Het onophoudelijke onbehagen in de cultuur

Theaterkrant magazine

Alle kunstenaars maken aanspraak op geluk. Theatermaker polst de garde die eind jaren tachtig de huidige subsidiesystematiek ontwierp. Hoe kijken ‘Kunstenplan-peetvaders’ zoals Jan Riezenkamp en Kees Weeda terug op hun tekentafel van weleer? De geschiedenis rijmt.

In een podcast van theatertijdschrift Scènes slaakte Hans Croiset recentelijk maar zeker niet voor het eerst de verzuchting dat bij het ministerie er niemand [is] die het opneemt voor theater. ‘Er zitten geen mensen meer die er verstand van hebben. In mijn tijd als artistiek leider was dat wel anders, werd veel meer meegedacht.’

‘Jean Pierre Rawie schreef ooit,’ lacht Jan Riezenkamp olijk: ‘Vroeger was alles beter – behalve de tandarts.’ Maar op zichzelf, zegt hij, is de bewering van Croiset waar. ‘Ik kan met hem mee voelen – maar de vraag is of dat zo erg is. Hij verwoordt overigens een algemeen voorkomend maatschappelijk verschijnsel: de ontkenning, zelfs afwaardering van deskundigheid. Anders geformuleerd: de opwaardering van management.’ Hij verwijst daarmee naar het boekje Groter denken kleiner doen van Herman Tjeenk Willink, voormalig voorzitter van de Eerste Kamer en oud-vicepresident van de Raad van State.

‘In zijn algemeenheid vind ik het lastig om vast te stellen dat het vroeger beter was,’ vindt Kees Weeda. ‘Maar de werkwoorden ‘managen’ en ‘houden van’ kunnen wat mij betreft best samengaan. Van mezelf kan ik in ieder geval zeggen dat ik zeer geïnteresseerd was in de thema’s van ons beleid. Vertrekpunt voor mij was daarbij altijd een standpunt van liefhebber-op-afstand, beoordelaar en beleidsmaker. Daar ergens tussenin. Ondertussen moet je natuurlijk van een inhoudelijk oordeel vandaan blijven maar toch betrokkenheid tonen, want kunstenaars moeten onder ingewikkelde omstandigheden hun werk doen en zijn daarin kwetsbaar, ook al omdat anderen direct een oordeel klaar hebben over hun kunstenaarschap maar van hen afhankelijk zijn voor de uitoefening van hun beroep.’

‘Op het ministerie zijn medewerkers die beschikken over deskundigheid allengs op een lager plan terechtgekomen,’ analyseert Riezenkamp.

‘In de ambtelijke top wordt tegenwoordig verplicht gerouleerd. Kennelijk om te voorkomen dat mensen van hun vakgebied gaan houden, citeer ik Henk van Os, hoogleraar Kunst- en Cultuurgeschiedenis, en voormalig directeur van het Rijksmuseum Amsterdam maar even.’ De carrousel van het roulatiesysteem voor topambtenaren werd evenwel niet voor niks is ingevoerd: de ministeries waren verkokerd, ambtenaren soms machtiger dan hun bewindspersoon, en waren ook slim en ervaren genoeg om de Kamer op afstand te houden.

Riezenkamp: ‘Verkokering was er, maar het middel is inmiddels erger dan de kwaal. Het is zoals zo vaak een kwestie van het juiste midden vinden. Een minister heeft altijd de mogelijkheid de secretaris-generaal (sg) te verzoeken om een andere directeur-generaal aan te stellen. Soms zijn de sg’s machtiger dan een bewindspersoon – die meestal maar vier jaar zit. Vanuit de continuïteit valt er wat voor te zeggen dat ambtenaren daar garant voor staan. Scherpe beleidwijzigingen zijn afgezien van Rutte 1 in Nederland met zijn coalities zeldzaam. Kortom:  het vinden van het juiste evenwicht is een kunst en niet iedereen is kunstenaar.’

‘Over dat verplichte rouleren kan ik me echt boos maken,’ reageert Weeda. ‘De terreur van de afdeling personeelszaken die bepaalt dat een leidinggevende na vijf jaar van kippen- of salmonellabeleid wordt overgeheveld naar pakweg cultuurbeleid. Dat moet echt afgelopen zijn. Het is kennis die voortdurend weglekt en deskundigheid die wordt verkwanseld. Je hoort dat ook in de ‘coronacrisis’ zeggen over de huidige staat van het volksgezondheidsbeleid.’

Gaandeweg, meent Riezenkamp, zijn er lui aan de knoppen gaan draaien wiens voordeel het was dat ze vooral géén verstand van kunst en cultuur hadden. ‘Vroeger was het zo dat als je beschikte over deskundigheid en liet zien dat je affiniteit met je beleidsgebied had, je vanzelf gezag verwierf. Maar momenteel zie ik in geen van beide kampen personen, ambtenaren noch kunstenaars of hun vertegenwoordigers, die in staat zijn een goed inhoudelijk debat te voeren, dat soort loopt eenvoudigweg niet meer rond, op het ministerie noch in het kunstenveld.’

Daarop vallen klinkende, illustere namen van mannen (het was toen vooral ‘A Man’s World’): Stevijn van Heusden die vooraan aan de tekentafel stond; George Lawson, Jan Knopper, Jan Kassies, Hoos Blotkamp, Maarten Asscher, Peter Berger; en aan de kunstenaarskant onder meer Willy Hofman en Ritsaert ten Cate.

Riezenkamp: ‘In mijn tijd schoven ambtenaren zonder omwegen aan bij bestuursvergaderingen van kunstinstellingen, dat waren toentertijd nog klassiek opgetuigde stichtingen, niet zoals nu met een raad van toezicht en zo. Afhankelijk van de ambtenaar die daadwerkelijk over de schouder van een instelling mee keek, werd voluit meegepraat, van financiën tot repertoirevorming.’

De stevige inmenging van de kant van de ambtelijke top wordt toegeschreven aan meer handelingsvrijheid die er in die jaren zou zijn geweest. ‘Dat is gedeeltelijk waar,’ oordeelt Weeda. ‘Er was toen minder vastgelegd in procedures, vooral juridisch gezien. Dat is wat de juridificering van de samenleving heet. Die kan niemand voor de voeten geworpen worden, het is wat het is.’ Maar daar is gaandeweg bijgekomen dat iedere bewindspersoon een noodzaak voelde om zelf met een Cultuurnota op de proppen te komen. Landelijk, en plaatselijk ook steeds vaker.

Riezenkamp: ‘Nieuwe ronde, nieuwe prijzen. Er wordt steeds een enorm circus opgetuigd, maar vaak is het niet meer dan een cilindrisch archief, of een oefening in ‘zoek & vervang’, een procedurele benadering met elke vier jaar wisselende ‘buzzwords’. Ik geloof daar niet in. Zonde van de energie om ieder vier jaar van ‘scratch’ te gaan.’

Hij haalt herinneringen van stal aan de geboorte van het eerste Kunstenplan. ‘Dat kwam uit de koker van mijn collega Stevijn van Heusden. Op zich was het een goed en rationeel ingerichte systematiek, maar gaandeweg is het verworden tot een soort planeconomie Sovjetstijl.’

Weeda: ‘Het oorspronkelijke idee was om kunstenaars meer vaste grond te bieden. Als ik terugga naar dat allereerste Kunstenplan was daarin feitelijk heel weinig vastgelegd. De basisgedachte was: laten we een bestel ontwerpen dat minder van ad hoc besluiten aan elkaar hing. En door er een termijn van vier jaar aan te verbinden zouden kunstenaars en instellingen meer zekerheid hebben, en dus hun toekomstige bewegingsruimte. Maar,’ zegt hij, ‘we zouden anno nu het stelsel met alle procedures eromheen, die ook nog eens aldoor verfijnder en ingewikkelder worden, moeten vereenvoudigen en hervormen.’

‘We wilden afspraken met de verschillende bestuurslagen’, legt Weeda uit, ‘als manier om cultuurbeleid te decentraliseren. Rijk, provincie en gemeenten kwamen vervolgens plechtig overeen om de subsidievoorwaarden op elkaar af te stemmen. Maar in de praktijk kwam daar niks van terecht. Het zijn nu eenmaal andere grootheden en ze hebben een uiteenlopend speelveld. Ook waren er steden die als altijd al te graag zelf het wiel wilden uitvinden.’

De ontwerpers moesten aanvankelijk zelf hartelijk en hardop lachen om wat volgens henzelf het Ei van Columbus was, weet Weeda op te diepen, ‘vooral omdat zo iedereen de wind uit de zeilen werd genomen. Maar ondertussen hadden we zelf niet door dat we een systeem bouwden dat voor het veld erg rigide zou uitpakken. We doorzagen de consequentie niet dat steeds meer gegevens en doelstellingen vastgelegd zouden moeten worden en dat we de kunstinstellingen moesten vragen zich te conformeren aan niet bepaald direct cultuur-eigen te noemen afgeleide richtpunten, zoals economische, en financiële of uiteenlopende sociaal-maatschappelijke aandachtspunten.’

Riezenkamp, lacht breeduit: ‘Schrijver en columnist Gerrit Komrij wees er in de jaren tachtig al meteen op dat de cultuur werd opgezadeld als pakjesdragende ezels waar het zwanen moesten zijn. Die vaststelling, toen al niet prettig, is er alleen maar erger op geworden. Als wethouder heb ik daar overigens zelf aan meegedaan. Ik ben dus op mijn schreden teruggekeerd.’

Weeda: ‘Terwijl kunstenaars en kunstinstellingen uit zichzelf, ook toen, beschikken over een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor de rol die kunst in de samenleving heeft te spelen. Alleen: gaandeweg moest dat allemaal afrekenbaar en inzichtelijk worden tot een spreadsheet van impact. Dat is de dood in de pot. Het zijn daardoor afvinklijstjes geworden. Dramatisch, want je ziet het voor je ogen vastlopen. Wéér een maatregel erbij, en wéér een afrekenbare coëfficient.’ Van de criteria is artistieke kwaliteit nu zo’n beetje de laatste in de reeks,’ zegt Riezenkamp. Weeda: ‘Het keurslijf, de draden van het korset, zijn aldoor steeds strakker aangetrokken. Toentertijd was de speelruimte voor ambtenaren inderdaad groter: wij wilden niet alles tot drie cijfers achter de komma vastleggen.’ 

De vrijheid die met het instellen van een Kunstenplan-systematiek werd beoogd, is omgeslagen in een last voor het hele veld – en met name voor kunstenaars zelf en de instellingen.

‘Beleid is,’ betoogt Weeda, ‘op zijn best een slimme manier om wat er in de praktijk gebeurt achteraf op papier vast te leggen. In de praktijk moet het gebeuren, dáár loop op je tegen hetgeen wel of niet kan. Natuurlijk: kunstenaars zijn ook mensen en een enkeling is weleens gemakzuchtig. Maar in principe reageren zij met hun kunst op de samenleving, zijn kunstenaars verbonden met de maatschappij en reageren op actuele vraagstukken en ontwikkelingen. Als beleidsmaker wil je dat stimuleren. Maar beleid in matrices en meetbare doelstellingen gieten? Dan gaat het fout, want dat ondergraaft het onderling vertrouwen tussen beleidsmakers en anderzijds makers en instellingen. Dat is het grote drama dat erachter schuilgaat.’

Maar ook vroeger was zeker niet alles koek en ei.

‘Ook toentertijd vielen natuurlijk spaanders,’ blikt Riezenkamp terug. Enige turbulentie is er altijd wel geweest. Hij: ‘Utrecht verloor haar symfonieorkest; het Frysk Orkest werd met het Noordelijk Filharmonisch Orkest samengevoegd tot het Noord Nederlands Orkest. Uit artistieke motieven veranderde de Haagsche Comedie veranderde in Het Nationale Toneel, Toneelgroep Theater werd Theater van Oosten, en Toneelgroep Globe werd omgevormd tot Het Zuidelijk Toneel. Ook werd toentertijd de opheffing van het genre ‘mime’ hardop bepleit.’

Weeda herinnert zich van die periode met name de discussie rond theatergroep Fact nog goed. ‘Dat was een werkplaats waar jonge regisseurs zich aan vernieuwend theater konden wagen. Maar dat uitgangspunt was voor de grote gezelschappen van toen de reden om het zo te laten en die verantwoordelijkheid niet op zich dachten te hoeven nemen. Toen we Fact rond 2000 ophieven, deden we dat bewust. Dat leidde tot ophef, maar gecreëerd met de bedoeling en in de veronderstelling dat de grote toneelgezelschappen de verantwoordelijkheid van Fact op dat valk zelf zouden oppakken.’

Valt het tij van het Kunstenplan-regime nog te keren?

‘We moeten ingrijpen in het systeem,’ meent Weeda. ‘We moeten disciplines uit elkaar halen. Van mij hoeft niet iedereen door dezelfde hoepel. Het Cultuurplan van nu houdt op geen enkele manier gelijke tred met de samenleving. Kunstenaars werken niet in termijnen van vier jaar, eerder van acht jaar of levenslang bezig aan het opbouwen van een oeuvre. We moeten dus af van de vastgeroeste indeling van vier jaar. En maak de BIS kleiner, beperk die tot pakweg 15 instellingen die van nationale betekenis zijn en dus onmisbaar, zoals onder meer Rijksmuseum, Nationale Opera & Ballet, Internationaal Theater Amsterdam, want die ga je toch niet en nooit opheffen. Als ze niet functioneren naar behoren kun je altijd nog ingrijpen in hun bestuur of in de dagelijkse leiding van instelling of gezelschap. Die dan wel eerst een meerjarige accreditatie moeten krijgen.’

‘Hypothetisch en utopisch bezien,’ zegt Riezenkamp hamerend vanuit zijn eigen bril, ‘zou ik beginnen bij een ander personeelsbeleid – opdat de overheid aan deskundigheid kan winnen en weer werkelijk een gesprekspartner kan zijn voor het veld, waar het nu slechts een bijrol als boekhouder lijkt te vervullen. Net als Kees geloof ik in de werking, rust en zekerheid die een wat langere subsidietermijn kan bieden. Want moeten Rijksmuseum en consorten nu echt iedere vier jaar worden beoordeeld? Ikzelf voel veel meer voor een tussentijdse evaluatie en een termijn van acht jaar. Maar ja, wie durft dan nog zijn nek uit te steken en ze negatief te beoordelen?’

Weeda: ‘Je kunt een vinger aan de pols houden door een visitatiecommissie hun ‘output’ te laten vergelijken met gelijkwaardig geachte internationale top-instellingen, eigenlijk zoals dat rond 2008 ook al werd gedaan en werd verlaten. De grote, infrastructurele instellingen krijgen bijvoorbeeld een subsidieperiode van acht jaar, met twee visitatiemomenten: één na het derde en één na het zesde jaar. Wel moet je tegelijkertijd de fondsen wendbaarder maken, minder strak in de regelgeving zijn en meer geld geven.’

Had de ‘coronacrisis’ aangewend moeten worden voor het zetten van een pas op de plaats?

Weeda: ‘Volgens allerlei voorspellers gaan we een nieuwe tijd tegemoet, wordt het nooit weer het oude normaal. Wat ik bemoedigend vind is dat de meeste overheden het Kunstenplan 2021-2024 hebben willen vaststellen. Het zou makkelijk zijn geweest om daarmee te wachten. Maar doormodderen was veel gevaarlijker geweest. Want dan kan cultuurgeld alsnog weglekken. Anderzijds: Never waste a good crisis… al heb ik weinig illusies of fiducie dat deze coronacrisis de oorzaak zal zijn van een fundamentele verandering in de systematiek van het Cultuurplan. Ik hoop het wel, maar denk het niet. Ik ben allang blij dat overheden bedragen reserveren. En als ik zie hoe jong en oud snakt naar muziek, concerten en uitgaan en dat ze hunkeren naar contact, dan kan het niet anders dan dat dat straks als een speer terug moet slaan richting de kunsten als een fundamentele levensbehoefte. Samen zijn, samen beleven, verbeelding zien.’

CV Jan Riezenkamp
Jan Riezenkamp (Veendam, 1944) was in het verleden onder meer voorzitter (2009-2015) van de Amsterdamse Kunstraad, directeur-generaal (1996-2005) van het ministerie van OCW alsook (1982-2003) van het ministerie van WVC. Van 1983 – 1985 was hij wethouder in Rotterdam op de beleidsterreinen Financiën, Kunstzaken, Haven en Economische ontwikkelingen. Informeel werd hij indertijd ‘s lands meest invloedrijke cultuurambtenaar genoemd.

CV Kees Weeda
Kees Weeda (Rotterdam, 1946) was onder meer algemeen secretaris (2004-2011) van de Raad voor Cultuur, hoofd Culturele Zaken (1991-2004) te Rotterdam, journalist voor Het Parool en Het Vrije Volk, en voormalig bestuurslid van talloze kunstinstellingen.

‘Alsof het echt strandzand is’

Serie Den Haag Centraal: Het juweeltje

Kunstenaar-uitvinder Theo Jansen

Wat is het allermooiste? Haagse kunstenaars delen wat hen het meest inspireert of inspireerde. In deze aflevering: ‘Strandbeest’ Theo Jansen over een beroemd schilderij van Anton Mauve.

“Wat ik mooi vind aan ‘Bomschuit op het strand’ is dat het echt zand lijkt en dat het hout van de romp van de boot dat door zout van de zee uitgeslagen is, door zand gemarteld lijkt. ” Theo Jansen schildert met eigen woorden het schilderij. “Het is die dag geen mooi strandweer,” tuurt hij voort op het werk uit 1882.

“Kijk eens naar al die grijstinten. Die komen prachtig uit, exact de sfeer zoals je die bij vlagen echt ziet. Ook de andere schilders van de Haagse School hebben het duin- en strandlandschap en het Den Haag van toen, ieder op eigen wijze, in kaart gebracht. Ik moet altijd aan hun schilderijen denken als ik door de duinen of over het strand banjer. We verkeren in Den Haag in een unieke situatie. Een wereldplek.”

De momenten dat hij het meesterwerk – olieverf op doek, 115 bij 172 centimeter, onderdeel van de collectie van Kunstmuseum Den Haag – ziet waant hij zich op een andere planeet. “Terwijl de afbeelding juist realistisch is,” constateert hij, “ook bezien vanuit een sociale realiteit, want de vissers hadden een moeizaam bestaan. Legt dat eens naast de luxe en de rijkdom van kuurgasten die een paar honderd meter verderop met badkoets een steenworp de zee introkken om te badderen. Dat is een scherp contrast.”

Theo Jansen (1948) is zowat op het strand geboren, groeide in haar nabijheid op. “Het strand was mijn venster op de wereld. De zee en het strand gaan over de oorsprong van het leven en natuurlijk ook van mijn eigen leven.” Hij is bekend als createur van hoogst eigenaardige Strandbeesten, zelfstandig lopende kinetische creaties, opgetrokken uit pvc-buizen en plakband. “Die zijn niet bij toeval juist hier ontstaan. Ze willen zich alleen op de compacte en vlakke ondergrond van de kustlijn goed voortbewegen, kunnen niet op gras.”

Hij woont nog altijd pal aan zee. Dagelijks maakt de kunstenaar-uitvinder wandel- en fietstochten door het duingebied. “Ik houd van het contact met de elementen.” Hield aan de kust ook een tijd lang atelier. “Daar werd het me stilaan te druk, werd een trekpleister. Dat hinderde me.” Maar nog steeds zullen op gezette tijden zijn Strandbeesten over de vlakte van het strand lopen, zo kondigt hij aan. “Je moet er alleen wat meer moeite voor doen, net als het spotten van als hertjes in de duinen.”

De ontdekking van Mauves ‘Bomschuit’ ligt hem nog vers in het geheugen. “Dat is een jaar of zeven geleden toen een kennis uit Amerika de ‘Anatomische Les’ van Rembrandt wilde bezichtigen. In toen nog het Gemeentemuseum was een tijd lang een selectie uit de collectie van het Mauritshuis te zien. Toen pas is het schilderwerk in volle reikwijdte en omvang tot me doorgedrongen.”

Datzelfde Kunstmuseum zal gastheer zijn voor een nieuwe tentoonstelling van zijn Strandbeesten. “Dat zou de komende zomer zijn, maar is door ‘corona’ een jaartje uitgesteld.” Eén ding is voor hem zeker: “Het schilderij van Mauve komt er bij.”

‘Bomschuit op het strand’ is te vinden via ‘collectie’ op de website van Kunstmuseum Den Haag en ook via de website Google Arts and Culture.

Biografie:
Theo Jansen kan zich onder meer ‘Briljanten Kunstenaar van het Jaar 2017 en Kunstenaar van het jaar 2018 noemen. In 2018 ontving hij ook de Haagse Cultuurprijs. Meer informatie over Theo Jansen op www.strandbeest.com

‘Reizen in je hoofd’

Serie Den Haag Centraal: Het juweeltje

Kunstenaar Bruno van den Elshout

Wat is het allermooiste? Haagse kunstenaars delen wat hen het meest inspireert of inspireerde. In de eerste aflevering: kunstenaar Bruno van den Elshout. Met een kinderboek in de hand je wereldbeeld oprekken. “Dit is een heel gaaf boekje.”

Van den Elshout maakt kunst- en onderzoeksprojecten die uitnodigen tot ontmoetingen tussen mensen, ideeën en werelden. Meest recente projecten zijn ‘Whatever the Weather’ en ‘New Horizons’. Voor het laatstgenoemde fotografeerde hij een jaar lang ieder uur van de dag de Noordzeehorizon. De 8785 beelden legde hij vast in een monumentaal boek. Wat inspireerde hem?

“Mag dit?,” legt Bruno van den Elshout (1979) voor, en tovert ‘Die van hiernaast en van de overkant’ tevoorschijn, het Kinderboekenweekgeschenk uit 1987. Geen kunstwerk in letterlijke zin, maar een paperback met als ondertitel ‘Over Engelse drop, straf en beesten in Europa’.

Het tachtig pagina’s tellende werkje geeft weetjes weer over kinderen en landen in Europa – van snoep, school, huisdieren, feestdagen en namen, tot telefoongebruiken, vakantie, bedtijd, huizen, straf, gebaren en poppenkast. “Ik moet het in mijn kinderjaren cadeau hebben gehad,” vertelt hij, “maar weet niet meer van wie of wanneer. Het was er gewoon.” In tegenstelling tot bijvoorbeeld ‘Pinkeltje’, zegt hij, blééf het in zijn boekenkast – tot op de dag van vandaag.

Er zijn thema’s beschreven en geïllustreerd over hoe in verschillende landen de telefoon wordt opgenomen, hoe mensen schelden, over munten en handschriften.” Kijk,” zegt hij enthousiast het boek openslaand, “hier wordt aan de hand van plaatjes uit ‘Asterix en Obelix’ uitgelegd hoe geluiden als ‘oei’, ‘boink’ en ‘oef’ in andere talen klinken.”

“Het laat zien hoe je op verschillende manieren hetzelfde kunt bekijken. Gebruiksvoorwerpen die iets van uniformiteit hebben, maar er toch steeds anders uitzien. “Overal hebben mensen eigen manieren en vormen bedacht. Zoiets als dat je je Facebook-profiel open laat en er dan opeens andere foto’s en berichten staan. Het ziet er hetzelfde uit – maar toch is het volstrekt anders.” Net zoals ieder land zijn eigen sterke drank, nummerbord, hymne, postzegels, automerk, vliegmaatschappij en verkeersborden heeft. “Ik vind het gaaf als alledaagse fenomenen, voor iedereen bekend en door iedereen gedragen, worden uitgelicht en opgetild. Waardoor schoonheid en een samenhang zichtbaar wordt die anders onopgemerkt blijft, zeker als die gekoppeld zijn aan mensen en plaatsen. En door de onderlinge wisselwerking vormen ze elkaar.”

Het boekje openbaarde een venster op de wereld. Wat tweedimensionaal was, werd voor hem opeens ‘pop-up’. “Samen met de Bos-atlas en landkaarten die ik van a tot z spelde, en de Stratengids van Den Haag waarin ik eindeloos op tram- en buslijnen studeerde, van de ene naar de andere pagina overspringend. Maar ook het bordspel ‘Een Reis door Europa’ heeft veel voor mij betekend.” Hij lacht: “Ik vond aardrijkskunde vroeger heel leuk.”

Als een van de uitvloeisels maakte hij veel later, in 2007, een reis die hem kriskras door landen van de Europese Unie voerde. Van dat project maakte hij ‘Us Europeans’, dat op zijn website te vinden is. Hij sprak toen met bewoners over typische en folkloristische aspecten van hun land, vergelijkbaar met de opzet van ‘Die van hiernaast en van de overkant’.

Informatie over Bruno van de Elshout: www.photologix.nl. ‘Die van hiernaast en van de overkant’, van Paul Arnoldussen en Marja Baeten, met illustraties van Joep Bertrams. Het is nieuw en tweedehands verkrijgbaar bij diverse online aanbieders.

Noël Fischer, briljant regisseur van jeugdtheater

Podcast

Noël Fischer is een van de meest opmerkelijke en veelzijdige regisseurs van de laatste tijd. Bij HNTjong, waar ze artistiek leider is, maakte ze jeugdtheatervoorstellingen voor de kleine, en familievoorstellingen voor de grote zaal. Tijdens de serie HNT speelt altijd regisseerde ze juist voorstellingen voor volwassenen, met gekend én nieuw talent uit de gelederen van ‘grote broer’ HNT.  Daarenboven biedt ze veel ruimte aan nieuwe initiatieven en nieuw bloed binnen het gezelschap.

Het voorbije jaar gingen twee grote producties waar ze bij HNTjong aan werkte niet door: haar ‘levenswerk’, marathon annex festival Trojan Wars, en nog vorige maand Erik of het klein insectenboek. Ze liet en laat zich echter niet uit het veld slaan.

Een prijs won ze nooit, wel waren er nominaties. ‘Ach, misschien wordt het nog ooit een oeuvreprijs…’ Een nadere kennismaking met Noël Fischer.

Beluister de podcast op de website Scènes.nu

‘Ieder van ons kan ook heel veel níet’

Online ontmoeting met Kees Vuyk bij ‘Filosofie in Den Haag’

Op sociale media is falen taboe. Daar doen we een wedstrijdje hoe geweldig het gaat. Is succes of falen een keuze? Filosoof Kees Vuyk, winnaar van de Socratesbeker 2018, geeft een online lezing over de feilbare mens, naar het gelijknamige boek dat hij erover schreef.

 ‘Ja – maar wat als alles lukt?’ prijkt op het prikbord achter leraar Mattijs. Hij is mentor op een van de middelbare scholen uit de Human-serie ‘Klassen’. Het boek ‘Oude en nieuwe ongelijkheid’ van Kees Vuyk diende als bagage voor de documentairemakers. Vuyk, oud-hoofddocent cultuurbeleid aan de Universiteit Utrecht, beschreef in zijn studie het failliet van het aloude verheffingsideaal: Wat heb je aan gelijke kansen als je weet dat je niet in staat bent en nooit in staat zult zijn om ze te benutten, en je kinderen evenmin?

“Dat boek was de weerslag van een onderzoek naar gelijke-kansen-politiek,” legt Vuyk in een telefoongesprek uit. “Een van de conclusies was dat in hun nasleep goede bedoelingen allerlei neveneffecten teweeg brengen, en de mens er maar weinig oog voor heeft. Fossiele brandstoffen zijn de motor van onze welvaart geweest,” geeft hij ten voorbeeld, “maar sinds een paar decennia weten we dat er schaduwzijden aan verbonden zijn. Aangezien we de keerzijden niet wíllen, willen we ze ook niet zíen. We dragen oogkleppen. Want we denken we met zijn allen aan iets moois bezig te zijn. De Toeslagenaffaire heeft waarschijnlijk een goede oorsprong, maar de fouten werden niet gezien.” Uitsluitend ‘goed’ doen kan niet, poneert hij, ‘alles is gemengd’. “Anders gesteld: “De meeste mensen deugen – maar ook zij doen vaak ondeugende dingen.”

In zijn meest recente boek ‘De feilbare mens – waarom ongelijkheid zo slecht nog niet is’, fileert hij de heersende opvatting dat wie succesvol is, dat volledig aan zichzelf te danken heeft. Succes als modern maakbaarheidsaxioma. “In onze maatschappij gaan we er vanuit dat we allemaal wat te brengen hebben, iets waarmee we kunnen woekeren en succes kunnen behalen. Met een competitieve samenleving tot gevolg. Maar niet iedereen is in gelijke mate met talent begiftigd,” aldus Vuyk.

“Probeer het eens andersom,” stelt hij als denkoefening voor. “Eenieder van ons kan ook heel veel níet, en ieder van ons maakt fouten. Mensen zijn heel verschillend in wat ze níet kunnen, dus heeft iedereen anderen om zich heen nodig. Talentvolle mensen kunnen in hun eentje niets uitrichten met hun talent. Competitie wordt in onze samenleving verheerlijkt, maar er moet ook oog zijn voor ‘losers’.”

Hij pleit voor meer tolerantie. “Ik gebruik in mijn boek het klassieke woord ‘vergiffenis’. Je moet kunnen vergeven; jezelf en anderen. Met alleen vingerwijzen komen we geen steek verder. Er worden nu eenmaal fouten gemaakt. Als is leren van fouten best moeilijk, want je moet ze dan eerst zien.”Hij wil maar zeggen: “Wees er bewust van dat je feilbaar bent, blijf om je heen kijken en afvragen wat goed gaat en wat fout uitpakt.”

Verdieping
Het ‘corona-tijdperk’ is een welkome voedingsbodem voor verdieping. Maar daarvóór ook al wel, legt Vuyk een historisch perspectief aan.

“Momenten van verwarring en versnelling in de samenleving zijn vaak aangrijpingspunten als je naar de geschiedenis van de filosofie kijkt. In onze tijd draait het vooral om informatie en technologie. De informatie-overvloed overrompelt voortdurend en maakt het moeilijk het verhaal voor jezelf scherp te houden of er een consistent verhaal uit te halen. Daar komt bij dat verhalen die er waren, zoals religie, dat niet hebben bijgebeend, terwijl tegelijkertijd verhalen rond de superieure westerse cultuur zijn gaan wankelen.”

Mensen zijn dus op zoek naar een nieuw verhaal.” Maar filosofie is geen zingeving, waarschuwt hij, “zij analyseert en levert slechts bouwstenen aan, opdat mensen zelf een verhaal kunnen maken en kunnen bepalen hoe ze in het leven en de wereld ze staan. Filosofie laat zien waar verwarring vandaan komt, een kans om je eigen kompas te ijken.”

Lezing
De online lezing draagt het karakter, zegt hij, van een tamelijk klassieke lezing. “Met hier en daar een helpende hand van PowerPoint en andere media. En we gaan de lezing opbreken in stukjes omdat je online sneller aan aandacht verliest.” Ook is er gelegenheid voor het interactief stellen van vragen. Hoe dat eraan toe zal gaan? “Je hebt online niet zo makkelijk oogcontact, en het is ook meer gissen dan in de collegezaal naar wat er aan de andere kant van de lijn gebeurt.”

Filosofie in Den Haag: ‘Denken over de feilbare mens – online ontmoeting met Kees Vuyk’, maandag 25 januari 2021, 20.00 uur. Meer informatie: http://www.filosofieindenhaag.nl