bij een opstootje waarbij rake klappen vielen. Ook daarover legde en public rekenschap af.

Nee, niet steeds een handig heerschap, deze Guzman, niet voor een kleintje vervaard ook en al helemaal niet op zijn mondje gevallen. Maar het is dan ook hard gegaan met deze Spaanse Nederlander – andersom mag ook –, in alle opzichten. De achtergrond die hem als Spanjaard op zevenjarige leeftijd naar polderland bracht verschaft hem de vrijheid om op zelfgekozen momenten naar buiten te treden als relatieve buitenstaander, en op die wijze naar de Nederlander en onze verworvenheden te kijken. Anderzijds meldde hij op zijn blog trots dat de laatste WK-finale altijd minimaal 1 winnaar opleverde: hijzelf! Guzman deelt uit, Bot, Ton Zuur, Delirium, voor tv Sinterklaasconference, 100 % Ab (waarin Ab op zoek gaat naar 100 aangepaste burgers), en speelfilm Stella’s Oorlog. En dat alles in een tijdbestek van zo’n acht jaar, waarin hij van student aan Kleinkunstacademie in Amsterdam uitgroeide tot een ware belofte van wie het onvermijdelijk zou zijn dat hij het cabaret opnieuw en grondig zou gaan opschudden. Die belofte heeft hij niet weten in te lossen. Zo speelde hij recentelijk en serie voorstellingen in wat als dé tempel van cabaretesk Nederland wordt beschouwd: het Amsterdamse Koninklijk Theater Carré. Het bleek wat te hoog gegrepen.

Zijn website is al een tijdje niet bijgewerkt, zijn impresario reageert niet op mailberichten; niettemin schijnt het weer alleszins naar behoren te gaan met hem. En in een poging de draad weer op te pakken, is hij ter voorbereiding op een nieuw avondvullend programma aan het try-outen geslagen: in een dubbelprogramma, met in Den Haag als opwarmer collega-potsenmaker Roel C. Verburg. Uiteraard is er geen decor, nog geen lichtplan – en zeker nog geen enkele lijn te bespeuren. U krijgt het eerste materiaal te zien en te horen, over een maatschappij op drift en waarin niemand lijk te luisteren, waaruit straks een nieuwe voorstelling zal ontstaan, Oorverdovend, waarmee hij in maart volgend jaar Diligentia aandoet. Wordt het een half uur, drie kwartier of gaat hij al een uur los? Gaat hij van de weeromstuit juist zachter praten? Geen enkele zekerheid. Maar bij Guzman weet je zeker dat je met een stomp in je maag huiswaarts keert. Figuurlijk bedoeld – dat dan weer wel. Hoewel.

Javier Guzman is op zo 24, ma 25 en di 26 oktober in Theater Pepijn (uitverkocht) en op do 10, vr 11 en za 12 maart in Theater Diligentia. Meer informatie: www.theater-pepijn.nl.

Advertenties

Best of both worlds

Man, choreograaf, danser, Belg, homoseksueel, zoon van een Marokkaanse immigrant en een Vlaamse moeder, bruine haren, tatoeage. Deze opsomming in een notendop vormt het begin van een recentelijk gemaakt filmportret over en met Sidi Larbi Cherkaoui. Dat laat een wonderlijke en avontuurlijke reis zien door zijn wereldomvattende inspiratiebronnen. Die reiken, bijvoorbeeld, van koran en bijbel tot veda, van kung fu en yoga, tot tango, hiphop en tapdans, en van Afrikaanse dans tot klassiek georiënteerd spitzenwerk. En, geografisch gezien, van West-Europa (met  Antwerpen als ankerplaats) tot vrijwel het gehele Aziatische continent, maar net zo makkelijk van Noord-Afrika tot de oostkust van Noord-Amerika.

En de laatste tijd dus ook tot Amsterdam. Want Cherkaoui (letterlijk: man die uit het oosten komt) maakt voor Het Nationale Ballet een nieuw werk dat Labyrinth als voorlopige titel draagt. Het gaat in juni in première in Het Muziektheater Amsterdam en maakt deel uit van het Holland Festival 2011.

Als choreograaf wordt Cherkaoui (1976) allerwegen en al enige jaren lang bewierookt, onder meer vanwege de ongebruikelijke samenwerkingsvormen die hij bijna beurtelings aangaat met – een greep – nu eens boeddhistische shaolin-monniken (in Sutra) of verstandelijk gehandicapten, en dan weer met klassiek georiënteerde balletgezelschappen. Ontaard. Zo zou je hem, maar dan wel in de positieve betekenis van het woord, kunnen noemen. Best of both worlds. “Ik werk iedere twee a drie jaar met een balletgezelschap. Ik hou van spitzendans omdat die me in staat stelt m’n bewegingstaal verder te ontwikkelen”, trapt Cherkaoui af, gevraagd naar de reden voor zijn samenwerking met Het Nationale Ballet. “En ik ben ook zeker niet bang van elegante bewegingen. De in mijn ogen merkwaardige terughoudendheid die er sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is opgetreden ten aanzien van het gebruik van esthetiek, schud ik graag van me af. Ook omdat tegenwoordig inhoud en esthetiek mee en meer samengaan.”

De Vlaming, die samen met de Damien Jalet voor hun choreografie Babel in januari van dit jaar werd genomineerd voor de National Dance Award, een belangrijke Britse dansprijs, werkte eerder samen met grote klassieke balletgezelschappen. Hij maakte choreografieën voor Les Ballets de Monte Carlo, het Koninklijk Ballet van Denemarken en het Cullberg Ballet. De standaard gesproken bewegingstaal van het ballet fascineert hem en is een van zijn redenen om in Amsterdam aan de slag te gaan. “Ik werk vaak met freelance dansers die ieder een eigen bewegingstaal ontwikkeld hebben. De taal van het klassieke ballet is daarentegen universeel, een taal die door alle culturen heen vrijwel hetzelfde uitgesproken wordt”, licht Larbi toe. “Zo is, pakweg, een fouetté, vrijwel overal eenzelfde fouetté, wat kleine verschillen daargelaten, zoals bijvoorbeeld de Vaganova-stijl, of de typische Bournonville-stijl die in Denemarken tot perfectie is gebracht.”

Juist in dat licht is hij erg benieuwd naar de verhouding die de stijlvast klassiek getrainde dansers van Het Nationale Ballet innemen tot die alzijdige taal van het ballet. “Ik ga vast veel praten over het ’zwaartepunt’. Ik ben zoals steeds van plan te gaan werken vanuit de flow die organisch in een lichaam ontstaat. Het valt me op dat balletdansers en hedendaagse dansers op een zeer verschillende manier tot bewegingen komen. Balletdansers zijn immers gewend om  hun voeten en benen als epicentrum te zien, de plek waar hun sprongen en draaiingen geworteld zijn. Heel anders dan hiphoppers, die soms ook vanuit hun ellebogen bewegen. Zij verplaatsen hun bewegingscentrum, hun energie, voortdurend. In mijn danstaal kan het zwaartepunt door het hele lichaam reizen en daaruit volgt de beweging. Het is in hedendaagse dans dan ook niet ongebruikelijk dat dansers op hun ellebogen of knieën, of zelfs ondersteboven dansen. Iets wat je in klassiek ballet niet ziet. Ik wil de dansers van Het Nationale Ballet laten zoeken naar andere elementen waar ze zich door kunnen laten voortstuwen dan voeten en benen alleen.” Voor hem heeft dat zelfs een filosofische weerslag: “Door dingen nu en dan ondersteboven te bekijken, soms ook letterlijk, ontstaat een ander perspectief”, zegt Larbi, die geregeld ook acrobatische toeren in zijn choreografieën verwerkt.

Labyrinth
Hoewel de woorden tegenwoordig als synoniem worden beschouwd is er een verschil tussen een doolhof en een labyrint. Waar de kwintessens van het eerste is om een bepaald punt – het middelpunt of de uitgang – te zoeken, is de essentie van het tweede eerder in het bewandelen van één enkele gang die onvermijdelijk leidt naar het eindpunt. Het pad van het labyrint is in de kern spiritueel van aard. Het heeft iets primitiefs en mythologisch, is omgeven met mystiek, en komt in verschillende godsdiensten tot uiting. In vele levensbeschouwelijke visies en teksten is het labyrint, of de levensweg, een vaak voorkomend element. Het afleggen van die weg is net zo belangrijk als het bereiken van het einddoel zelf. Het fenomeen is een rode lijn in Larbi’s werk. “Meer dan eens in mijn voorstellingen aangestipt”, zegt hij. “De onzekerheid van de volgende stap, misschien een stap terug doen en even een andere richting inslaan om te zien of dat beter is. Een weg volgen en niet weten of dat de juiste is, maar toch weten waar je vandaan komt, zodat je terug kunt gaan en een andere richting kunt kiezen. Inzien dat je je vergist kunt hebben. Daarnaast heb ik de indruk dat labyrinten zich in mijn dagdagelijkse leven ook vaak manifesteren. Als stad doet Antwerpen zich aan mij voor als een verzameling van labyrinten, en zo ook Amsterdam. Daardoor heb je constant het gevoel dat je van het ene in het andere labyrint stapt. Ook de muziek kun je als een labyrint beschouwen: een reeks tonen die een weg inslaat en later op de gemaakte schreden terugkomt. Dat een labyrint zoveel referenties oproept intrigeert mij. Het is zowel werelds als religieus. het is een thema waar ik in dit werk nog veel hoop over te ontdekken.”

Biografie
Sidi Larbi Cherkaoui (Antwerpen, 1976) danste in variétévoorstellingen en televisieprogramma’s, voordat hij in Brussel ging studeren aan P.A.R.T.S, de dansschool van choreografe Anne Teresa De Keersmaeker. Hier komt hij in contact met de techniek van choreografen als William Forsythe, Pina Bausch en Trisha Brown. Tijdens zijn studies hedendaagse dans werkt hij ook samen met hiphop- en jazzdansgezelschappen.

In 1999 maakt hij zijn eerste choreografie, Anonymous Society, waarmee verschillende internationale prijzen krijgt. In 2000 ontvangt hij voor Rien de Rien, Cherkaoui’s eerste choreografie voor Les ballets C de la B de Special Prize op het BITEF Festival in Belgrado. Het danstijdschrift Ballet-tanz riep hem in 2008 uit tot Choreograaf van het Jaar, en in 2009 kreeg hij de Duitse Kairos-prijs 2009.

Momenteel maakt Cherkaoui zijn producties bij Eastman, zijn eigen dansgezelschap, tevens huisgezelschap van het Toneelhuis in Antwerpen.

kader

‘Ik vind de discipline van het klassieke ballet tegelijk fascinerend en beangstigend, subliem en fascistisch. Net zoals devotie: het beeld van rijen biddende gelovigen heeft een grote schoonheid, maar kan ook omslaan in een blinde fascistoïde gehoorzaamheid. Alles kan in zijn tegendeel omslaan. Een soort van middenweg bewandelen is erg moeilijk. Het is vaak makkelijker om extremistisch te zijn.’
– Sidi Larbi Cherkaoui in een interview uit 2007

Dierlijke driften als parelen vermomd

Branoul wekt roman van Couperus tot leven

In Literair Theater Branoul gaat donderdag Extaze van Louis Couperus in première. Over dierlijke driften die de romancier verpakte als waren het parelen.

‘Mag ik hopen, dat u me toestaat u vanmiddag een bezoek te komen brengen’, schrijft Quaerts in een zorgvuldig gecomponeerd briefje aan de door hem geadoreerde Cecile. ‘Het zal mij aangenaam zijn u vanmiddag te ontvangen’, antwoordt deze per ommegaande. De vormelijkheid druipt in dikke droppen van de typische fin de siècle-taal van Couperus af.

Cecile van Even is een jonge weduwe en moeder van twee kinderen. Ze komt maar weinig buitenshuis en laat zich niet veel in met anderen. Ze heeft het goed en is tevreden met wat ze heeft. Zodra ze haar contacten hervat en de mysterieuze, aantrekkelijke Taco Quaerts ontmoet, vaart er ontevredenheid in haar en komen nieuwe verlangens op, verlangens naar genegenheid en liefde. Die lijken wederzijds maar lijken in de kiem te worden gesmoord: Taco beziet haar als een heilige, als een madonna.

Extaze gaat over de eeuwigdurend lijkende strijd tussen lichaam en ziel, lichaam en geest. Taco Quaerts beleeft met verschillende vrouwen een lichamelijke liefde, maar van Cecile Van Even wil hij uitsluitend een liefde die kuis is en maagdelijk, en ziet haar als een madonna. Voor haar is Taco nu juist de eerste man die felle hartstocht bij haar weet op te wekken en ziet in hem een god.

Volgens een publicatie op de website van het Couperus Genootschap beschrijft de Haagse romancier in Extaze (1892) ‘de betrekking tusschen eene naar de mode van den dag ultra-nerveuze weduwe uit de Haagsche groote wereld en een geblaseerd losbol’. Dat lijkt een al te dartele samenvatting. Couperus dweepte indertijd juist nogal met de filosofische essays van Ralph Waldo Emerson, een naam die ook werkelijk in Extaze wordt opgevoerd: Een teveel aan geluk hier op aarde wordt gecompenseerd door leed; iedere buitensporigheid moet gecompenseerd worden door haar tegendeel, luidt het onder meer in Emersons Compensation.

Onder de dunne pianoklanken van Anton Rubinsteins Romance is es zien we in de tijdmachine die Theater Branoul is, een geheel in het zwart gekleed gaande Cecile (Lidewij Benus) over haar schrijftafel gebogen, de buvard als het ware opengeslagen, in haar gesuggereerde villa aan de Scheveningseweg. Onderwijl is een projectie zichtbaar van de woorden die ze in haar dagboek optekent, in die vaak zo wonderlijk-pathetische aandoende taal die aan het einde van de negentiende eeuw zo in zwang was: ‘Onder me vloeit de zee van het verleden , boven me drijft de ether der toekomst, en ik sta daar tussenin als op een stip van werkelijkheid; een stip zo klein dat ik beide voeten pal tegen elkaar moet drukken om staande te blijven.’ Haar gedachten zijn gewijd aan Taco (Sijtze van der Meer), die haar in het boek beschouwt als een ‘zeldzaam genot’.

Regisseur van Extaze, Manon Barthels, heeft de overzichtelijke en compacte roman van Couperus bewerkt tot een nog compactere versie, die als brandpunt de twee teerbeminden heeft. “Het is heerlijk geweest om met die tekst aan de slag te gaan en heb er uiteraard naar gestreefd om de taal van Couperus intact te houden. Nu is het aan de spelers om de bellettrie van Couperus echt tot leven te wekken.”

En die taal van Couperus, die is zo makkelijk nog niet tot spreken te krijgen. Een citaat uit het boek: ‘Zij ontroerde zeer om de klank zijner stem, die, zacht gebroken, haar als in bekoring omwikkelde; zij ontroerde van hem daar te zien zitten, vullende met hemzelve, met zijn lichaam, zijn wezen, zijn bestaan. (…) In een seconde doorleefde zij uren, voelde zij haar stille liefde in haar als een zoet gewicht, voelde zij een lust haar armen om zijn borst te slaan en hem te zeggen, dat zij hem aanbad, en voelde zij een innig leed, om wat hij haar bekende: dat hij weer zich niet gelukkig had gevoeld.’ Ga er als acteur maar aan staan om zichtbaarheid en ontroering in zulke passages te leggen. En: ‘Ik voor mij geloof’, laat Couperus Quaerts opmerken, ‘dat ieder mens een cirkel om zich heeft, een atmosfeer, en dat hij andere mensen ontmoet, die cirkels of atmosferen om zich hebben, sympathiek of antipathiek aan de zijne’. Barthels: “Door die gedragen taal van Couperus doen de emoties soms wat gezwollen en ‘Victoriaans’ aan. Het is de kunst om van de spelers om aan de personages iets ongepolijsts, iets rauws mee te geven. Dan komen de emoties beter, want directer, binnen bij de kijker. In dit stuk worden de spelers echt uitgedaagd om het uiterste van hun kunnen te tonen.”

Een aspect van dit boek dat overigens niet in de voorstelling terugkomt, maar wel pikant lijkt, is dat in het jaar dat hij Extaze schreef, Couperus net getrouwd met jonkvrouwe Elisabeth Baud. Het boek zou dus kunnen worden opgevat als zijn antwoord op ongelukkige liefdes. Hoewel het huwelijk met de jonkvrouwe heilig voor hem was, had hij zekere homosexuele gevoelens, die in Extaze worden geuit door Jules, in de gevoelens die deze had voor Taco.

Extaze van Literair Theater Branoul gaat op donderdag 14 oktober en is nog tot en met zondag 31 oktober te zien. Meer informatie: www.branoul.nl.

Retrospectief Anton Corbijn op Festival Shoot Me

Strijkijzer tijdelijk hoogste bioscoop van Nederland

De zesde editie van het Shoot Me Film Festival staat onder meer in het teken van een retrospectief van het werk van Anton Corbijn. Bovendien brengt de fotograaf en cineast op dinsdag 12 oktober een bezoek aan het festival.

Korrelig, een beetje onscherp. Zwart-wit. De camera – doorgaans een Hasselblad, maar het kan ook best een wegwerptoestel zijn als het zo uitkomt – vaak ogenschijnlijk net een ietsjes te hoog geheven. Foto’s van Anton Corbijn, meestentijds portretten, drukken iets mystieks uit terwijl de personen die hij in ‘zijn’ licht vangt meestentijds met een wat grimmige, zwaarmoedige of wezenloze blik de wereld in kijken, staren of loeren. Corbijn onthult of verhult niets van ze; het lijkt eerder of hij de personen bij toeval voor zijn lens liepen en in het voorbijgaan dan maar op de afdrukknop van zijn toestel drukte.

Natuurlijk – zijn foto’s zijn in wezen razend knap geconstrueerde, bijna Rembrandteske wondertjes, waarvan er vele, vele tot moderne iconen zijn uitgegroeid. Op de foto’s figureren niet de minsten: beroemdheden uit met name de pop-, mode- en filmscene, van Bono Vox, David Bowie, Neil Young en Henry Rollins tot Frank Sinatra, en van Naomi Campbell tot Nastassia Kinski. Maar ook Michael Schumacher. Zijn foto’s sieren talloze platen- en cd-hoezen, covers en centerfolds van OOR en de New Musical Express. Corbijns sterren lijken te balanceren tussen mystificatie en anonimiteit, zij lijken te leven in een terrain vague waar hun bestaan existentieel en vergankelijk lijkt. Vaak staan ze op het oog plompverloren in een leeg en wijds niemandsland, alsof ze er gedropt zijn, maar juist het onnadrukkelijke karakter van die omgeving verleent ze een zekere tijdloosheid, en krijgen ze tegelijk iets kwetsbaars en onsterfelijks.

Van lieverlee, omdat ze het hem vroegen, is hij – zeker voor die tijd – revolutionaire en op basis van low budget videoclips gaan maken voor de popbands die hij op de plaat zette, onder meer voor Nirvana en Depêche Mode. En volgde een documentaire die hij meer als fan dan als cineast maakte over Joy Division, getiteld Control. In september verscheen zijn nieuwste film, The American, met George Clooney en ‘onze’ Thekla Reuten in de hoofdrollen. Niet slecht voor een domineeszoon.

In zijn filmische werk toont Corbijn een voorliefde voor een expressionistisch en wat psychologiserend aandoende stijl. Debet daaraan zijn de Franse cineast Jacques Tati en de Rus Andrej Tarkovski, die hij als zijn leermeesters beschouwt. Voorbeelden bij uitstek zijn de clips Red Guitar, een song van David Sylvian, en Dr. Mabuse van propaganda, waarin hij ook lijkt te citeren uit Murnau’s griezelwerk Nosferatu. Maar Corbijn doet meer. Zo maakte hij in 2006 het logo met een vlieger, dat Den Haag inzet voor stadspromotie.

Corbijn begon begin jaren zeventig met fotografie. De kiekjes die hij maakte van een optreden van Herman Brood in 1973 belandden in Muziekkrant OOR. En zo ging het balletje rollen voor een bijzondere carrière, een balletje dat extra vleugels kreeg toen hij de popzanger in persoon ontmoette en min of meer tot diens fotograferend biograaf uitgroeide. ‘Als een jonge en aspirerende hollandse-muziek-fotograaf was ik in het begin van de zeventiger jaren gefascineerd door Herman Brood, die ik voor het eerst zag toen hij piano speelde bij een reünieconcert van Cuby and The Blizzards. Hij zei niets en bewoog ook praktisch niet – hij droeg een wit shirt, had een zonnebril op en zijn haar zat in een staart. Ik vond dat toen ontzettend gaaf’, schrijft hij in zijn fotoboek over Herman Brood dat na de dood van de rockstar verscheen.

Op de 12e oktober zal Corbijn praten over zijn carrière, uitleg geven bij een aantal van zijn videoclips en zijn werk als filmregisseur toelichten. Gedurende het hele festival (vr 8 t/m zo 17 oktober) kunnen bezoekers op de hoofdlocatie in het Strijkijzer aan het Rijswijkseplein – voor de gelegenheid tot hoogste bioscoopzaal van Nederland gedoopt – dagelijks kijken naar een expositie van zijn videoclips en ander kort werk. Het festival richt zich op zogeheten ‘independent’ films, die vaak in combinatie met live muziek worden vertoond op bijzondere locaties.

Anton Corbijn Retrospectief tijdens het Shoot Me Film Festival (SMFF) van 8 t/m 17 oktober op diverse bijzondere locaties in Den Haag. Meer informatie op www.shoot-me.nl.