Liefde zonder seks

Toneelgroep Amsterdam speelt Het jaar van de kreeft

‘Als tiener heb ik met grote gulzigheid Het jaar van de kreeft gelezen, achttien was ik toen.’ Luk Perceval tussen hemel en aarde.

“De roman verpletterde, maakte een onuitwisbare indruk, want ja, je bent jong en het gaat aldoor over seks hè. Rooie oortjes. Nu, dik veertig jaar later, heb ik hem dus herlezen. Voor mij is het nu een verhaal over de mogelijkheid van liefde zónder dat seks daarbij per se nodig is. In het westen is seks een dwangneurose geworden, gereduceerd tot een mechanisch zo vaak en veel mogelijk klaarkomen. Kortom: een synoniem en al te flauw aftreksel van wat liefde ook is of kan zijn. Alles en iedereen moet tegenwoordig aldoor maar verleid worden, of verleidelijk zijn. De seksuele revolutie van de jaren zestig en zeventig is seks over zijn graf gaan heersen.’

‘Onze versie van Claus’ Het jaar van de kreeft moet een verhaal zijn, een voorstelling over de ongrijpbaarheid en de ongerijmdheid die liefde kan zijn, misschien móet zijn. In Het jaar van de kreeft hebben het liefdeskoppel Toni en Pierre uitgesproken slechte seks, letterlijk. En toch slagen ze er maar niet in om elkaar los te laten, elkaar vrij te laten. Net als Eros en Thanatos, verbinden ze levenslust met doodsdrift. Daardoor krijgt dit ogenschijnlijke boy meets girl-verhaal een diepere laag die universeel is. Seks is middel, geen doel. De couleur locale en het tijdsbeeld dat Claus opriep gaan daarom verdwijnen. Geen naturalisme. En we voegen muziek toe. Jeroen van Veen speelt minimal repetitieve muziek.’
Het jaar van de kreeft is eigenlijk een politiek incorrecte keuze, politiek incorrect toneel misschien wel. Want sinds de val van de Berlijnse muur gaat toneel steeds over politieke vraagstukken die ons het gevoel moet geven dat we aan de juiste morele kant staan.’

Ten Oorlog
‘Hugo Claus. Hem heb ik geregeld gesproken. Dat was toen ik voor de Blauwe Maandagcompagnie Ten Oorlog ging maken. In Antwerpen woonde hij bij mij zogezegd om de hoek. Dat was in de jaren negentig. Hij was boos op mij omdat niet híj maar ene Tom Lanoye de tekstbewerking van Shakespeares Wars of Roses zou gaan doen. Ik heb het er met hem toen ook over gehad om zijn toneelteksten te gaan regisseren. Maar hij stond erop dat geen letter aan het origineel veranderd mocht worden. Onmogelijke eis. Dus heb ik dat toen niet gedaan. Zijn toneelteksten vind ik trouwens gedateerd. Het jaar van de kreeft is totaal anders, want een roman, en géén toneeltekst. Claus? Die voel ik niet al te dicht meer op mijn huid.’
‘We werkten met de hele groep vijftien maanden aaneengesloten aan Ten oorlog, zonder voor publiek te spelen. Dat was een opoffering. Acteurs willen publiek! Ik heb in die periode niet per definitie vrienden gemaakt. Maar nog altijd spreek ik mensen, bezoekers die die negen uur aan toneel koesteren.’

Uitputten
‘Iemand die doodvermoeid is, valt terug op zijn reflexen. Dát wil ik op het toneel zien. Ten tijde van Othello, in 1986, begon ik de repetities geregeld met een bosloop in plaats van zittend met zijn allen achter een tafel. Ik laat acteurs ook wel badmintonnen, begin ook vaak met een yogasessie, ik heb namelijk een diploma als yogaleraar. Je energie opzoeken ontdek je door je intuïtie aan te spreken. Het is allemaal niet verplicht, maar wel van belang in het maakproces. Samen ademen, samen leren eten, dat ook. Ik houd een videologboek bij tijdens het maakproces, confronteer spelers met die opnamen. Ik wil spelplezier. Gretigheid, daar gaat het om. No pain, no gain wordt vaak gezegd. Maar dat is een misvatting.’
‘Zelf raakte ik medio jaren negentig volledig opgebrand. Een arts vertelde dat ik door mijn leefstijl – kettingrokend, blowend, drinkend, me volstouwend met stress en junkfood – mezelf snel het graf of tenminste toch in een rolstoel hielp. Ik heb mijn leefpatroon toen drastisch omgegooid. Spiritualiteit, boeddhisme en zen, dat zijn nu kernwaarden voor mij.’

Eigen taal
‘Ik werkte de laatste jaren vooral in Berlijn, München en in Hamburg, waar ik aan het Thalia Theater mijn vaste standplaats heb. Het is fijn nu weer eens in mijn eigen taal te kunnen werken. In Duitsland, in den vreemde, daar houd je als buitenstaander toch enigszins het probleem van een taalachterstand. Ook de mentaliteit verschilt. Daar is nog steeds alles doordesemd met ‘wiedergutmachung’. Ik mis er bijvoorbeeld het ‘Bourgondische’, het genieten na het werk, in Duitsland kom je elkaar alleen maar tegen op de werkvloer. Het is daarom fijn om na In Ongenade weer in Amsterdam te zijn, in Nederland, omdat hier een positieve nieuwsgierigheid heerst. Hier word ik met sympathie ontvangen en tegemoet getreden. Antwerpen? Daar heb ik nog steeds een woning. Maar als ik daar ben, dan wil ik meteen weer weg, zoiets als je familie opzoeken. Nadat je ze gedag hebt gezegd, is het wel weer genoeg geweest.’
‘De mentaliteit van de acteurs verschilt ook zeer. Door het systeem. In Duitsland zijn spelers opgeleid om in staat te zijn iedere week in twee tot drie verschillende stukken en ensceneringstijlen te functioneren, een stuk kan daar jaren achtereen op het repertoire blijven. In die zin draait de opleiding om reproduceerbaarheid. Dat is in Vlaanderen en Nederland anders. Na drie maanden is een toneelstuk voorbij, blijven vaak alleen maar wat langzaam vergelende foto’s over. Acteurs in Nederland en België hebben geleerd op zoek te gaan naar waarachtigheid, en omdat dat stuk die productie het enige is wat ze in de drie maanden doen, verbinden ze zich sterk met wat ze doen.’

Eiland
‘In 2018 word ik artist in residence bij een internationaal multicultureel gezelschap dat nu gevormd wordt bij de Koninklijk Vlaamse Schouwburg. De KVS, ja, dat is een Vlaams eiland in de multiculturele omgeving van de wereldstad Brussel, waar grotendeels alleen Frans wordt gesproken. Uiterst interessant om juist daar een eigen taal te mogen ontwikkelen. Het is ook een manier om uit het lokale karakter van het theater te treden.’

kader:
Luk Perceval (België, 1957) was de leider en oprichter van de Blauwe Maandagcompagnie en daarna grondlegger van het Toneelhuis in Antwerpen. In 2005 werd Perceval aangesteld als huisregisseur van de Schaubühne am Lehniner Platz Berlin. Sinds 2009 is hij artistiek leider van Thalia Theater in Hamburg.

kader:
Het jaar van de kreeft gaat over de hartstochtelijke doch hopeloze verhouding tussen een geslaagde zakenman en een chaotische nerveuze en seksueel gefrustreerde revuekapster. Bij Toneelgroep Amsterdam spelen Gijs Scholten van Aschat en Maria Kraakman de rol van respectievelijk Pierre en Toni.

Tournee door Nederland en België vanaf eind maart. Meer informatie op tga.nl.

 

Advertenties

Lust voor oog en oor

Fascinerend schouw- en hoorspel met Calefax

In de Europese kunstgeschiedenis neemt De tuin der Lusten van Jeroen Bosch een bijzondere plaats in. Van diens unieke laatmiddeleeuwse beeldtaal maakte Calefax een kleur- en luisterrijk spel, met een arsenaal aan rietinstrumenten, bijna als een buizenfabriek.

Lust, liefde, het onbedorven paradijs, maar ook de totale vernietiging bracht Jeroen Bosch weergaloos in beeld. Zwakmenselijk addergebroed, muizenissen, wonderlijke mensachtige vogelwezens, opengewerkte menselijke lichaamsholtes en nondescript aanwezige kwezelachtigen. Van het aardse paradijs, links, via het zondige leven vol lust en genot, naar angstaanjagende duisternis, rechts. Rietkwintet Calefax verklankt Bosch’ meesterwerk tot een muzikale én visuele roadmovie, een avonturenreis. Het rietkwintet maakte van het vijftiende-eeuwse (!) drieluik het voor die, en nog altijd, ongehoorde De tuin der Lusten een bedwelmend, visueel spektakel en luisterrijk concert ineen. Het hoogstandje is dankzij het Jeroen Bosch-jaar opnieuw te beleven.

Heb je ooit met een vergrotende loep afbeeldingen van Bosch’ exuberante wonderwereld van nabij bekeken? Neen? Geeft niet. Calefax doet het voor je. Live. Op het podium is een bol opgesteld, eigenlijk een opblaasbaar videoscherm. En daarop glijdt het drieluk als bij je thuis in haarzuiver grootbeeld aan je voorbij gedurende het concert. “Het zijn eigenlijk vier luiken”, corrigeert Ivar Berix van Calefax. “Want op de achterkant van de twee zijluiken staat ook een afbeelding.” Calefax werkt graag samen met regisseurs voor hun programma’s. Zo werd het visuele concert ‘Tuin der Lusten’ geregisseerd door de Haagse Annechien Koerselman. Met haar werkten de beroepsblazers eerder samen in onder meer De Muziekfabriek (met Oorkaan) en komend voorjaar in de voorstelling Dijkdrift.

Tapes en samples
Calefax heeft composties gezocht die aansluiten op het drieluik, soms is dat bestaande muziek, dan weer zijn het composities die in opdracht van het kwintet werden geschreven. “Toen ik het schilderij bekeek viel het me op dat er heel veel vogels op staan. Daarom hebben we gekozen voor twee stukken waarbij de vogels ook te horen zijn: Le rappel des oiseaux van Rameau en het stuk Zugvögel van Carola Bauckholt, voor Calefax geschreven en bestaat van begin tot eind uit puur vogelgeluiden. We wilden ook graag muziek laten klinken uit de tijd van Bosch, zoals het motet Nato Canunt Omnia van Brumel. En ook de epiloog van Josquin Deprez komt uit dezelfde periode. Je krijgt dus een enorm gevarieerde mix aan muziekrepertoire te horen, van oud, zoals De Machaut en Libre Vermell, tot modern als Bauckholt en Jacob ter Veldhuis, waarbij we gebruikmaken van tape en samples.”
De kiem van Tuin der Lusten ligt ergens in 2013, bij een festival in Duitsland, toen Calefax daar voor optredens werd uitgenodigd. “Ik heb het schilderij altijd als een allegorie van het leven gezien”, zegt Berix. “Het werpt je terug op levensvragen: hoe leef je, moet je in beheersing of voluit leven? Straf, schuld, boete. Het zijn vragen die Bosch met dit drieluik oproept.”

Koninklijk Conservatorium
Na meer dan dertig jaar aan repertoirevorming middels transcripties en compositieopdrachten die de muziekgroep aan de hand van bladmuziek uitgeeft, wordt volgend seizoen een nieuwe stap gezet. “Dertig jaar geleden waren we de eerste groep in deze ongebruikelijke bezetting van hobo, klarinet, saxofoon, basklarinet en fagot. We hebben wereldwijd navolging gekregen. Onze kennis en liefde voor het riet proberen we daarom over te brengen in masterclasses. Volgend seizoen maken we een nieuwe stap met een masterspecialisatie Rietkwintet aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Tijdens die tweejarige opleiding komt naast het instuderen en uitvoeren van repertoire voor rietkwintetbezetting ook ensemble en individuele coaching aan bod, gericht op kamermuziek, programmering en artistieke visie, podiumpresentatie en ontwikkeling van concertformules.” Genoeg te doen dus.” En in april wacht nog een serie optredens in de Verenigde Staten. “Mooi om te merken dat we in steeds prestigieuzer zalen staan.”

Calefax speelt Tuin der Lusten op zaterdag 26 maart 2016 in de Nieuwe Kerk. Meer informatie: calefax.nl en zuiderstrandtheater.nl. Telefonisch tickets reserveren: (070) 88 00 333.

Erotiek als oerkreet

Kirsten Mulder als Lulu bij Toneelgroep Oostpool

Een mooi meisje dat er aantrekkelijk uitziet als een geschild appeltje. Lulu is haar korte maar krachtige voornaam. Toneelgroep Oostpool waagt zich aan haar gedrag.

Is Lulu je naam, dan is het voor veel mannen uitkijken geblazen. In kunstkringen is zij ook wel het luxeartikel van de ruwe, ongeremde zinnelijkheid genoemd, evenals een mythologische omschrijving voor Slechte Zaken. Mannenvernietigster, net als de op het oog zo verleidelijke Judith van Klimt die nu in het Gemeentemuseum hangt, Verleidelijk totdat, rechtsonder, je dat afgehakte mannenhoofd gewaar wordt. Frank Wedekinds Lulu, zijn negentiende-eeuwse tragedie met een lustmoord als klapstuk, is een tekst waar regisseurs zich steeds weer – vroeger, later of anno nu – aan wensen te wagen, zoals in Nederland Ivo van Hove, Theu Boermans en Johan Doesburg bijvoorbeeld. Bij Toneelgroep Oostpool maakt Marcus Azzini er een koortsachtig kloppend stuk van dat draait om een jonge vrouw die het donkere verlangen om de ander te bezitten tot een radicale daad maakt. Zo radicaal dat zijn tweede deel destijds in beslag werd genomen, zonder zelf daarbij overigens veroordeeld te worden.

De personages die Wedekind in twee delen (Aardgeest en De doos van Pandora) rond het jaar 1900 op papier zette, en die Oostpool samenbrengt, zijn de weerslag van een idee: mensen teruggebracht tot enkele eigenschappen. Als een dierentemmer modelleerde Wedekind ze in zijn ‘monstertragedie’ letterlijk naar het gedrag van mensen en dieren in een circus: hun leven is als een toer die ze goed of slecht volbrengen. Lulu als slang. Overgeven aan Lulu betekent dan ook leven naar de natuur, waar voor angst geen plaats is.

“Lulu gaat steeds op zoek naar ervaringen die ze nog niet kent”, zo verklaart Kirsten Mulder de drijfveren van haar personage, van ‘haar’ Lulu.“Ze is levenslustig, maar niet per se de mannenverslinder voor wie anderen haar houden. Het is haar gewoonweg niet geleerd of gelukt om dierlijk gedrag af te leren, heeft domweg niet meegekregen wat romantische liefde is. Bovendien is ze nooit eens even alleen, altijd omgeven door mannen. Alléén leven, dat durft ze niet, kan ze niet aan. ‘Lulu’ gaat ook over contact maken, kunnen maken.”

Speelbal
Voor Azzini (Angels in America) is Kirsten Mulder de gedroomde hoofdrolvertolkster. Nog in 2014 won zij de Colombina, de prijs voor beste vrouwelijke bijrol, voor haar rol van de argeloze Honey in Who’s Afraid of Virginia Woolf? in de regie van Erik Whien, eveneens bij Toneelgroep Oostpool.

Wedekinds Lulu spelen is een balanceeract. In handen van minder talentvolle regisseurs en acteurs degradeert het al snel tot een sentimentele draak, tot hilarische flauwekul. “Het is best eng om te weten dat straks alle blikken echt op mij zijn gericht”, kijkt Mulder vooruit, straks gestoken in een doorschijnend huidkleurig kostuum dat strak om haar lichaam sluit en versierd is met een felrode bloem. “Gelukkig krijg ik van Azzini de vrijheid om Lulu mijn eigen gezicht te geven. Ik psychologiseer niet haar karakter, niet haar wezen, probeer haar juist heel licht te houden. Want eigenlijk zoekt ze, natuurlijk, net als ieder ander mens, naar liefde. Het is fantastisch om zoveel kleuren en lagen te mogen en kunnen aanbrengen binnen een en dezelfde rol.”

Wedekind was wars van burgerlijke moraal en schijnheiligheid. Maar ja, alsof er nu nog mannen zijn die dergelijk gedrag zouden reageren. “Voor mij is ‘Lulu’ geen pamflet of een stuk over emancipatie. Wel is het een stuk dat gaat over de kracht van de vrouw, een vrouw die geen speelbal is, geen speelbal wil zijn of worden, een vrouw die aldoor zoekt en vecht. Arnon Grunberg schreef in een van zijn Voetnoten in de Volkskrant: ‘Lulu, dat ben ik. En dat is de essentie. Ook in mannen schuilt een Lulu.”

Toneelgroep Oostpool speelt Lulu met ook Kees Hulst, Teun Luijkx en Benja Bruijning. Koninklijke Schouwburg, maandag 21 maart 2016. Meer informatie: toneelgroepoostpool.nl. Telefonisch tickets reserveren op 0900-3456789.

Voetjonglerende theateracrobaten

Cirque Mania in Korzo theater

Korzo introduceert een nieuw evenement in Den Haag: ‘Cirque Mania’. Het is de start voor een reeks circusweekenden met theatrale huzarenstukjes. Voetjongleren en dansen op het slappe koord: Het circus is en blijft ademloos.

Tromgeroffel. Spanning. Dan: Hooggeëerd publiek! En we noemen haar: circustheater! Neen, niet het gebouw dat honderd-en-dertien jaar geleden, in 1904, als Circus Schumann werd geopend en later werd herdoopt tot Circus Strassbourg. Niet dat tegenwoordige musicalbolwerk aan de Deynootweg, waar exotische circusdieren met tramlijn 11 vanuit station Hollands Spoor ooit naartoe werden overgebracht. Want: circustheater is de term voor een heel nieuwe theaterdiscipline. “We gebruiken zelf liever de term ‘het nieuwe circus”, legt Daphne van Iperen van Korzo theater uit. Daar speelt zich komend weekeinde de spannende allereerste editie af van ‘Cirque Mania’, een terugkerend tweedaags evenement. Van Iperen kreeg ‘carte blanche’ om een circusfestival samen te stellen. “Bij het ‘nieuwe circus’ gaat het om een verscheidenheid aan voorstellingen”, zegt Van Iperen. “Het gaat om circusacts met een theatraal karakter, die een verhaal vertellen, en vaak verbonden zijn met muziek, dans, mime en beeldende elementen”. Aloude spectaculaire circustechnieken krijgen een dramatisch randje: acrobatiek, jongleeracts tot zelfs vuurshows, soms met een vleugje comedy. Van zaagselbak naar theaterpluche.

Rodeneusclownerie
Het aloude rondreizende circus à la Jeroen Bosch gaat tot minimaal ver in de vroege middeleeuwen terug. Maar ook al in de Romeinse tijd werden gebouwen voor wagenrennen met de benaming ‘circus’ aangeduid. IJkpunt voor het nieuwe, moderne 21e-eeuwse genre zijn echter de pioniersbewegingen van Cirque du Soleil, dat zonder dieren noch rodeneusclownerie in 1988 de Olympische Winterspelen van Calgary op spectaculaire wijze glans wist te geven. Toch duurde het nog tot 1995 voordat hun circus-met-een-verhaal naar Nederland kwam, met de show ‘Saltimbanco’, in een megatent voor 2500 zitplaatsen. Van bruggenhoofd groeide Amsterdam snel uit tot het Europese hoofdkwartier van Cirque du Soleil.
Daarmee was de kiem in Europa gelegd. In Frankrijk kwam er voor circus arts een volwaardige kunstvakopleiding, net als in Zweden; in Nederland begon hogeschool Codarts (Rotterdam) in 2007 een vierjarige voltijd bacheloropleiding Circus Arts, evenals Fontys in Tilburg, maar dan tot ‘circus performer’, theatermaker naast artiest. Aanjager in Nederland was en is ook theatermaker Jakop Ahlbom. Hij kwam begin jaren negentig naar Nederland om de Mime Opleiding Amsterdam te doorlopen. Al bij zijn afstuderen, in 1998, ontving hij de Top Naeffprijs voor meest veelbelovende student. Sindsdien wakkerde hij met toverachtige voorstellingen vol verdwijntrucs en goocheleffecten het aanzien van het nieuwe circus en de mime in Nederland en de ons omringende landen aan, wekte het tot leven. Ahlbom is een van de gangmakers van het tweedaagse ‘Cirque Mania’. In Korzo speelt Circuswerkplaats Boost zijn recente voorstelling ‘Man met hoed’, waarin een man met een hoed bezoek krijgt van zichzelf. Met een knipoog naar het werk van René Magritte, onder meer naar ‘De Wonderfluit’.

Verbinding
Van Iperen is vooral zelf op onderzoek uitgegaan. “Ik was overdonderd toen ik me eenmaal ging verdiepen in dit genre. Het wekt bij mij enorm veel energie op.” De verbinding met Korzo als productiehuis voor moderne dans is gemakkelijk te leggen, aldus Van Iperen: “Het gaat bij nieuw circus om fysiek theater, om beweging en choreografie. Evenals een ‘hoe past het allemaal in elkaar’, door de toevoeging van muziek en dramaturgie tot een verhaal met een kop en een staart. Ook zijn er directe verbindingen tussen Korzo en Codarts. Zo is choreograaf en dramaturg Thomas Falk van onze vaste ‘dansstal’, ook docent bij Codarts. In ‘Cirque Mania’ gaat hij met zijn groep studenten de openingsvoorstelling maken.”
Naast tal van spectaculair ogende voorstellingen met van eigen bodem opkomend talent worden ook sterren uit het buitenland getoond met de uit Duitsland afkomstige topact Kunst_Stücke. En er is ook voorzien in een debat rond de nieuwgeboren kunstdiscipline. “We willen het nieuwe circus een vaste plaats geven in onze programmering. Dan moet je meteen groot inzetten. In de toekomst zijn hier vaker circusweekeinden.”

Arbo
Het oppakken van het circus als theaterdiscipline is gewaagd. Het circusvak wordt niet op voorhand als ‘hoge kunst’ gezien. En is ook letterlijk gewaagd omdat uiteenlopende fysieke gevaren op de loer liggen. Van Iperen: “Tuurlijk, maar er zijn stringente arbo-eisen. Meestal nemen de circusgezelschappen dan ook hun eigen technisch equipment mee. Fysieke risico’s zijn daardoor voor ons én voor hen bij voorbaat ingeperkt. Belangrijk om te beseffen is dat ze precies weten wát ze doen en hóe ze dat doen, dat ze door en door getraind zijn. Maar om het te gewaar te worden, om het gade te slaan dat blijft een ijzingwekkend gezicht en hoogst verbazend.”

Cirque Mania in Korzo theater op vrijdag 11 en zaterdag 12 maart 2016. Kijk voor meer informatie op korzo.nl/cirquemania. Kaarten reserveren: (070) 363 75 40.

Een Vrolijk intermezzo

Sjaak Bral fileert moord op Blonde Dolly

Sjaak Bral maakte cabaretdrama van de moord op Blonde Dolly, een Haagse Mata Hari die graag danste op het slappe koord van hoge en lage cultuur.

En daar staat-ie dan te glimmen, de poëtische proleet, straatfilosoof van minstens half De Haag. Middenin zíjn stad, op zijn hoogsteigen ‘Platô’, buik vooruit, stijf samengeknepen turende kijkers boven een afdakje, en met zijn neus die als een niet te missen richtingaanwijzer de weg naar de contreien van de Doubletstraat beduidt. Korte tijd was dat onzedelijk stukje Den Haag het werkterrein van Blonde Dolly. Eigennaam: Sebilla Niemans. Maar ze verlegde haar werkterrein nar de toen compleet verpauperde Nieuwe Haven. Zoals in die dagen trouwens half De Haag vergeven was van de firma matrassenverhuur.

Onder mistige tot op deze dag formeel onopgehelderde omstandigheden werd de 32-jarige in de nacht van 2 op 3 november 1959 in koelen bloede door verwurging om het leven gebracht, terwijl daarbij een fortuin aan gouden tientjes dat voor het grijpen lag, onaangeroerd bleef: Naast aftrekken was ze dus een kei in optellen. Ongeloof en ophef golfde door Den Haag, door heel Nederland, ook omdat in de dagen daarvoor in een peeskamertje verderop Marietje van Es was doodgehamerd. Toen bleek dat Blonde Dolly naast inteeltkoppige patjepeeërs ook societyheren uit de meest welingelichte kringen met haar paradijs aan hun natte droom hielp – van wie zij er in een oogwenk tot geliefde verhief – viel heel Nederland voor haar. Maar dus te laat.

Wie was het dan die Blonde Dolly vermoordde? Een onopgeloste moord blijft leven. Met De moord op Blonde Dolly treedt Sjaak Bral niet alleen in de voetsporen van Diederik van Vleuten (neem ‘Buiten Schot’) maar ook in die van erkende Dolly-vorsers als thrillerschrijver Tomas Ross en journalist Casper Postmaa. Beiden beschreven en detail de toedracht van de moord op Blonde Dolly. Met zijn speurdersneus bracht Postmaa bovendien aan het licht dat de nooit veroordeelde moordenaar nog in leven is – en zocht hem zelfs lijfelijk op. Toen Postmaa Bral op een goede dag wees op diens uiterlijke overeenkomsten met de vermoedelijke dader, raakte Bral gegrepen. En toen daarna ook nog eens bleek dat zijn moeder in haar kinderjaren Dolly had ontmoet, en net als zij in een weeshuis was opgegroeid, besloot Bral het Haags Gemeentearchief te bezoeken, waar het politiearchief over deze zaak ligt opgeborgen. Uiteindelijk bracht hij opgeteld drie weken met Blonde Dolly door; stond met haar op en ging met haar naar bed.

Verbale expositie
Bral is vooral bekend als oudejaarsuitluider en cabaretier. Kan hij dan nu opeens ook toneelspelen? Die vraag is in ‘Wie vermoordde Blonde Dolly?’ handig omzeild. Zeker: hij is het gewend om typetjes ten tonele te voeren, maar een geboren toneelspeler is hij niet. Niet altijd slaagt Bral erin om karakterologische of enige psychologische diepte te verlenen aan de veelal toch uit bordkarton opgetrokken figuren, om ze kortom tot leven te wekken. Maar het is toch allemaal ook zeker niet slecht, met dank aan politiefoto’s en stapels aan verbale getuigenissen die destijds allergeduldigst door dienders op papier werden opgetikt. Hoogtepunten in Brals theaterexposé zijn de aanschouwelijke anatomische les van dr. Zeldenrust en het politieverhoor met de vermeende moordenaar, de tegenwoordige Rijswijker, Gerard V., Dolly’s louche ogende ‘beschermheer’. Handelde V. uit jaloersheid en was het dus een crime passionel; of in goudbetaalde opdracht van hogerhand? V’s ondervraging indertijd werd (moedwillig volgens velen) verkloot, toegedekt. Complottheorie? Misschien. En wie is dan schuldig? Degene die de ‘trekker’ overhaalt of de opdrachtgever? Wie het ook is of is geweest: de

Na een ruime aanloop wordt het allemaal uiteindelijk vakkundig en getrouw in een meeslepende vertelling opgedist. Bral weet tijdens zijn verbale expositie ondertussen fijn te laveren tussen de nodige vrolijke intermezzi en soms wat gekweekt aandoend drama. Voor kitsch is gelukkig geen plaats. En passant verrijst bovendien een aandoenlijk tijdsbeeld dankzij het eenvoudige decor, een nostalgische lantaarnpaal en formicakeuken, fotoprojecties en YouTube-filmpjes van Polygoon-journaals en de stem van Philip Bloemendal.

Dolly was, zogezegd, een dubbeltje, op haar kant. En een dubbeltje groeit, wijd en zijd bekend, vrijwel nooit uit tot een kwartje – tenzij je naam Haagse Harry is. Maar een dubbeltje kan wel tot een stuiver degraderen. In haar geval zelfs tot een grijpstuiver. En daar word je niet Vrolijk van. Gaandeweg richt Bral een monumentje op voor alle ‘gevallen’ vrouwen en in het bijzonder voor deze ene ‘gevallen’ vrouw, een vakvrouw op het gebied van sociaal-erotische dienstverlening. Een kwartier warmte geven, inclusief uit- en aankleden, zo beschreef Ischa Meijer eens in zijn hoerenlopersbijbel Hoeren. En toch onaangeraakt blijven. Totdat je beschermheer je levenslang verneukt. Lullig.

De moord op Blonde Dolly door Sjaak Bral. Gezien op 27 februari 2016 in Theater Diligentia. Meer informatie: gvproductions.nl.

 

Kijken met het hart

Voorwoord bij de Ida Wasserman Lezing 2016 door Elsie de Brauw

Oneerbiedig gezegd ‘hangt’ ze daar maar. Ida Wasserman. Haar portret in de Damesfoyer van de Koninklijke Schouwburg maakt deel uit van wat, op de keper beschouwd, een eregalerij is van groot toneeltalent uit voorbije jaren. Bijna een ontmoetingsplaats is het, want ze weet zich daar gesecondeerd door onder meer Elisabeth Andersen, Fie Carelsen en Caro van Eyck.

Ida Wasserman werd in 1961 met olie op doek vereeuwigd door Sierk Schröder. Gehuld in de statige grijstinten van ‘haar’ Ljoebov Andrejevna Ranevskaja, roepnaam Ljoeba, de berooide landeigenaresse uit Tsjechovs De kersentuin, kijkt ze ons vanuit het verleden aan.

Wasserman was dol op de stukken van Tsjechov. Toen ze op 18 november 1961 haar veertigjarig toneeljubileum vierde deed ze dat als Ljoeba bij de Haagse Comedie, geregisseerd door Pjotr Sjarov. Ze werd daarvoor door de lezers van het Nederlands Theaterjaarboek uitgeroepen tot actrice van het jaar, net als in de jaren 1958-1959 en 1962-1963. Toen had ze de Theo Mann-Bouwmeesterprijs, de tegenwoordige Theo d’Or, al tweemaal op zak, in 1956 en 1959.

Ida Wasserman debuteerde in Antwerpen bij de Koninklijke Nederlandsche Schouwburg en speelde later bij het Rotterdamsch Tooneel en het Amsterdams Hollandsch Tooneel. In 1949 voegde ze zich bij het Residentie Tooneel, hier ter stede, het gezelschap dat later tot de Haagse Comedie zou worden omgedoopt. Ze nam er uiteindelijk afscheid van het vak, in 1973. Ze was gehuwd met de recensent, acteur, regisseur en toneelleider Joris Diels. Ida woonde tot haar overlijden aan de Brugsestraat in Scheveningen.

Wasserman, in 1901 ter wereld gekomen in België uit Letse ouders die twee jaar daarvoor naar Antwerpen waren gevlucht, doorliep de toneelklas van het conservatorium aldaar, toen nog een deeltijdopleiding. Aanvankelijk speelde ze alleen gedienstige rollen, dienstmaagden die een brief opbrengen. Maar alras werd haar aandeel groter en groeide ze uit tot de beroemde actrice over wie gesproken werd als het Wonder van Wasserman. Kijken naar dat wonder, naar het spel van deze ‘kleine, grijze vrouw’ zoals ze vaak in de pers werd beschreven, dat gebeurde niet alleen met de ogen maar voor een groot deel ook met het hart.

Op handen gedragen
De parallellen met het acteurschap van Elsie de Brauw liggen werkelijk voor het opscheppen. Maakte Ida Wasserman de gang van Vlaanderen naar Nederland; Elsie de Brauw, in 1960 te Den Haag geboren, maakte een omgekeerde tournure: van Nederland naar Vlaanderen, naar NTGent. En net als Wasserman is zij tweevoudig winnares van een Theo d ‘Or (2006 voor Opening Night en 2011 voor Gif). Bovendien ontving zij in 2007 een Gouden Kalf (voor de film Tussenstand).

Maar er is nog meer aan verwantschap tussen de beide op handen gedragen actrices: ook haar man is regisseur en toneelleider. En vertolkt evenals de rol van Ljoeba in De kersentuin,een voorstelling die haar man onlangs regisseerde bij NTGent.

Ook van Elsie de Brauw is er een geschilderd portret. Dat hangt in de erehaag van de Stadsschouwburg Amsterdam, waar ze zich omringd weet door vele andere Louis D’Or- en Theo D’Or-winnaars als collega-grootheden Lineke Rijxman, Wil van Kralingen, Marlies Heuer , Ellen Vogel, Hein van der Heijden, Jacob Derwig, Hans Kesting, Halina Reijn, Bert Luppes, Kees Hulst, Chris Nietveld, Joop Keesmaat en, onder meer, Bien de Moor.

Nochtans bestaat er een aanwijsbaar verschil: het geschilderde portret van Elsie de Brauw bestaat uit vrolijke kleurtinten, en dat verschaft haar letterlijk meer kleur dan Ida. Het maakt Elsie nabij, van nu. En zo kijkt ze ons, toneelliefhebbers, aan met haar hart. Laten we haar daarom koesteren. Laten wij op onze beurt haar, en in algemene zin toneelspelers, koesteren, zo dichtbij als ze zich soms argeloos tussen ons, stervelingen, begeven.

De integrale, door Elsie de Brauw uitgesproken lezing is hier te vinden.

‘Laat het simpel zijn, gewoon simpel!’

Elsie de Brauw in Tsjechovs ‘De kersentuin’ en Ida Wasserman Lezing

De rijke familieboomgaard op het uitgestrekte landgoed, die beroemde kersentuin: hij gaat eraan! Tsjechovs meesterwerk ‘De kersentuin’ wordt bij NTGent gespeeld door een sterrencast met onder meer Pierre Bokma en Elsie de Brauw. De Haagse topactrice spreekt bovendien de Ida Wasserman Lezing uit.

Terwijl familie, vrienden en personeel reikhalzend uitzien naar haar komst, detoneert haar vergane glorie. In ‘De kersentuin’ keert Ljoeba (Elsie de Brauw) na vijf jaar van reizen berooid weer thuis op haar landgoed-in-verval. Terwijl ze in vervoering raakt van herinneringen aan haar kindertijd, wordt haar gedrag aldoor ondoorgrondelijker.

Beschreef Tsjechov louter een anekdotisch tijdsbeeld zo rond het jaar negentienhonderd? Of reikte ‘De kersentuin’ toen al verder, over een strijd van alle tijden: een clash van generaties? Voelt niet iedere gearriveerde vijftiger zich weleens bedreigd, voorbijgestreefd door jongere generaties? Ook tegenwoordig zien zij verworven zekerheden zienderogen afbrokkelen – terwijl nieuwe maatschappelijke werkelijkheden zich in sneltempo aandienen.
In De kersentuin, Tsjechovs laatste stuk, roept grootgrondbezitter Lopachin uit: ‘Laten we er maar eerlijk voor uitkomen, ons leven is stompzinnig.’ Die zinloosheid (volgens sommigen: betekenisloosheid) weglachen – en ondertussen volleerd en praktiserend arts zijn. Voor Tsjechov bleek het een vruchtbare spagaat. Na zijn medische studie bracht de beroepspraktijk hem in contact met ellende, ziekte en dood; ervaringen die zijn kennis van de menselijke geest verrijkten. En bovenmatige mensenkennis opleverde.
De tragiek van het menselijk onvermogen, uitzichtloosheid, verlies: Tsjechov wordt vaak beticht van een (te) melancholieke ondertoon. Misverstand. Tsjechov zelf meende dat ‘De kersentuin’ een komedie moest zijn. Maar al in de eerste opvoering, die in Moskou met geestdrift werd onthaald, werd juist sterk de nadruk gelegd op het tragische. Tot verdriet van de schrijver. Over de première van De kersentuin, op 17 januari 1904 in het Kunsttheater te Moskou, was Tsjechov ziedend. Terugreizend naar zijn kuuroord Jalta noteerde hij in een brief aan echtgenote/actrice Olga dat ‘regisseur Stanislavski mijn stuk heeft geruineerd.’
Waarom toch hamert hijzelf, ook in het geval van ‘De kersentuin’, er zo op dat zijn stuk in de eerste plaats ‘komisch’ bedoeld is? Het antwoordt luidt dat Tsjechov zwaarwichtigheid, ponderositeit, wilde vermijden. En had hij een gloeiende hekel aan sentimenteel, bombastisch gekwezel. Door zijn stuk een komedie te noemen hoopte hij op een ‘lichte’ speeltrant, een koele, scherpe benadering van de personages die hij had bedacht, maar ook op het achterwege laten van realistische details om het stuk een schijn van werkelijkheid te verlenen. Een tijdgenoot die hem tijdens een repetitie gadesloeg: ‘Iedere valse noot, ieder cliché, iedere ijdele of vulgaire nuance deed Tsjechov huiveren… Dikwijls interrumpeerde hij de acteurs om te bepleitten: ‘Niet theatertaal, alsjeblieft. Laat het simpel zijn, gewoon simpel!’

NTGent
Tsjechov biedt genoeg materiaal voor vrijwel welke interpretatie dan ook. Bij regisseur Johan Simons, een van de grote meneren uit het Nederlandse toneel, is ‘De kersentuin’ een verwijzing naar de staat van het Europa van nu. Simons: “Door zijn sociale betrokkenheid stelde Tsjechov als mens een onvoorstelbaar groot voorbeeld. Hij was werkzaam als arts terwijl de hongersnood en de cholera-epidemie het Rusland van eind negentiende eeuw teisterden, en hij was nauw betrokken bij de gemeenschap waarin hij werkte. Ondertussen onderhield hij innig contact met zijn familie. Een generositeit die in tijden van extreem individualisme tot nadenken stemt.”

De kersentuin was Tsjechovs laatste stuk. En het enige stuk waarvan de titel niet naar een personage maar een plek verwijst. Simons: “Tsjechov schreef ‘De kersentuin’ op de drempel van een tijdperk dat zou worden gekenmerkt door toenemende migratie, dat werd beheerst door een soms tendentieus beeld van de mens als nomade. Een evolutie die vandaag is uitgemond in verwarring. Een verwarring over het verschil tussen zelfgekozen onthechting en noodgedwongen ontworteling.”

Elsie de Brauw & Ida Wasserman Lezing
Hoofdrolspeelster in ‘De kersentuin’ is Ljoeba, bij NTGent gespeeld door Elsie de Brauw. De geboren Haagse won eerder twee keer de Theo d’Or voor beste vrouwelijke rol. Zij spreekt op zaterdagmiddag 13 februari in de Koninklijke Schouwburg de Ida Wasserman Lezing uit, vernoemd naar de Residentie Tooneel-actrice, die voor háár vertolking van Ljoeba indertijd een Theo d’Or won.

Dit zijn de namen
NTGent neemt ook bezit van de Koninklijke Schouwburg met ‘Dit zijn de namen’ speelt, naar de roman van Tommy Wieringa. Het verhaal speelt zich af op de puinhopen van de beschaving, en stelt prangende vragen: Moet een samenleving eerst worden ontdaan van zijn illusies alvorens er ruimte ontstaat voor empathie en barmhartigheid?

NTGent met ‘De kersentuin’ op vrijdag 12, zaterdag 13 en zondag 14 februari 2016. ‘Dit zijn de namen’ speelt op woensdag 17 februari 2016. Elsie de Brauw spreekt de Ida Wasserman Lezing uit op zaterdag 13 februari 2016, 16.30 uur. Meer informatie op ks.nl. Telefonisch reserveren: 0900 – 3456789.