Wereldpremière orkestversie Tsoupaki’s ‘Thin Air’

Gratis ‘livestream’ bij Residentie Orkest

Het is geboren als een werk van mededogen, een werk waar om aan te verbinden. De Griekse pianiste en componiste Caliope Tsoupaki (Piraeus, 27 mei 1963) besloot in ‘coronatijd’ een werk te maken dat niet alleen troost zou verschaffen, maar ook de getroffen muzieksector voor zover dat kon op de been zou houden. Ze schreef Thin Air, voor elk instrument en elke stem. Op 20 juni ging het in première, op NPO Radio 4, in drie versies. Onder meer celliste Maya Fridman voerde het namens Festival Classique nabij museum Beelden aan Zee uit. Inmiddels is Tsoupaki’s compositie meer dan 45 keer gespeeld, kriskras door heel Europa – van Edinburgh, Helsinki, Istanbul tot Brussel – waarlijk een compassie-estafette.

Een orkestversie was er niet. Sven Arne Tepl, directeur van het RO, was onder de indruk van haar geste en van het werk, trok de stoute schoenen aan en nodigde haar uit om van ‘Thin Air’ een orkestversie te bouwen. Onder leiding van chef-dirigent Nicholas Collon, die hiermee zijn afscheid vorm geeft al komt hij later nog langs als gast, heeft het Residentie Orkest (RO) dan nu de eer van de wereldpremière van deze versie.

“Het idee is bijzonder,” verwoordt Sven Arne Tepl de keuze voor haar en voor dit werk. Als Componist des Vaderlands, een titel die ze van 2018 tot 2020 droeg, heeft ze iedereen in de nieuwe muziek de kans gegeven met goed gemoed weer aan de slag te gaan.” De orkestpartituur heeft hij alvast in kunnen zien: “Voor een bezetting met vijftig spelers, inclusief koperblazers,’ weet hij. “Er zit een heel mooie verstilling in.”

“Bij het begin van de coronacrisis moesten we snel knopen doorhakken,” vertelde Tsoupaki er destijds over. “We besloten de economie stil te leggen om de zwakkeren te beschermen. Een indrukwekkend staaltje van mededogen. Het stuk dat ik heb geschreven kan iedere musicus op zij eigen instrument spelen en iedereen op zijn eigen manier uiting geven aan zijn innerlijke stem van compassie.”

Al woont ze in Amsterdam, Tsoupaki behoort onmiskenbaar tot de Haagse ‘scene’, zegt Tepl. “Ze kreeg op het Koninklijk Conservatorium hier ter stede les van Louis Andriessen en is daar nog altijd een van de docenten. Voor ons nam ze de keuze en de begeleiding op zich voor compositiestudenten in de ‘One Minute Symphonies’ die we tot voor kort deden.”

Als Componist des Vaderlands fungeerde ze twee jaar lang als ambassadrice van nieuwe Nederlandse klassieke muziek, besloot ze ‘even dienstbaar te zijn als een bouwvakker of vuilnisman’. Ze schreef in die periode een reeks nieuwe composities voor evenementen buiten de concertzaal. In haar ogen kan muziek de actualiteit in een ander licht zetten. “Muziek zegt iets over de mens wat op een andere manier niet gezegd kan worden. Het opent een poort naar een wereld waarvan je niet wist dat hij bestond.”

De vraag was vervolgens waar en wanneer je dit stuk inzet. Tepl: “De Zondagochtendconcerten van het Concertgebouw in Amsterdam – waarin dit concert wordt gespeeld – zijn vrij klassiek van opzet. Daarom vond ik het een goed idee om Thin Air te omringen met de Vierde Symfonie en het Celloconcert van Schumann.

Een ‘sandwichformule’ die past in het streven van het RO om ook hedendaagse muziek te brengen, waarin zij een naam hoog te houden heeft. “Organisator Avrotros deed daarbij het aanbod om er ook een livestream op video bij te maken.” Die wordt gratis digitaal gedeeld. “We hebben bovendien de mogelijkheid om die in een later stadium op onze eigen communicatiekanalen online te zetten.”

De Vierde is, zogezegd, een ‘late’, en staat trouwens niet als zijn beste te boek. Tepl: “Soms wordt het wat vierkant als het te ‘Duits’ wordt gespeeld. Een dirigent moet er echt een visie op ontwikkelen, vakmatig instuderen en daarna loslaten, dan hoor je de complexiteit van zijn verknoopte geest. Je moet het stuk vakmatig instuderen en daarna loslaten.”

Het Celloconcert is een van de mooiste aller tijden, volgens Tepl. “Poëtisch, met name het langzame deel. Daar krijg je ‘corona’ de wereld mee uit!” Als solist krijgt Julian Steckel de gelegenheid om de droomsfeer van de melodieuze, smachtende Romanze te vertolken. “Hij is vaker bij ons te gast. Hij heeft een eigen kijk op Schumann en op klank.”

Kader:
Residentie Orkest doet mee aan Fieldlabs
Fieldlab Evenementen heeft van het kabinet toestemming gekregen om grotere ‘test events’ met meer bezoekers te gaan houden. Het Residentie Orkest concerteert in dat verband op vrijdag 14 mei in het Zuiderstrandtheater voor liefst duizend man.

Residentie Orkest, Tsoupaki / Schumann, zondag 25 april, 11.00 uur. De livestream is gratis te beluisteren via www.nporadio4.nl/live

‘Je moet jezelf in tweeën splitsen’

Serie Den Haag Centraal: Juweeltjes

Niek Takens over ‘De Jas’

Wat is het allermooiste? Haagse kunstenaars delen wat hun dierbaar is. Deze week: goochelaar Niek Takens over een legendarische act van Mini & Maxi: “Je moet jezelf in tweeën splitsen.”

Door Eric Korsten

“De act met de jas. Daar vind ik veel inspiratie in.” Niek Takens goochelt. Vanaf zijn 7e jaar al. Een bezoek aan de zomershow die Hans Klok toen had in attractiepark Duinrell leidde omstreeks die jonge leeftijd tot wat achteraf als een omslag in zijn leven kan worden beschouwd. Nu, op zijn 23e, behoort de Hagenaar tot de wereldtop. Met ‘de jas’ verwijst hij niet naar wat hij Klok toen zag doen, maar naar de wereldberoemde act van het Haagse theaterduo Mini & Maxi. “Voor het eerst zag ik die act een jaar of zeven geleden, als video op YouTube,” vertelt Takens. “Van Mini & Maxi had ik toen nog niet gehoord.”

Karel de Rooij (Mini) en Peter de Jong (Maxi) maakten zo’n vijftig jaar theater, op een manier zoals je die heden ten dage nauwelijks nog ziet. Hun werk stond vooral in de traditie van het muzikale variété. In hun succesnummer staan ze aan weerszijden van een kapstok met daaraan een lange jas en erbovenop een oubollige gleufhoed. Mini steekt zijn rechterarm door de rechter- en Maxi door de linkermouw van een muffige regenjas.

Klinkt logisch – maar het gevolg is dat ze hun armen aldoor gekruist moeten houden. Met een minimum aan theatrale middelen wekken ze vervolgens hun gelaat-loze personage tot leven. Takens: “Het gegeven is inderdaad simpel. Maar je hebt wel opeens drie personages voor je neus, terwijl je toch verdraaid goed weet dat maar twee mensen de act spelen. Het is pure magie. Geen gegoochel, eerder een soort van poppenspel.”

De scène moet het hebben van uiterst subtiele, gesmeerde handbewegingen. Hun personage, een dun mannetje, laten ze vloeiend verschillende handelingen uitvoeren, van handenwrijvend, duimendraaiend, bladerend door een tijdschrift tot rollebollend met een mobiele telefoon, ondertussen gekruist achterlangs de jas, allebei een gangster bril op de neus geprikt houden, en a cappella een deuntje ten beste geven.

Takens is vooral het schudden van speelkaarten bijgebleven. “Het is natuurlijk waanzinnig knap om het mannetje dat gecoördineerd te laten doen, ‘zijn’ handen behoren immers aan twéé mensen toe. Die moeten dus perfect op elkaar zijn ingespeeld, functioneren als één.”

Takens is de act gaan naspelen “want er was door corona toch veel tijd voorhanden”. Samen met collega Guyllaume Wibowo heeft hij dat plan opgevat, met het oog op wellicht een komende, nieuwe en gezamenlijke show. “Je moet jezelf in tweeën splitsen qua karakter,” heeft hij gemerkt, “je bent jezelf terwijl je naast de kapstok staat, maar bent ook de jas.”

Vanuit Italië kreeg hij na een post op sociale media al eens een belletje. Of hij daar in een tv-show met de ‘jas-act’ wilde optreden. Dat lag toen lastig, “want we hadden toen nog maar anderhalve minuut aan materiaal.”

Mini & Maxi gebruiken het goochelen om het ‘verhaal’ te verbeteren. “Het zijn theatermakers, geen goochelaars. Ze gebruiken elementen uit de magie als toegevoegde waarde. Bij het goochelen gaat het om de truc.” Hij wil dat ook gaan doen, de switch maken naar het goochelen als middel in plaats van doel.

Dat komt mooi uit, want De Rooij is tegenwoordig zijn vaste leermeester, waar hij als tiener gecoacht werd door grootmeester Ger Copper. Hagenaar De Rooij, bekend als voorvechter van circus en variété, treedt vaker op als coach slash eindregisseur, onder meer bij theatergroepen als de Ashton Brothers, Släpstick en Percossa. De Rooij organiseert optredens met zijn stichting Scala Variété aan Zee, voorheen in onder meer het Ketelhuis van Theater de Regentes.

Takens zou wel weer aan de bak willen. “Er staan nu weinig optredens in mijn agenda, helaas. Ik voel me soms als een acrobaat die maar moet zien te overleven. Vanzelf zie ik ernaar uit dat alles weer mag. Ik zou graag een keer in Den Haag een show geven met wat ik de laatste tijd heb ontwikkeld.”

Biografietje
Niek Takens won meermaals het Nederlands Kampioenschap en behaalde prijzen van Frankrijk, Italië en Engeland tot China (Shanghai en Beijing). Ook trad hij op in Las Vegas (VS), walhalla voor goochelaars. In 2017 werd hij Europese vicekampioen, en in 2018 zesde op het wereldkampioenschap te Busan (Zuid-Korea). Hij werkte met de Ashton Brothers in de shows Welcome to the Ashton Brothers en Ashtonia.

Credits
De ‘jas-act’ is, naast integrale shows van Mini & Maxi, onder meer te vinden op YouTube.

‘Acteurs zijn gewend geraakt aan camera’s op de toneelvloer’

Firma MES brengt videostream van TECH

Firma MES brengt met TECH drie recente solo’s rond mens en technologie over van theater naar beeldscherm. Anna Raadsveld speelt Alice, huishoudhulp. “Maar ze houdt ook van converseren.”

Hoe technologische ontwikkelingen uitpakken? Nemen autonome robots en algoritmes de mens ‘over’ en wordt die tot slaaf van de technologie? Niemand die het weet, al ziet de Israëlische historicus Harari in zijn boek ‘Homo Sapiens’ een maatschappij vol ongelijkheden in het verschiet waarin sommigen zich kunnen upgraden en anderen kwetsbaar en sterfelijk blijven.

Met ‘TECH’ maakte het Haagse theatercollectief Firma MES drie jaar geleden drie afzonderlijke, korte solo’s, gespeeld door haar drie vaste acteurs en bij elkaar gehouden door hun vaste regisseur. Met het drieluik luisterde Firma MES haar tienjarige jubileum op. Nu is de voorstelling van toen een ‘videostream’.

In het deel ‘Alice’ heeft de gelijknamige huishoudrobot-met-gezelschapsfunctie het dik voor elkaar: een fijn huis, een zorgzaam baasje en voldoende stroom. Niemand ziet hoe Alice het menselijke dichter benadert dan toegestaan. Op een dag neemt Alice een dramatisch besluit: ze vertrekt…

“Alice is hulp in de huishouding, maar je kan ook met haar converseren,” vertelt Anna Raadsveld, die de rol van Roos Eijmers overneemt. Het stuk begint als tot haar doordringt dat ze meer kan en wil zijn dan robot. “Maar moet ze dat willen? Is een mens soms meer waard dan een robot?” Een discussie die we kennen kantelt zo.

Raadsveld: “Doorgaans luidt de vraag welke en hoeveel robotfuncties de mens moet willen. Nu is het omgekeerd. Dat is het slimme van de tekst van Jibbe Willems. Hij heeft een personage gemaakt dat als mens communiceert, maar toch buiten de groep staat. Alice kan daardoor ongedwongen reflecteren.”

Speltechnisch is Raadsveld in ‘Alice’ ergens tussen mens en robot in. Hoe doe je zoiets? “Het was best een kluif om dat uit te vinden,” antwoordt ze. “Als je een robot nadoet stuit je er al snel op dat het een trucje wordt. Bovendien wreekt zich dat zodra je bij Alice emoties wil laten doorschemeren.”

Alice is daarom eerst geestelijk, fysiek en verbaal ‘in control’, zegt ze, maar naar gelang de voorstelling vordert, menselijker. “Maar ze hapert dan, want het grillige van de mens vindt ze raar, dat is niet bij haar ingeprogrammeerd.” Het was best een kluif om dat alles in haar spel te leggen,” antwoordt ze.

De invulling van de rol verschilt enigszins van die van Eijmers. “Mijn interpretaties verschillen. Ik ben een ander dan Roos, en vice versa. Maar in grote lijnen is het wel hetzelfde stuk.”

De voorstelling, ook de andere delen incluis, is door er een ‘videostream’ van te maken bijna als tv geworden, zegt Raadsveld, die zelf buiten het theater ook bekendheid geniet van tv-programma’s en -series. “Acteurs zijn nu, na een jaar, wel gewend geraakt aan camera’s op de vloer. Al is en blijft video wezenlijk anders dan het theater, voor onszelf én voor het publiek.

Maar dat biedt ook voordelen: “Je kunt spannend monteren en meer met belichting uithalen. De hele ‘mindset’ is gewoonweg anders. Ook voelt het een beetje ‘allenig’ met alleen een stel camera’s voor je neus.”

Het meer filmische karakter dat ‘Alice’ verkregen heeft, wordt versterkt doordat de robot talloze citaten uit filmklassiekers bezigt. Die zoekplaatjes blijken, nu het stuk een ‘videostream’ is, achteraf gezien een dubbele bodem te zijn. “Alice is met film ‘grootgebracht’ omdat ze als gezelschapsdame moest fungeren. De filmcitaten ontglippen haar op momenten van controleverlies.”

Zoals die uit Forest Gump bijvoorbeeld, lacht Raadsveld: “‘My mama always said: ‘Life is like a box of chocolate; you’ll never know what you gonna get’.” Dat verwoordt volgens haar ook precies het gevecht waar Alice voor staat. “Ze wil uitbreken, maar ze is nu eenmaal voorgeprogrammeerd.”

Sekspop
In het deel The Life and Death of a Sex Robot brengt Lindertje Mans als sekspop Robin een one-woman-robotopera. Daan van Dijsseldonk is in Locke de gelijknamige man die alleen zijn telefoon en auto heeft om zijn leven op de rit te houden – terwijl alles waar hij om geeft op losse schroeven komt te staan.

Firma MES, TECH, livestream donderdag 22 t/m zaterdag 25 april 2021, 19.00-00.00 uur; zondag 26 april 2021, 15.00-00.00 uur. Met vrijdag- en zaterdagavond een online ontmoeting met de makers. Meer informatie en tickets: http://www.firmames.nl

Het zoet en zuur van de kust

Martin Hendriksma schreef ‘Aan zee. Een kroniek van de kust’

Een onder invloed van stroming en getij voortdurend veranderende rafelrand, zo werd de kuststreek in vroeger tijden gezien. In het boek ‘Aan zee. Een kroniek van de kust’ trekt Den Haag veelvuldig voorbij, net als Scheveningen.

Deskundologen, gezagsbekleders en beleidsmakers zijn het allang eens: deltagebied Randstad valt uiteindelijk met droge voeten noch droge ogen te handhaven. Tegen de gelijktijdig oprukkende zeespiegelstijging en binnendijkse bodemdaling valt straks waterstaatkundig economisch niet rendabel op te dijken – en zulks al na een decennium of wat vanaf nu. Na een gevecht van (l)eeuwen wordt het veroverde zeeland weer een land van zee.

Deze dystopie is evenwel niet aangesneden in de kroniek van de kust die schrijver en journalist Martin Hendriksma op schrift stelde. Wél wordt beschreven hoe tot ver in de negentiende eeuw het strand voor de Nederlander voornamelijk een onheilsplek was. Een oord waar je vanwege stormvloed en overstroming beter niet kunt zijn. Hendriksma brengt als ijkpunt de stormvloed van november 1170 in herinnering, toen de zee tussen Den Helder en Texel doorstootte – en daarmee aanzet gaf tot het latere IJsselmeer. ‘Tot in de stad Utrecht werd er ooit op kabeljauw gevangen.’

Het strand was een plek waar niemand in Nederland zich raad mee wist. ‘Aan de kust lijk je overgeleverd aan de luim van de goden. Nergens wordt zo hartstochtelijk gebeden, nergens zitten de kerken zo vol als hier’, schrijft Hendriksma. ‘Het razende water waaraan Noach met zijn ark ternauwernood wist te ontsnappen, bleef nadien fungeren als de gesel van God. De mens wordt er gestraft voor zijn eigen zonden.’ Geen kustbewoner, geen bestuur wist raad met de kustlijn. En van wie was het strand eigenlijk?

In zijn kroniek volgt Hendriksma (o.a. ‘De Rijn’, ‘Lutine’, ‘Hunkering’) de vaderlandse kustlijn, van Cadzand tot Rottumeroog, vrijwel iedere streek en kustplaats trekt aan zijn scherpe maar vloeiende pennetje voorbij. Hij heeft daarbij veel aandacht ingeruimd voor Den Haag en Scheveningen.

Zo kijkt hij in het hoofdstuk ‘Een allee naar zee’ terug op de omvorming van achtenveertighonderd stappen tot Scheveningseweg in 1663, een eureka-moment van Constantijn Huygens. Allereerst met het oog op het tot stand brengen van een militaire snelweg.

Omgekeerd vonden Scheveninger vissers in de ‘kilometerslange kier door het Haagse duin’ een bereikbare en makkelijk begaanbare toegangspoort tot hun afzetgebied, waar ze voordien alleen dankzij klompentred en karrenspoor een zompige route vol geboefte hadden. Achteraf is het voor Scheveningen de dijkdoorbraak geweest als toerismemagneet, van kuuroord tot mondaine glamourbadplaats, eerst voor de happy few en later ook en vooral voor het voetvolk.

Ook die afzonderlijke stappen worden door Hendriksma beschreven. In de hoofdstukken ‘De ontdekking van de zee’ en ‘Snuivend als een poedelhond’ worden die tastbaar, met in 1818 badhuis Pronk als eerste van dien aard dat in Nederland verrees. Een likeurglaasje zeewater werd toentertijd heilzaam geacht. Een Haagse commissie concludeerde dat baden in zeewater ‘de kragten van lichaam en geest’ verhoogt, mits onder nauwkeurig geneeskundig toezicht’.

Meer nog: zeewater zou als een soort Haarlemmerolie de eetlust opwekken, de luchtwegen schonen en ook nog eens helpen tegen ‘zenuwziekten, zenuwtrekkingen, kramptrekkingen, zwellingen en allerleij langdurige en hardnekkige huidziekten’. Toeristenstromen kwamen op gang en vanaf dan geldt de kust niet langer als eeuwige onheilsplek waar onpeilbare watermassa’s samenspannen tegen een fragiel vlechtwerk van duin en dijk. Nadat het prestigieuze Grand Hôtel des Bains, later: Kurhaus, van gemeentewege was verrezen, bleek het gedaan met het goedlopende badhuis van Pronk, die in ruil wel riant werd uitgekocht.

Een hoofdstuk verder komt de betonkraag van de Atlantikwall ter sprake. Hendriksma’s kroniek eindigt ten slotte in de moderne tijd met een licht sociologisch getint verslag over opkomst van naturistenstrand en beach clubs, en met rijzende vraagstukken omtrent de ruimtelijke inrichting van het kustgebied. Ook wordt de Zandmotor in Ter Heijde als aangelegde zandba(n)k voor Schevenings strand opgeworpen.

De 356 pagina’s tellende kroniek is een meeslepend leesboek over vijfhonderd jaar kustbeleving, verpakt in 25 verhalen, van watervloed, slavernij, armoede en oorlog, maar ook van vrijheid en zorgeloos geluk. Met gevoel voor detail en stijl weet Hendriksma een nieuwe, frisse kijk op de kuststreek te wekken.

Martin Hendriksma: Aan zee. Een kroniek van de kust, uitgeverij De Geus, verschijning op 20 april 2021.

‘Er zijn bomen die alles hebben gezien’

Serie Den Haag Centraal: Het juweeltje

Actrice Ellen Goemans en haar bomen des levens

Wat is het allermooiste? Haagse kunstenaars delen wat hun dierbaar is. Deze aflevering: de Haagse actrice Ellen Goemans over bomen. “Het nachtlampje gaat pas uit als mijn hoofd leeg is.”

“Als je bij TNO de duinen inloopt en het schelpenpad naar beneden volgt, het fietspad over richting boerderij, dan kom je uit bij een bos. Nou, daar ergens. Je moet hem maar net zien, het is geen bedevaartsoord.” Het is een beuk. Of beter: op de foto lijken het wel zeven beuken die als in een kring bijeen staan. “Ik verbaas me ook, het lijken een boel kleine boompjes.” Maar het is één grote boom. “Vroeger had die een zijtak waar je op zitten kon, maar die is afgebroken.” Als er water staat in kuiltjes van de boom, doopt ze daar haar vinger in en raakt, ‘zoals in India’, dan even haar voorhoofd aan. Als ware het wijwater.

Het is voor haar de plek waar ze de dag plukt, die haar tot contemplatie verleidt. “Ik sta daar vaak met mijn ogen dicht het nu in mijn leven te overdenken.” Dat klinkt spiritueler dan ze bedoelt. “Ik spreek bij die beuk de hoop uit dat mijn projecten goed gaan, dat iedereen gezond blijft, dat het een mooie dag wordt en, in vroeger tijden, dat mijn zwangerschap goed zou verlopen.”

Als achteraf haar wens niet is uitgekomen bedankt ze niettemin de boom. “Die heeft dan toch naar me geluisterd, dat voel ik zo.” Bij momenten verandert de boom in een orakel. “Als ik hem om goede ideeën vraag.”

Ellen is verzot op bomen. Echte en kunstzinnige. Ook bij haar thuis is de boom als icoon niet weg te denken. “Dit schilderij van Karel Bleijenberg hangt tegenover mijn bed. Het raakt me. Het is geschilderd in zijn Spaanse periode, rond 1959. Ik vind de kleurstelling waanzinnig mooi, de stam bijvoorbeeld, is rood. Wat ik erin zie is het licht, zonlicht, en ontspanning. Op bed lig ik er altijd naar te staren, niet zoals ik dat doe als ik bij die beuk sta, maar zoekend naar een moment om in het schilderij te verdwijnen. Het nachtlampje gaat pas uit als mijn hoofd leeg is.”

Ze is intens van het werk van de Haagse kunstschilder gaan houden en zich allengs gaan verdiepen in het leven van Bleijenberg (Den Haag, 1913-1981). Hij verbleef na de oorlog enige tijd in Parijs en Amsterdam. Nadien vestigt hij zich in Den Haag. “Hij ondernam verschillende reizen naar Zuid-Frankrijk en Spanje en schilderde en aquarelleerde daar kleurrijke landschappen en havens, gezichten op dorpjes, schepen op het strand, portretten en enkele stillevens.”

Later ging hij abstracter werken. Hij wordt gerekend tot de Nieuwe Haagse School, was lid van de Posthoorngroep, de Haagse Kunstkring en van Pulchri. “Hij woonde aan de Mallemolen in de stad. En was, van horen zeggen, een vrouwenliefhebber pur sang, daar stond hij om bekend.” Ze kocht meer werk van zijn hand bij het Haagse Venduehuis. Daar kocht ze ook dit schilderij, eenvoudigweg getiteld ‘Spanje’, 40 bij 50 centimeter, in zijn originele lijst.

Bomenfluisteraar
“Bomen kunnen ouder worden dan wij. Op Madagascar waar ik was zag ik een baobab. Die kunnen duizend jaar worden. Bomen staan op plekken die vaak totaal veranderd zijn, hebben alles gezien en meegemaakt wat zich daar heeft afgespeeld.”

Toen ze op een blauwe maandag naar de kunstacademie wilde heeft ze veel bomen getekend, “waaronder een hele grote in houtskool.” Bomen houden voor haar verband met haar werk als actrice, met toneelspelen. “Ik werk vaak op de actualiteit en als ik dan bij die boom sta of het schilderij op me laat inwerken, dan dringt het besef door dat een boom onveranderlijk is blijven staan. Dat relativeert enorm.”

Biografie Ellen Goemans
Na de toneelschool Arnhem ging Ellen Goemans als actrice en theatermaker werken bij Double Edge Theatre in de VS. Ze richtte met onder meer Eric de Vroedt toneelgezelschap Monk op, speelde bij ’t Barre Land en Dood Paard, en werkt nu samen met toneelgroep ECHO en mc KASSETT. Ze doceert toneel in Utrecht. Na de zomer maakt ze een nieuwe lunchvoorstelling, die ook in Den Haag te zien zal zijn, Sloopkogel, op een tekst van Don Duyns.

Credits
Van Karel Bleijenberg zijn op internet vele werken te zien, kies daarbij voor de optie ‘afbeeldingen’.

‘We moeten met de natuur in gesprek’

Lezing Eva Meijer op Nacht van de Filosofie

Schrijver en filosoof Eva Meijer houdt een online lezing over haar gloednieuwe essay Vuurduin, aantekeningen bij een wereld die verdwijnt.

April doet wat hij wil. Waarvan akte. Maar april is jaarlijks terugkerend ook verheven tot Maand van de Filosofie, met dit jaar ‘De natuur was hier’ als verbindend thema. Filosofie in Den Haag brengt tijdens de jubileumeditie van haar ‘Nacht van de Filosofie’ een uitgebreid doch uitsluitend online plaatshebbend programma, met onder meer een lezing door schrijver en filosoof Eva Meijer.

‘De natuur was hier’, dat klinkt welhaast als een ‘tag’ waarmee je de naam van je (ge)liefde eeuwigdurend in een boom kerft. Hard gelag voor die boom trouwens, want de sapstroom wordt beschadigd, evenals het cambium, de groeilaag van de boom.

Maar wat is dat eigenlijk: natuur? Eva Meijer laat in haar essay ‘Vuurduin, aantekeningen bij een wereld die verdwijnt’ dat ze ter gelegenheid van de Maand schreef, doorschemeren dat ze enigszins ambivalent tegenover het begrip staat: ‘Ik heb eigenlijk niet zoveel met de natuur. Natuur is een vaag begrip dat, zeker in Nederland waar alles is aangelegd en wordt beheerd, vaak nogal romantisch of zelfs conservatief wordt ingevuld.’

Bezwaarlijk vindt ze ook dat ‘niet-menselijke dieren worden gereduceerd – alsof zij geen culturen hebben en alsof mensen niet zijn gemaakt van natuurlijk materiaal.’ “Mensen gebruiken ‘natuur’ vaak voor wat zich buiten de mens afspeelt,” licht Meijer in kort een telefoongesprekje toe.

“In Nederland is alle natuur aangelegd, en wordt beheerd en gecontroleerd. Toch spreken we van ‘natuur’. Dus waar hebben we het dan eigenlijk over?” Ze voelde zich na die eerste denkoefening aangesproken, uitgedaagd om verder te stoeien met het thema. “Als filosoof probeer je de dingen eerst moeilijker te maken, om daarna helderheid te kunnen scheppen.” Ze besloot te bekijken wat er nu precies aan het verdwijnen is, en wat we ertegenover kunnen stellen.

Wadplaat
Voor haar prachtige uiteenzetting riep ze de fluisterhulp in van schrijvers, filosofen, kunstenaars én hond Doris. En ze toog naar Vlieland, als plek waar het ecosysteem van de Wadden dreigt te verdwijnen. ‘De wadplaten slijten langzaam uit omdat ze niet meer genoeg worden aangevuld met sediment en zullen op een gegeven moment niet meer droogvallen.’

Ze kwam daar tot de slotsom dat ‘deep listening’ de sleutel kan zijn tot een andere verhouding tussen natuur en mens. “We moeten onszelf meer zien als onderdeel van de natuur,” zegt ze, “de mens als soort is een natuurwezen. We moeten met de natuur in gesprek, beter luisteren naar andere dieren en de natuurwereld om ons heen.”

In haar verhaal werpt ze op dat voor wie dat mocht denken, de afstand tot dieren, planten en andere dingen niet groot hoeft te zijn: ‘Het samenleven met honden heeft bijvoorbeeld de levens van mensen én honden veranderd. Cultuur bepaalt dus deels de natuur, en natuur vormt cultuur.’

Durven dromen is een voorwaarde voor een andersoortig gesprek. “Bij grote problemen, van corona tot vee-industrie, ligt het voor de hand om kritiek te leveren – en dat moet ook. Maar daarnaast is het nodig om iets anders voor te stellen. Dromen en hopen is belangrijk om ergens naartoe te kunnen werken. Dagdromen misschien, maar veeleer om als samenleving te verbeelden hoe het rechtvaardiger, beter en mooier kan.”

Online
De vraag is hoe natuurbeleving (of het wegvallen ervan) over te brengen is aan de hand van een online programma. Meijer: “We zijn digitale natuurwezens geworden, nota bene door toedoen van een dierlijk virus. Gelukkig trekken mensen er toch veel op uit en is er meer aandacht gekomen voor de omgeving, van eigen tuin en stadspark tot natuurgebied.” Ze stelt voor een combinatie te maken: “Het festival meemaken en later een natuurwandeling om te bekijken en te beluisteren wat bomen,struiken, vogels en wormen te zeggen hebben.”

Programma
Na haar lezing wordt Meijer geïnterviewd door Marli Huijer, hoogleraar publieksfilosofie en voorzitter van de stichting Maand van de Filosofie. Het programma vermeldt voorts optredens, gesprekken en bijdragen van en met Bibi Dumon Tak, De Jonge Denkers, Esther Kokmeijer, Martin Drenthen en Ap Verheggen.

Filosofie in Den Haag, ‘Nacht van de Filosofie’, zaterdag 17 april 2021, 16.00-22.00 uur, online. Meer informatie: https://filosofieindenhaag.nl

‘Een ‘Orozco’ was zeker duizend gulden goedkoper’

Serie Den Haag Centraal: Juweeltjes

Alfred Birney over zijn lievelingsgitaar

Wat is het allermooiste? Haagse kunstenaars delen wat hun dierbaar is. In deze aflevering: schrijver Alfred Birney: “Op verjaardagen poets ik haar altijd op.”

Zijn eerste ingeving: Metamorphose, magnum opus van Escher. Meer bijzonder variant drie. Maar, tja, het oude hoofdpostkantoor aan het Kerkplein is opgedoekt. En daar hing dat 48 meter lange wereldberoemde meesterwerk al sinds 1969 pontificaal te pronken, zó dat hij er altijd graag een omweggetje voor legde.

Waar het origineel na 2008 gebleven is…? Enig speurwerk leert dat het achter de paspoortcontrole in Lounge 4 op Schiphol hangt.

Niet meer in de stad aanwezig, dus niet van toepassing voor deze rubriek. Dan maar een ander object. En na wat denkkracht: het door hem meest gekoesterde object, Model 15, ligt nota bene pal naast hem! Nog wel met de hand gesigneerd en genummerd. Opgeborgen in een dichtgegespte zwarte koffer.

Het gaat hier, vertelt Birney, om zijn klassieke Juan Orozco gitaar, bouwjaar 1978. Meer dan veertig jaar heeft zijn geliefde Spaanse lief en leed met hem gedeeld. Of was het andersom? “Kijk, ziet hij op de aankoopbon: 21 juni 1979. Straks vier ik dus haar 42e verjaardag. “Ik poets haar op verjaardagen altijd op. Ze krijgt dan ook steevast nieuwe snaren,” verkneukelt hij zich alvast.

Hij dreef in die jaren een gitaarpraktijk, introduceerde het gecombineerde noten- en tabulatuurschrift voor gitaristen, dat gretig aftrek vond. Door een beschadiging van zijn linkerhand zo rond zijn dertigste heeft hij het lesgeven eraan moeten geven. Later leidden artrose “en andere hommeles” ertoe dat hij zijn Martins en andere merkgitaren eerst aan de wilgen moest hangen en daarna verkocht.

De Orozco heeft hij echter altijd in bezit gehouden. “Al zit zij vol krassen en deuken, en is zij deels opnieuw gelakt omdat ik er een ‘golpeador’ op had om flamenco te kunnen spelen, toch blijft zij ontegenzeggelijk mooi.” Hij bespeelt zijn geliefde nog in alle toonaarden: van jazz, blues tot folk “en soms een beetje pop of bossa nova. Alleen klassiek, dat gaat niet meer zo goed.”

Orozco’s waren beroemd, onder meer door een ‘groot’ geluid en sonore bas. “De gemiddelde conservatoriumstudent had minstens een ‘Ramirez’ nodig,” herinnert Birney zich over de reputatie van zijn toenmalige aankoop, “maar een ‘Orozco’ was zeker duizend gulden goedkoper – en klonk minstens even goed.”

Zijn gitaar, het merk dan, is vandaag de dag een collector’s item, weet Birney. “Ze worden niet meer gebouwd.” Intussen is er wel een eerbetoon op de markt, in de vorm van de zogeheten ‘Artesano Maestro S.’

Nadat de gitaar naar het tweede plan van zijn leven was verwezen, bleek hij over een dubbeltalent als schrijver te beschikken. In zijn literaire werk trekt ‘de gitaar’ nu en dan nog voorbij. Bijvoorbeeld in ‘Rivier de Lossie’ uit 2009. Daar raakt een gitarist in Birneys voorouderlijk Schotland in de ban van een vrouw die hij meent te herkennen van The Ferryman’s Daughter, een ballade van folkzanger Donovan.

Ook in de De tolk van Java speelt de gitaar een rol – maar veel meer nog de plek, want dáár, uitgerekend naast de woning waar hij, pal onder het puntdak dat er toen nog op gloreerde, werd verwekt, kocht hij zijn Orozco, “bij gitaarbouwer Peer Dellen, toen die nog aan de Bilderdijkstraat een zaak had.”

Hij pakt De tolk van Java erbij, citeert uit pagina 42: ‘Mijn ouders woonden vlak voor mijn geboorte in een obscuur hotelletje tegenover de Openbare Bibliotheek aan de Bilderdijkstraat. Het pand op nummer 12 werd permanent bewoond door toneelspelers. Er zaten bekende namen bij uit die tijd: Jan Retèl, Sigrid Koetse. Vele jaren later zou het een liederlijke kast worden waar minnaars elkaar troffen tijdens kantooruren.’

Biografie
Alfred Birney (1951) is schrijver, essayist en columnist. In 1991 kreeg hij de literaire G.W.J. Paagman-prijs. Voor ‘De Tolk van Java’ kreeg hij in 2017 de Libris Literatuurprijs en de Henriette Roland Holst-prijs. Meer informatie: https://alfredbirney.com/

Gitaren in Den Haag
In Den Haag zijn gitaren te vinden bij onder meer Guitar Chop Shop (Zoutmanstraat), Key Music (Noordeinde) en Max Guitar (Lelykade).

Kunst met rafelrandjes

Serie Den Haag Centraal: Juweeltjes

Collageartiest Lula Valletta

Wat is het allermooiste? Haagse kunstenaars delen wat het meest inspireert of inspireerde. In deze aflevering: collageartiest en boekenfanaat Lula Valletta: “Life is a cut-up.”

Punk. Met die onverzettelijke fabrieksinstelling is ze op deze wereld gekomen. “Afzetten tegen de norm,” vertelt ‘cut-up artist’, collagekunstenares en bibliofiel Lula Valletta, “dat aspect komt ook terug in mijn werk in een politieke als humoristische toon.”

De bijbehorende levenshouding van ‘do-it-yourself’, van vrijheid en ‘fuck you’ we doen het zelf wel, van weerzin tegen de gevestigde orde is haar met de paplepel ingegoten, vooral door toedoen van haar ouders.

Pas vijftien was ze, zowat een kind nog, toen ze op de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in de stad ging studeren. Maar na twee wat haar betreft zieltogende jaren hield ze het daar voor gezien, “omdat ik mijn eigen stem verloren voelde gaan.”

Ze raapte haar boeltje bijeen en ging met koffer per trein linea recta naar Berlijn, waar ze eerder aan een studentenuitwisselingsproject had meegedaan. Ze ging aan de kunstacademie aldaar verder studeren. En daar, in Berlijn, vond ze het walhalla van punk en underground – en ook zichzelf terug.

Even later was ze deel van GlueHeads, een collagecollectief. “Zelf uitzoeken, zelf organiseren, dat was enorm inspirerend,” blikt ze terug. “Er was en is op het grafische vlak veel te beleven daar, zo hangt de stad er vol met posters en stickers.” Ze heeft Berlijn intussen weer verruild voor Den Haag. “De straten zijn hier veel schoner,” ziet ze om zich heen. “Opgeruimder. Je vindt hooguit hier of daar een enkel verdwaald anarchistisch postertje.”

Berlijners zijn volgens haar behept met de gewoonte “om dozen huisraad plompverloren aan straat ‘zu verschenken’.” Vaak zijn die volgestouwd met schoenen, kleding, DVD’s, CD’s of boeken.” Vooral de boeken wekten haar interesse. Die gebruikte ze dan, in een vlaag van serendipiteit, bij het maken van collages.

Terug in Den Haag mist ze dat Berlijnse verschijnsel node. Maar gelukkig heeft hier ter stede een ander fenomeen ingang gevonden: openbare boekenkastjes aan gevels van woningen. Haar voorliefde voor boeken, beter gezegd voor ‘het boek’, heeft haar ertoe gevoerd dat ze in die poezelige Buurtbibliotheekjes weleens enkele van de kunstboeken die ze zelf maakt, te vondeling heeft gelegd.

Als oprichter/directeur van festival The Other Book, een tweejaarlijkse uitstalling rond het kunstenaarsboek, vindt ze het een aanfluiting dat boekwinkels niet als ‘essentieel’ zijn aangemerkt.

“Mensen wordt kennis onthouden; in Frankrijk en België is dat wél gebeurd. Ondertussen stoot Bol punt com, de blauwe wolf, de lokale boekhandel het brood uit de mond.” Het stoort haar ook dat er weinig boekwinkels te vinden zijn in het Haagse straatbeeld.

Toch ziet ze ook positieve ontwikkelingen: “Er zijn hier mooie antiquariaten en de Boekenmarkt. Jonge hond Page Not Found zet zich in voor de verspreiding en promotie van publicaties die zijn gemaakt door kunstenaars; en er is de bookshop van kunstenaarsinitiatief Billytown.”

Helaas blijft de publicatie van boeken door kunstenaars in een kleine oplage achter, van boeken die haar bij aanraking een totaalervaring teweeg brengen. “Je ruikt de inkt. En al zijn ze vaak niet perfect, juist daardoor gaat mijn hart sneller kloppen.”

Ook bij de Haagse broedplaats Grafische Werkplaats kan ze haar hart ophalen. En in drukkerij/uitgeverij Stencilwerck vindt ze “een speeltuin met oneindige opties,” maakt ze vele publicaties die ze drukt met behulp van Risograaf en Mimeograaf, “grafische stencildruk-technieken met inkt op soja- of rijstoliebasis.”

Als collageartiest heeft ze onlangs werk tentoon kunnen stellen bij de Verbeke Foundation in Kemzeke, tussen Antwerpen en Gent. Daar is meteen ook werk van haar aangekocht en er is sprake van een samenwerking met GlueHeads in 2023.

Ze voelt het als erkenning. “De collage krijgt in Nederland maar mondjesmaat voet aan de grond bij kunstkenners,” zo heeft ze ondervonden. “De kunstvorm is ondervertegenwoordigd in kunstcollecties. Vaak wordt een collage beschouwd als de schetsfase vóór het maken van het eindwerk. Maar voor mij is het een ultieme kunstvorm: er gaat iets agressiefs van uit, en op jatten van anderen wordt niet neergekeken. Ik ben fan van surrealisme, dada en fluxus, daar wordt ook veel van collagetechnieken gebruik gemaakt.”

Traditionele, gekende kunstwerken vindt ze niet inspirerend, zelfs vermoeiend. “Ik zag laatst een man op een scootmobiel voorbijkomen met een mondkapje op zijn hoofd geklemd, een soort keppeltje! Dat beeld vind ik interessanter dan een bezoek aan galerie of museum, want daar word ik altijd wat nerveus.”

CREDITS
Lula Valletta exposeert tot 4 april 2021 met Iconoclast – Walser in a thawed landscape bij Peer in Gallery, Den Haag. Meer informatie: https://lulavalletta.com  

Stadsgezicht

Serie Den Haag Centraal: Juweeltjes

Auke de Vries’ aubade aan de stad

Wat is het allermooiste? Haagse kunstenaars delen wat hun het meest inspireert of inspireerde. In deze aflevering: Beeldend kunstenaar Auke de Vries (1937) zag als kind de stad zich openbaren.

‘7 jaar was ik – toen ik met spoed naar een ziekenhuis moest, ver weg van het dorp waar ik opgegroeid ben. In nachtelijke uren in een auto weggebracht – het begon al een beetje licht te worden – toen ik de chauffeur hoorde zeggen: ‘We zijn er’.

Ik kwam in een wereld die ik niet kende. Ik keek naar buiten en zag een groot donker gebouw. Van binnen helemaal wit. Lange gangen naar alle richtingen. Veel mensen, veelal in het wit gekleed. Bedden met wieltjes reden door de gangen. Ineens wist ik het, geen twijfel mogelijk: Dit moest een stad zijn. Ik kende het woord maar had er geen voorstelling van. Toen ik uit de narcose wakker werd zat een zuster naast mijn bed – breiend.

Ik vroeg haar: ‘Zuster, is dit een stad?’ ‘Nee, nee, dit is een heel groot huis’. Heel veel later las ik een uitspraak van architect Aldo van Eyck. ‘Een kleine stad is een groot huis.’ Onverwachte herkenning.

Grootgebracht in een wereld waar alles groeit, seizoenen zichtbaar zijn, vee in de weilanden – en dan is hier de stad. Dat wil zeggen: een verzonnen stad. Bedacht, getekend, gemaakt. Straten, pleinen, parkeerplaatsen, alles.

Mijn fascinatie voor de stad was geboren – en ik genoot ervan. Toen ik in Parijs verbleef werd ik elke ochtend gewekt door de eerste metro, tussen 5 en 6 uur, gerommel onder de grond. Het appartement was precies boven de halte Chambre des Députés. Ik voelde het als een groet.

De stad, een metropool, is te vergelijken met het menselijk lichaam. De bloedsomloop: transport, kruispunten, stremming, voorrang, aan- en afvoer, afval. En overal in het lichaam foto-elektrische cellen die controleren. Om nog even in Parijs te blijven: Charles Baudelaire, dichter en kunstcriticus, noemt de stad een roerig wezen. En de Duitse cultuurfilosoof Walter Benjamin schrijft over het flaneren. Wat een rijkdom.

Met de stad Den Haag sta ik op goede voet. Een kalme stad – maar er is de zee. De dynamische factor. Altijd in beweging, ook als we slapen. Atmosferische wisselingen. Ruimte. Schoonheid. Gevaar.

Via de Pompstationweg, waar Vincent van Gogh rondzwierf en prachtige tekeningen maakte, voorbij de watertoren – een markante vriend – kom je bij de monumentale houten trap. Staande op dit hoge punt rijzen mij associaties op uit de beeldende kunst.

Wat hier opdoemt, steeds opnieuw, is het expressionistische Meeresstrand van de Duitse schilder Max Beckmann. Op de vlucht voor naziterreur verbleef hij in Nederland en ook in Scheveningen. En ik zie de geweldige luchten van Jean Brusselmans voor me: De Storm.

Op dit deel van het Scheveningse strand ligt aan de horizon een armada van schepen, wachtend op vracht. Heel stil, geheimzinnig. Soms, onverwacht verandert door de wind hun positie, langzaam en verheven. Nog twintig van die giganten erbij en is het aan elkaar verbonden, althans in mijn fantasie, een drijvende stad. Blijvend of verplaatsbaar. Met een eigen orde. Misschien wel een eigen taal.

Biografie
Auke de Vries is autodidact. Hij maakt metalen sculpturen, abstracte constructies opgebouwd uit geometrische vormen die lijken te zweven. Hij is houder van de Ouborgprijs 1997, de Cultuurprijs Den Haag 2005, de Wilhelminaring 2015, en de Gerrit Benner Prijs 2019. In Den Haag staan verschillende van zijn werken, onder meer in de Grote Marktstraat en de Paleistuin.

Beckmann’s Meeresstrand hangt in Museum Ludwig (Köln); dat van Brusselmans is in privébezit. Ze zijn allebei ook via internet te vinden.

‘Ik neem diep mijn pet af’

Kees ’t Hart presenteert hommageprogramma omtrent Vestdijk

Vijftig jaar geleden, preciezer: op 23 maart 1971, overleed Simon Vestdijk, een van onze grootste schrijvers. Een mooie gelegenheid voor een eerbetoon, vindt de Haags schrijver, journalist en essayist Kees ’t Hart. “Ik wil een authentiek eerbetoon.”

Er zijn van die beroemde openingszinnen. Deze bijvoorbeeld: ‘Het had niet eens een portiek, zo plat was het. Niets vond er houvast, alles zou er afgegleden zijn, te pletter op de lange, rode, ingesleten stoep.’

Gedoeld wordt op ‘een steenklomp’ die als middelbare school dienst deed. Het zijn de beginregels van Terug tot Ina Damman, een van de beroemde Anton Wachter-romans van Simon Vestdijk, over de geschiedenis van een (lees: zijn) jeugdliefde, in 1934 door hem op schrift gesteld.

Vestdijks werk omvat zo’n 200 boeken, dichtbundels, essaybundels, novellen en korte verhalen, romans en briefwisselingen. Hij was ook vertaler, muziekcriticus en arts – dat laatste trouwens net als Tsjechov. Hij werd begraven op begraafplaats Nieuw Eykenduynen in Den Haag.

“Ik werd getipt door de Vestdijkkring, daar ben ik lid van,” vertelt Kees ’t Hart. “Dat dit herdenkingsjaar eraan zat te komen, wisten ik gek genoeg niet.” Hij steekt zijn bewondering voor Vestdijk (1898 – 1971) niet onder stoelen of banken – en waarom zou je ook. “Hij heeft in figuurlijke zin altijd achterop de bagagedrager van mijn fiets gezeten,” vertelt hij. “Vestdijk was daarmee in zekere zin de vormgever van mijn schrijverschap. In mijn literaire werk zijn dan ook vele ‘Vestdijkiaanse’ elementen te herkennen. In mijn roman ‘De keizer en de astroloog’ heet de hoofdpersoon Simon. Het leek me, als Vestdijk-evangelist, mooi om iets feestelijks te organiseren; ik doe graag iets terug voor mensen van wie ik houd.”

Kees ’t Hart presenteerde tot voor ‘corona’ maandelijks een literaire salon in Zaal 3, en stelde eerder al eens een flonkerend programma samen rond de Amerikaanse dichter Walt Whitman.

En als romancier van recentelijk onder andere Teatro Olimpico, Wederzijds, Hotel Vertigo en De ziekte van Weimar beschikt hij over een ruim netwerk van schrijvers, en zo treden zondagmiddag in een livestream vanuit Theater aan het Spui onder meer Peter Buwalda, Alfred Birney  en Marja Pruis aan.

“Zij vertellen over hun relatie met Vestdijk en gaan in op de stilistische invloed die Vestdijk op hun eigen werk heeft of heeft gehad. Dick Vestdijk brengt gedichten van zijn vader ten gehore. Een ensemble van het Residentie Orkest speelt ‘Vestdijk-muziek’, ‘onder meer uit De Koperen Tuin, een roman over de opera Carmen van Bizet, weet ’T Hart. En Jacqueline Bel, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, diept zijn belang uit voor de literatuur van nu.”

Wordt Vestdijk heden ten dage nog wel gelezen? “Te weinig in ieder geval,’ antwoordt ’’T Hart. “In de literatuurgeschiedenis staat hij te boek als moeilijk en intellectualistisch. Ten onrechte. En Vestdijk is bovenal een rasverteller met een fantastische schrijfstijl, waar ik diep mijn pet voor af neem. Als hij over het middelbareschoolleven schrijft, dan zie ik mezelf rondlopen als de leraar Nederlands die ik ooit was.” Neem De Ziener, ook deels een ‘lerarenroman’. “Die is nog steeds actueel.” Hij heeft ook wel mindere romans geschreven, “maar daar heb ik het liever niet over,” vertelt hij lachend.

Los van de livestream verschijnt volgende week een brievenboek, De toetssteen geheten, dat hij de afgelopen maanden met Maarten ’t Hart schreef. Daarin is de correspondentie vervat die hij met Maarten ’t Hart (‘geen familie, wel leeftijdgenoten’) over Vestdijk voerde, ‘voortgekomen uit bewondering voor zijn schrijverschap’.

Een middag over Vestdijk, met Kees ’t Hart e.a., livestream op zondag 28 maart 2021, 15.00 uur. Meer informatie en tickets: www.hetnationaletheater.nl