Een authentiek liefdesverhaal

De Kus van Ger Thijs met Huub Stapel en Carine Crutzen

Met De Kus schreef en regisseerde Ger Thijs een even indringende als komische relatietragedie. Het stuk werd door het recensentencorps bejubeld en is inmiddels geselecteerd voor het jaarlijkse Theaterfestival.

“Dat is natuurlijk verheugend, maar ik zit al zo lang in het vak dat ik weet dat het ook zo had kunnen zijn dat bijna niemand naar dit stuk om zou hebben gezien”, is het ontnuchterende antwoord van Thijs op de felicitaties die hem nu ten deel vallen.

“De wortels van De Kus liggen ergens in de jaren negentig, in de tijd dat ik artistiek directeur was van Het Nationale Toneel en in Den Haag woonde”, blikt Thijs terug op het beginpunt van zijn tekst. “Een naaste kennis vertelde me indertijd, tijdens vaak urenlange wandelingen, over haar strijd tegen borstkanker en over de gruwelijke details waarmee dat gepaard gaat. Haar relaas vond ik nadien zo indringend dat ik besloot er een toneelstuk over te schrijven, een monoloog. Maar langdurig wandelen op toneel, dat kan natuurlijk niet, dan loop je aldoor rondjes op het toneel. Toen ontstond het idee om deze van huis uit katholieke vrouw een soort van bedevaart te laten ondernemen.”

“In 2003 heb ik de tekst van het stuk ter ere van het toenmalige tienjarige bestaan van Theater aan het Spui middels een reading, een voorlezing, voor het eerst aan de openbaarheid prijsgegeven. De tekst van de vrouw werd toen uitgesproken door twee leerlingen van de toneelschool.” Thijs was tevreden, maar voelde dat er meer in zat. “Ik ben daarop het oorspronkelijke script uit gaan werken tot een avondvullend drama. Daardoor kon het echter niet langer een monoloog zijn.” Zijn plan had vervolgens alleen kans van slagen, zo meende hij, als hij in het stuk een ontmoeting zou creëren tussen de vrouw en een man. “Al snel daarna ontstond de redelijk simpele ingeving om het tweetal elkaar te laten treffen bij paaltjes zoals je die wel van wandelroutes kent. Ik liet ze daar elkaars pad kruisen door ze er te laten uitrusten van hun wandeling . Vanaf dat moment is de rol van de man in het stuk belangrijker geworden, dreigde hij het stuk zelfs eventjes te overvleugelen, maar is die ten slotte ‘beperkt’ gebleven tot de cruciale plaats die deze nu in het stuk inneemt.”

Gelijkwaardig
“Het mooie van dit stuk”, meent Thijs, “is wat mij betreft dat de man en de vrouw elkaar tot aan de ontmoeting niet kennen. Daardoor ontstaat een gelijkwaardige relatie tussen de spelers en met het publiek, want dat weet steeds net zoveel over het tweetal, als het tweetal over elkaar. Iedereen in de zaal weet precies hetzelfde, want er is geen verleden, geen voorgeschiedenis, tussen de man en de vrouw. Juist daardoor leren ze elkaar oprecht kennen en tot elkaar doordringen, en is ook het publiek in staat hetzelfde in te voelen en door te maken.”

Limburg
Carine Crutzen kende Thijs van Raak me aan, een stuk van zijn hand dat hij ook al zelf regisseerde, bij Het Toneel Speelt. “Net als ikzelf komt zij uit de buurt van Heerlen. Dat is van belang, want ik heb de wandeling in mijn stuk gesitueerd in het Limburgse heuvelland,mijn geboortegrond. Ook Huub Stapel, met wie ik niet eerder werkte, maar die natuurlijk een geweldige status als toneelspeler heeft, is de Limburgse toonaard niet vreemd, want hij is geboren in Tegelen. Die gemeenschapsgrond verleende ons een bepaalde authenticiteit. We hebben zelfs nog even overwogen om het stuk in een Zuidlimburgs dialect te spelen, maar dat idee liep al snel spaak op het feit dat de Limburgse taal ons al te vaak wat horkerig in de oren klonk en dat we niet in staat bleken om de nuances aan te brengen die we nodig hadden.”

De Kus is door een zogeheten ‘vrije producent’ uitgebracht. Thijs: “Het is geen principiële keuze. Als ik voor De Kus meer dan twee spelers nodig had gehad, dan had dat simpelweg niet gerealiseerd kunnen worden. In het stuk waar ik momenteel aan schrijf, komen meer dan twee personages voor. En dan biedt een gesubsidieerd gezelschap meer kansen. Ik ben daarom nu met het Nationale Toneel in gesprek.”

De Kus is te zien op di 31 mei en wo 1 juni in de Koninklijke Schouwburg. Meer informatie: www.ks.nl. Reserveren: 0900 – 3456789.

Roept u maar

‘Improcabaret’

Ooit ontwikkelde ‘improcabaretgroep Op Sterk Water (OSW) met omroeporganisatie BNN een tv-programma, dat later De Lama’s werd gedoopt. “Op een gegeven moment zijn we eruit gestapt. Het werd wat ons betreft wat te plat.” Toch wordt OSW steevast vergeleken met het type cabaret dat De Lama’s in Nederland groot hebben gemaakt, dat van het improvisatiecabaret. “Het verschil is dat zij alles welbedoeld laten mislukken,”  zegt Tim Zeegers, een van de drijvende krachten achter OSW, “terwijl wij een theateravond maken met de bedoeling om scenes en sketches tot een goed einde te brengen. We bewijzen graag dat onze houdbaarheidsdatum langer is en dat improviseren veel meer is dan een truc of een spelletje.”

Op Sterk Water is een in 1991 opgericht collectief van cabaretiers, acteurs, muzikanten en taalkunstenaars dat zijn muzikaliteit, humor en snelheid in dienst stelt van het publiek. Tim: “Op basis van aanwijzingen, woorden en opmerkingen die uit het publiek opborrelen, bouwen we sketches, scènes en liedjes – die daardoor iedere avond opnieuw weer nieuw en origineel zijn.” Daarmee houdt OSW een genre levend dat in Nederland in de jaren zestig werd geintroduceerd, door de legendarische sneldichter Willy Alfredo, die toen voor het eerst a l’improviste en live het Nederlandse tv-publiek inpalmde met de gevleugeld geworden woorden: ‘Roept u maar’. Het is een genre waarin het varen op de automatische piloot vrijwel onmogelijk is, en als dat gebeurt is het leergeld dat moet worden betaald vaak aanzienlijk. “Het kakt onmiddellijk in als je niet voortdurend scherp en oorspronkelijk bent. Je hebt niets om op terug te vallen. We hebben weleens geprobeerd oude dingen van stal te halen en opnieuw in ons programma in te passen, maar zoiets werd zelden een succes. Dat doen we dus niet meer.” Toch mislukken hun improvisaties zelden. Hoe krijgen ze dat voor elkaar? “We proberen vaak dingen uit in ons ‘huistheater’, het Comedy Theater in de Amsterdamse Nes, en vroeger in Theater PePijn. Het publiek weet dan van tevoren dat het kan mislukken wat we doen. Op die avonden ontstaan vaak wel de ideeen die werken.”

Naast theatertours is Op Sterk Water de afgelopen jaren vaak te zien geweest op festivals als Lowlands, Laughing Maters, en Zwartecross. En elke woensdag improviseren ze een Claxsong of een Beroept u maar in Stenders’ eetvermaak op 3fm radio.  Drukke boel dus. Voor Zeegers komt daar bij dat hij zes weken geleden vader is geworden. “Dat is pas improviseren”, zeg Zeegers, “een baby houdt je ’s nachts uit je slaap. Gelukkig ben ik een avondmens, dus ik was ‘s nachts altijd al vaak in de weer.”

Op Sterk Water is op do 26 mei te zien in Theater Diligentia. Meer informatie op www.opsterkwater.nl. Toegangskaarten reserveren: (070) 3610540.

Snoepgoed en zoete eenzaamheid in ‘n geheim wonderland

Operadans en luxe desserts

Tijdelijk ontsnappen aan de chaos van de wereld in een magische tuin, je ondertussen onderdompelen in een verantwoorde combi van literatuur, muziek, beeldende kunst en dans ineen, en goudomrand met drankjes en luxe desserts. Sweet Solitude heet deze openluchtvoorstelling. Initiatiefnemer is de van oorsprong Canadese zangeres Nicole Jordan: “Centraal staat het begrip eenzaamheid, zoete eenzaamheid welteverstaan. Eenzaamheid is een keuze – echte eenzaamheid is het niet!” Sweet Solitude gaat over het vinden van rust in een drukke wereld en het genieten van een moment voor jezelf. “De prachtige tuin van holistisch centrum Hands at Work, pal achter het Vredespaleis, is hiervoor de perfecte locatie, want er gaat een sfeer van vrede en verjonging vanuit en in hun grote en magische tuin word je omgeven door een enorme rustieke, oude eik en rustgevende vijvers.”

De voorstelling van ongeveer een half uur bestaat uit live uitgevoerde liederen van Henry Purcell (O, Solitude) en Samuel Barber (op teksten van W.B. Yeats en James Joyce). Jordan: “De liederen worden door mij gezongen, met op piano Celia Garcia-Garcia. De choreografie, gemaakt door Zaddik Francis, wordt gedanst door Jozefien Debaillie, en de Engelstalige poëzie, naar voren gekomen op een eerder georganiseerde dichtwedstrijd van de Haagse producent van de voorstelling, OperaDans, wordt voorgelezen door actrice Ellis van Maarseveen. Het geheel wordt aangekleed met kostuums die Leslie Eisinger maakt.” De voorstelling eindigt met een heerlijk dessert, een stukje zoete taart en drankjes, alles inbegrepen in de prijs van het ticket.

Sweet Solitude door OperaDans is te zien op zo 22 mei (14.00, 15.30, 17.00 en 18.30 uur). Voor tickets en meer informatie: www.operadans.com.

Knikkende knieën

Edo Wijnen is adspirant, én hij is de benjamin van het gezelschap. 50 jaar Het Nationale Ballet, wat zegt hem dat? Hoe houdt hij zich als junior danser staande tussen de met sterren beklede oudgedienden van de groep?

“Yes!” Hij stráált, van top tot teen, twinkelende pretoogjes. Gisteravond danste hij in Solo, Hans van Manens huzarenstukje voor mannelijke dansers, ten overstaan van een volle bak in Arnhem. Volle bak géven moest hij ook, want de choreografie van de Nederlandse meester van de dans is nu eens een ware krachtproef, dan weer een werk dat om uiterste precisie in beheersing vraagt. Was het niet Van Manen zelf die zei dat hij zijn solo had opgeknipt en verdeeld over drie dansers omdat hij van mening was dat zijn werk anders te zwaar zou zijn?
Edo Wijnen, met negentien lentes een van de jonkies van het gezelschap, en pas in augustus vorig jaar in Amsterdam gekomen, lijkt zich moeiteloos een plek in het ensemble van Het Nationale Ballet verworven te hebben. Dat hij als adspirant de zegen van Van Manen en de artistieke staf heeft gekregen om Solo te dansen spreekt boekdelen. “De voorbereidingstijd was kort, dus heb ik het snel moeten instuderen. Ik stond met knikkende knieën in de coulissen, maar het ging goed.”

Edo is geboren en getogen in de Antwerpse gemeente Deurne, en deed in zijn jonge jongensjaren aan voetbal, tennis – en wat niet al. Zijn moeder werkte in een dansschool en nam hem op een goede dag mee. “Van het een kwam daarna het ander. De directrice zei dat ik maar eens auditie moest gaan doen voor de Koninklijke Balletschool van Antwerpen. Ik werd aangenomen, maar moest toch nog even nadenken, want mijn ouders vroegen zich af of je met een dansdiploma wel een goede toekomst tegemoet zou gaan.” Meteen na zijn afstuderen kon hij aan de slag bij Het Nationale Ballet. Als adspirant, onder aan de ladder dus. “In het begin moest ik erg wennen. Ik kwam net van school, en was daar de oudste en behoorde tot de betere. Maar nu heb ik mijn plek wel gevonden in de groep. Het was wel even slikken, want Het nationale Ballet is een grote company, met veel erg goede dansers. Volgend jaar ben ik éleves en daarna ga ik naar het corps de ballet, zo is tenminste de bedoeling. Solist zijn interesseert me niet zo. Als ik maar goede rollen krijg – en daar is de rang die je inneemt dan wel weer belangrijk voor.”

Het leven van een beroepsdanser hangt grotendeels aaneen van trainen, repeteren, optreden en opnieuw trainen. Ook voor Edo. “Ik ben vrijwel iedere dag van tien uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds bezig. Natuurlijk, je bent voorbereid op het harde werken. En op school was het in zekere zin zelfs zwaarder dan hier. Op school moesten we elke dag variaties en pas de deux’ doen, van maandag tot en met zaterdag. Hier is het zo dat je een of twee maanden aaneen heel extreem wordt belast, maar is er daarna een maandje waarin wat minder van je gevergd wordt. Het inspanningsniveau is hier wisselend, en daarmee anders voor je lichaam. Op school was je maanden aaneen aan een stuk bezig. Hier loopt alles door elkaar. Dat is voor mij als jonge danser nog wel eens moeilijk om van het ene op het andere moment te moeten switchen tussen heel verschillende stijlen.”

De oudere garde onder de dansers wil nog wel eens geringschattend spreken over de huidige generatie jonkies, als zouden ze de laatstgenoemden het tegenwoordig maar wat makkelijk hebben. “Daar kan ik niet over oordelen. Ik heb er werkelijk geen idee van hoe het leven van een danser 20 jaar geleden was. Ik kan me voorstellen dat het toen harder was, omdat er in die tijd misschien minder rekening werd gehouden met de belangen van een danser. Soms moesten ze dertig keer avond aan avond een pittige Notenkraker doen. Dat is nu anders, en ook zijn tegenwoordig de omstandigheden om te dansen en de voorzieningen eromheen verbeterd. Nu is massage binnen handbereik, zijn er voedingsprogramma’s voorhanden, en kun je in ‘huis’ fitnessen. Dat zal vroeger best anders geweest zijn.”

Dansen vindt hij ‘leuk om te doen’. Edo: “Ik vind het plezierig om te bewegen. Het is de combinatie van het verleggen van grenzen en extremen die je uit je lichaam moet halen, en hetgeen je bij het publiek teweeg kunt brengen. Ik herinner me nog het eerste optreden op de balletschool. Ik voelde de energie en de zindering bij de mensen, de sfeer en entourage rond het theater. Hiermee kan ik gelukkig worden voor de rest van mijn leven, dacht ik toen, dat was mij meteen duidelijk.” Een soortgelijk gevoel overkwam hem bij het concours <<naam concours>>. “Daar kwam alles samen. Ik heb me nog nooit zo goed gevoeld als toen. Maar ik probeer me iedere keer weer helemaal te geven, en dat valt nog lang niet altijd mee. in de moderne werken moet je je bijvoorbeeld overgeven aan de choreografie en je de controle durven verliezen. Maar niet helemaal natuurlijk,dat is juist het moeilijke. Op dit moment repeteert hij voor Dawsons nieuwe werk timelapse/(Mnemosyne), waarin hij voor de eerste cast geselecteerd is. “Het werk wordt hier in huis gemaakt, en dus moet er veel uitgeprobeerd worden. Dat is extra inspannend natuurlijk.”

Vijftig jaar Het Nationale Ballet, dat zegt hem wel wat. “Dat is al een tijdje hè?”, lacht hij zijn tanden bloot. “Als je een beetje in de balletwereld zit, dan weet je dat Het Nationale Ballet een vooraanstaand gezelschap is, eentje dat een naam heeft opgebouwd. Het wordt tot de grote dansinstituten gerekend. In de korte tijdspanne van 50 jaar is heel wat bereikt, zeker als je bedenkt dat bijvoorbeeld het Bolsjoi, Parijs en Londen daar zeker honderd jaar over gedaan hebben.”

De huidige bedreigingen die op het gezelschap afstevenen beziet hij met een nuchtere blik. “Een klassiek-romantisch ballet als Giselle kun je nu eenmaal niet met maar een paar dansers doen. Want dat ziet er gewoonweg niet uit. Ja, je kunt natuurlijk dansers gaan inhuren, maar dan holt de kwaliteit waarschijnlijk snel achteruit, en dat is niet goed voor de naam.” Of hij dan weggaat? “Dat is een moeilijke vraag. Het ligt aan de kansen die ik krijg, aan mijn eigen ontwikkeling en aan de situatie die zich te zijner tijd voordoet. Ik had ook kunnen dansen bij het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, ik kon kiezen, maar dat is een veel kleinere company en ze hebben veel geldproblemen. Bovendien wilde ik wel de wijde wereld in en stelde Ted Brandsen, die ik van concoursen kende, veel vertrouwen in mij. Ik hoop dat de Het Nationale Ballet kan doorgaan op de huidige voet. Dat zal nog lang niet gemakkelijk zijn.”

Toneel als een vloer van pindakaas

Nationale Toneel speelt ‘Pinter’ in regie van Susanne Kennedy

Er overkomt je altijd wat in de absurdistisch getinte stukken van Pinter, net als in de immer wondere regies van natuurtalent Susanne Kennedy. Een onverschillig, roerloos toekijken is in beide gevallen vrijwel onmogelijk. Als Susanne Kennedy een ‘Pinter’ regisseert, dan kun je er dus bijna zeker van zijn dat er iets bijzonders te gebeuren staat.

Als op driekwart van de voorstelling voor zowat de 86e keer achtereen bloedeloos en eentonig het Engelse verjaardagslied For he’s a jolly good fellow wordt aangeheven en de toekijker aldus tot het uiterste is getergd, ontstaat onweerstaanbaar de neiging om geërgerd van je af te slaan, van je af te bijten, op te staan en weg te lopen; ófwel maakt de verwondering voor zoveel geregisseerde herhalingsmomenten plaats voor bewondering vanwege de compromisloos en radicaal doorgevoerde vondsten. Vóór of faliekant tegen Kennedy. Iets ertussenin is bijna niet mogelijk.

Absurd, gewelddadig, politiek geëngageerd: Het Verjaardagsfeest (1957) zette de toon voor een hele generatie toneelschrijvers. Nobelprijswinnaar Harold Pinter’s avondvullende debuut kostte hem destijds bijna meteen weer de kop als toneelschrijver. Critici begrepen er niets van en brandden het finaal af. Pas na jaren werd de betekenis van dit vernieuwende meesterwerk onderkend. Inmiddels wordt het beschouwd als een moderne klassieker.
In het stuk zien we een aan lager wal geraakte man die logeert in een vervallen pensionnetje. De logé is jarig. Dat zegt in ieder geval zijn hospita (een rol van een sublieme Ariane Schluter). Maar gek genoeg ontkent de huurder dat. Bovendien zit hij helemaal niet te wachten op een verjaardagsfeest. Als twee sinistere mannen komen logeren, staan deze erop voor hem een verjaarspartijtje te organiseren. Het mondt uit in een bacchanaal en eindigt in een luguber blindemanspelletje. De dag erna wordt de logé door beide mannen weggevoerd, richting een onbestemde plaats.

Waanzin
Tachtig procent van de toneelliteratuur draait om (de gevolgen van) waanzin. Zo ook in Het Verjaardagsfeest. Voordat Pinter rond zijn dertigste de Pinter van de schrijnende dialoog werd, was hij volgens velen een tweedehands Beckett en een Kafkaïaan met te veel Kafkaïaanse trekjes. Maar tegenwoordig  staat het absurdisme in zijn vroegste werk op gelijke voet met dat van de beide eerder genoemde schrijvers.

In een Pinter draait het bij uitstek om wat níet wordt gezegd. In een zogeheten Pinteresque toneelscène praten personages langs elkaar heen, kantelt en draait hun wereld onophoudelijk, en wemelt het van de raadsels. Elk personage is overtuigd van zijn of haar werkelijkheid, van het eigen gelijk. Daarom vinden mensen elkaar nooit en zijn ertoe veroordeeld vreemden te blijven voor elkaar. Personages van Pinter voelen zich bedreigd door de macht die anderen op hen uitoefenen – door de taal.

Ledenpoppen
Bij Kennedy is de door Pinter voorgeschreven ruimte een kijkdoos, een tv als het ware, met high definition surround geluidsboxen die demonstratief vóór die doos zijn opgesteld. Het is alsof we kijken naar een gezellige aflevering uit een ‘big brother-huis’, en lijken daardoor te gluren naar onszelf – uiteraard: theater is een spiegel. De spelers in die kijkdoos bewegen en praten als ‘over-acterende’, mechanische, cartooneske ledenpoppen, kijken wezenloos uit de ogen, lijken van sjablonen te zijn overgetrokken, en zien er daarom uit als steriele, seksloze zombies. Die ingrediënten werken op elkaar in en hebben een uiterst vervreemdend effect tot gevolg, een gevoel dat wordt versterkt door de spraak elektronisch door te geven.  “We bevinden ons”, zei Harold Pinter ooit, “allemaal in zo’n vervreemdende situatie. We zitten met z’n allen in een kamer en buiten heerst de wereld die onverklaarbaar is, dreigend, bedenkelijk. We zitten daar met een naamloze en geheime angst te wachten.”

Met Susanne Kennedy heeft het Nationale Toneel het grootste regietalent van de laatste jaren in huis. Haar voorstelling Emilia Galotti is intussen uitgekozen voor het Theaterfestival 2011 en ze gaat binnenkort bij de Münchner Kammerspiele van Johan Simons aan de slag.

De door Kennedy geregisseerde voorstellingen zijn ‘unheimisch’, zoals zij het zelf noemt, wondere bouwsels, als legpuzzels bijna, die, voor wie zich openstelt, een gelukzalig leggen tot gevolg heeft. Wat Kennedy in principe doet is vergelijkbaar met wat choreograaf William Forsythe in de dans tot stand bracht: de klassieke ballettechniek deconstrueren, en deze met respect voor het aloude tot uiterste oprekken totdat spectaculaire, ultramoderne vormen ontstonden. Net als bij Forsythe komt bij Kennedy de inhoud voort uit de vorm, waar dat doorgaans in omgekeerde volgorde plaatsvindt . Het is een vorm die verbaast, die prikkelt, uitdaagt en niet loslaat. En dat zijn in essentie de eigenschappen die veel opmerkelijke kunst tot gevolg heeft, van Damien Hirsts schedel vol glinsterende edelstenen tot Wim T. Schippers’ gladgestreken pindakaasvloer.

Het Verjaardagsfeest door het Nationale Toneel is tot en met 18 juni te zien in het NT-gebouw. Meer informatie: www.nationaletoneel.nl. Reserveren: 0900 – 3456789.

‘En kijk, ik ben weer onverwacht die jongen van een jaar of acht’

Sfeervol cabaret chantant van Hans Steijger en consorten

‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is.’ Nescio’s fameuze openingszinnen uit Titaantjes zijn ook zomaar te rijmen met het nieuwe programma van ‘vijftigers’ Hans Steijger, die met consorten Frans de Leef, beeldend kunstenaar, ‘Haegse kacker’, zelfbenoemd Haags cultuurzigeuner alias columnist, alsmede bekend van het populaire Zwingcafé in Theater De Regentes, en met de ongekroonde Haagse koningin van het levenslied, zangeres Jeannette Scheffer met Carpe Diem een aloud cabaret chantant-programma presenteert in PePijn.

Steijger – met dik over de 140 liederen over Den Haag ruimschoots koploper in het genre – presenteert met bovengenoemd tweetal een gevarieerd liedjesprogramma, dat naast een selectie van liedjes uit het Nederlands cabaret, aangevuld wordt met hits uit het repertoire van Hans Steijger. Steijger: “In dit intieme programma staat Den Haag niet centraal, evenmin zal de stad ontbreken. Het motto van de avond is: genieten tot het bittere eind”. Inhoudelijk gaat het programma over ‘vrolijk oud worden’, aldus Steijger, waarbij hij ‘oud’ definieert als ‘de generatie die de jaren zestig precies heeft meegemaakt.’ Steijger: “Het is een programma  vol verdriet en vooral vreugde – met de blik vooruit. Kom en zing – het leven is een feest !”
De selectie van liedjes die ten gehore worden gebracht werd samengesteld op basis van de trefwoorden puur, genieten, gein, jaloezie, passie, verlangen, melancholie en liefde en wordt doorsneden door een enkele column van De Leef, die hij in hoogsteigen persoon voordraagt. Steijger en de andere twee kijken in het programma terug op hun leven en op het leven van hun generatiegenoten.  In de fifties waren we ukkies, dus daar zeggen we niet veel over. De sixties werden vooral getekend door het Kurhaus en de Rolling Stones, terwijl de jaren zeventig  aaneen hingen van relaties, studie en vooral van ‘groter worden’. In de jaren tachtig wordt hier en daar voor het eerst wat minder, en walst Tsjernobyl over ons heen. “ Toch weigert hij zichzelf als een nostalgicus te zien: : “Iedereen is op individueel niveau in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor z’n geluk. Dat heeft in essentie te maken met het maken of laten van keuzes. Zie ons vooral niet als oude zakken.” Steijger haalt woorden aan van zijn eigen nummer 1-hitsong over de Residentie: “Zonlicht op het Malieveld / Lente op het Plein / Den Haag mijn stad op nummer één / en ook al moet ik morgen ergens anders heen / dan ga ik als een speer terug /  ik krijg al heimwee bij de Hoornbrug”. Mijn beste tijd begint vandaag, bedoelt Steijger met Carpe Diem maar te zeggen. “Ga er steeds vanuit dat alles prettiger wordt. En daarom de blik vooruit. Mens, durf te leven!” Steijger en consorten werken overigens aan een ingekorte versie die waar dan ook gespeeld en gezongen kan worden.

Carpe Diem met Hans Steijger, Jeannette Scheffer en Frans de Leef in Theater PePijn van vr 13 t/m zo 15 mei. Meer informatie: http://www.diligentia.nl . Reserveren: T (070) 3610540.

Een vijand die door de kieren muist

Nederlands Blazers Ensemble brengt muziektheater op tekst van Ilja Leonard Pfeijffer

‘Man allstnd vrgzl RUSTIG TYPE zkt met spoed zlfst woonruimte zonder ramen’. Het Nederlands Blazers Ensemble (NBE), een van de toonaangevende ensembles in Nederland als het om nieuwe muziek gaat, kijkt graag over de rand van de traditionele concertpraktijk en waagt zich geregeld aan multimediale muziektheaterproducties. Ook Het vreemde verhaal van meneer K of De quizmaster is zo’n voorstelling die verschillende kunstvormen verenigt.

Hoofdmoot voor het stuk van het 25-koppige blaasgezelschap, dat onlangs toerde door Jordanië en de Westelijke Jordaanoever, vormt de gelijknamige monoloog die de Nederlandse dichter, romancier, essayist en wat niet al Ilja Leonard Pfeijffer in opdracht van het NBE schreef. “Met zo’n titel gaan de gedachten inderdaad al snel uit naar Kafka,” erkent Bart de Vrees, die tekent voor het concept en de muziek van de voorstelling, refererend aan de titel. “Niet geheel ten onrechte, want Pfeijffers tekst gaat over een man die veroordeeld is tot een bestaan in een uiterst beperkte leefruimte, over een man die zich in zichzelf opgesloten zit door de psychoses die bezit van hem nemen, en die volslagen paranoïde lijkt.” In de achtervolgingswaanzin schemert het legendarische personage Josef K. van Kafka door; terwijl het element van de beperkte ruimte doet denken aan Kafka’s beroemde verhaal De Gedaanteverwisseling, dat  zich afspeelt in de begrensde ruimte van de kleine slaapkamer van Gregor Samsa. “Maar in Ilja’s stuk zit wat mij betreft ook een vleugje Susskind”, vervolgt De Vrees. “De hoofdpersoon in Het Parfum is – net als de quizmaster in ons stuk – bezeten en in zichzelf gekeerd. Van de quizmaster, een rol voor acteur Ids van der Krieke, is trouwens niet duidelijk of hij inderdaad een ‘verdachte’ is, of dat hij gaarkookt in zijn eigen hersenspinsels, die als een vijand door de kieren muist”, vertelt De Vrees.

“De tekst van Pfeijffer verschaft me precies genoeg vrijheid om er lekker mee aan de gang te gaan,” vertelt De Vrees, “maar is aan de andere kant toch ook dwingend en raadselachtig genoeg om wie dat wil, er zijn eigen gedachten over te laten ontvouwen.”

De ondertitel  van de voorstelling, De quizmaster, heeft volgens De Vrees betrekking op het beroep van de doorgedraaide man die in het stuk centraal staat. “Pfeijffer heeft zich bij het modelleren van zijn tekst onder meer gebaseerd op passages uit tv-quizzen. De rol van quizmaster is wrang, omdat hij als mediafiguur door diezelfde media wordt afgeserveerd.”

De muziek voor het stuk schrijft De Vrees, componist en slagwerker, zelf. “Het wordt nieuwe muziek ja, muziek die op zichzelf staat en soms wat abstract lijkt. Maar ik baseer me wel op de poëtische structuur die Pfeijffer in zijn tekst heeft aangebracht. Vergeet trouwens niet het aandeel van beeldend kunstenaar/componist Pé Okx. In het stuk prikkelt en bespeelt hij op zijn eigen en onverwachte wijze de zintuigen met (video)installaties.”

De Vrees, die al vaker met het Nederlands Blazers Ensemble samenwerkte, omschrijft zichzelf als ‘iemand die zich graag verschuilt achter zijn noten’. “Begrijp me goed: Ik wil vanuit deze comfortabele positie ontroeren, maar ook toekijkers op het andere been te zetten, hen verontwaardigen of desnoods een leuke avond bezorgen.” De Vrees, die klassiek slagwerk en compositie aan het conservatorium van Amsterdam studeerde, speelde bij verschillende symfonieorkesten en ensembles, maar heeft zijn werkterrein verlegd naar theater- en dansvoorstellingen, improvisaties, elektronische muziek en soloprojecten. “Binnen de klassieke muziek is er behoefte aan ruimte voor experiment, een plek om elkaar te ontmoeten en te werken buiten de vaste formats die de huidige concertpraktijk nog steeds bepalen. Een jazzclub voor klassieke muziek zou ik willen, waar ruimte is voor experiment, ontmoeting, onverwachte samenwerkingen, een plek waar ook het publiek graag komt, omdat er een open sfeer heerst.”

Nederlands Blazers Ensemble met Het vreemde verhaal van meneer K of De quizmaster is op wo 18 mei te zien in Theater De Regentes. Meer informatie: http://www.nbe.nl. Kaarten reserveren: (070) 3637798.