Het zoet en zuur van de kust

Martin Hendriksma schreef ‘Aan zee. Een kroniek van de kust’

Een onder invloed van stroming en getij voortdurend veranderende rafelrand, zo werd de kuststreek in vroeger tijden gezien. In het boek ‘Aan zee. Een kroniek van de kust’ trekt Den Haag veelvuldig voorbij, net als Scheveningen.

Deskundologen, gezagsbekleders en beleidsmakers zijn het allang eens: deltagebied Randstad valt uiteindelijk met droge voeten noch droge ogen te handhaven. Tegen de gelijktijdig oprukkende zeespiegelstijging en binnendijkse bodemdaling valt straks waterstaatkundig economisch niet rendabel op te dijken – en zulks al na een decennium of wat vanaf nu. Na een gevecht van (l)eeuwen wordt het veroverde zeeland weer een land van zee.

Deze dystopie is evenwel niet aangesneden in de kroniek van de kust die schrijver en journalist Martin Hendriksma op schrift stelde. Wél wordt beschreven hoe tot ver in de negentiende eeuw het strand voor de Nederlander voornamelijk een onheilsplek was. Een oord waar je vanwege stormvloed en overstroming beter niet kunt zijn. Hendriksma brengt als ijkpunt de stormvloed van november 1170 in herinnering, toen de zee tussen Den Helder en Texel doorstootte – en daarmee aanzet gaf tot het latere IJsselmeer. ‘Tot in de stad Utrecht werd er ooit op kabeljauw gevangen.’

Het strand was een plek waar niemand in Nederland zich raad mee wist. ‘Aan de kust lijk je overgeleverd aan de luim van de goden. Nergens wordt zo hartstochtelijk gebeden, nergens zitten de kerken zo vol als hier’, schrijft Hendriksma. ‘Het razende water waaraan Noach met zijn ark ternauwernood wist te ontsnappen, bleef nadien fungeren als de gesel van God. De mens wordt er gestraft voor zijn eigen zonden.’ Geen kustbewoner, geen bestuur wist raad met de kustlijn. En van wie was het strand eigenlijk?

In zijn kroniek volgt Hendriksma (o.a. ‘De Rijn’, ‘Lutine’, ‘Hunkering’) de vaderlandse kustlijn, van Cadzand tot Rottumeroog, vrijwel iedere streek en kustplaats trekt aan zijn scherpe maar vloeiende pennetje voorbij. Hij heeft daarbij veel aandacht ingeruimd voor Den Haag en Scheveningen.

Zo kijkt hij in het hoofdstuk ‘Een allee naar zee’ terug op de omvorming van achtenveertighonderd stappen tot Scheveningseweg in 1663, een eureka-moment van Constantijn Huygens. Allereerst met het oog op het tot stand brengen van een militaire snelweg.

Omgekeerd vonden Scheveninger vissers in de ‘kilometerslange kier door het Haagse duin’ een bereikbare en makkelijk begaanbare toegangspoort tot hun afzetgebied, waar ze voordien alleen dankzij klompentred en karrenspoor een zompige route vol geboefte hadden. Achteraf is het voor Scheveningen de dijkdoorbraak geweest als toerismemagneet, van kuuroord tot mondaine glamourbadplaats, eerst voor de happy few en later ook en vooral voor het voetvolk.

Ook die afzonderlijke stappen worden door Hendriksma beschreven. In de hoofdstukken ‘De ontdekking van de zee’ en ‘Snuivend als een poedelhond’ worden die tastbaar, met in 1818 badhuis Pronk als eerste van dien aard dat in Nederland verrees. Een likeurglaasje zeewater werd toentertijd heilzaam geacht. Een Haagse commissie concludeerde dat baden in zeewater ‘de kragten van lichaam en geest’ verhoogt, mits onder nauwkeurig geneeskundig toezicht’.

Meer nog: zeewater zou als een soort Haarlemmerolie de eetlust opwekken, de luchtwegen schonen en ook nog eens helpen tegen ‘zenuwziekten, zenuwtrekkingen, kramptrekkingen, zwellingen en allerleij langdurige en hardnekkige huidziekten’. Toeristenstromen kwamen op gang en vanaf dan geldt de kust niet langer als eeuwige onheilsplek waar onpeilbare watermassa’s samenspannen tegen een fragiel vlechtwerk van duin en dijk. Nadat het prestigieuze Grand Hôtel des Bains, later: Kurhaus, van gemeentewege was verrezen, bleek het gedaan met het goedlopende badhuis van Pronk, die in ruil wel riant werd uitgekocht.

Een hoofdstuk verder komt de betonkraag van de Atlantikwall ter sprake. Hendriksma’s kroniek eindigt ten slotte in de moderne tijd met een licht sociologisch getint verslag over opkomst van naturistenstrand en beach clubs, en met rijzende vraagstukken omtrent de ruimtelijke inrichting van het kustgebied. Ook wordt de Zandmotor in Ter Heijde als aangelegde zandba(n)k voor Schevenings strand opgeworpen.

De 356 pagina’s tellende kroniek is een meeslepend leesboek over vijfhonderd jaar kustbeleving, verpakt in 25 verhalen, van watervloed, slavernij, armoede en oorlog, maar ook van vrijheid en zorgeloos geluk. Met gevoel voor detail en stijl weet Hendriksma een nieuwe, frisse kijk op de kuststreek te wekken.

Martin Hendriksma: Aan zee. Een kroniek van de kust, uitgeverij De Geus, verschijning op 20 april 2021.

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s