Ontheemding werkt door bij twee miljoen Nederlanders

Nationale Herdenking voor einde van de Tweede Wereldoorlog

Met de Nationale Herdenking staat ons land komende zondag stil bij het definitieve einde van de Tweede Wereldoorlog voor het Koninkrijk der Nederlanden. Die dag worden de slachtoffers herdacht van de oorlog tegen Japan en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. In Den Haag zijn er velerlei gedenkmomenten.

Voor miljoenen was de Tweede Wereldoorlog nog niet voorbij in mei. Zo moest de bevolking van Nederlands-Indië volhouden, zonder te weten hoe lang het nog zou duren. En hoewel de Japanse bezetting van Indonesië op 15 augustus ten einde kwam was het daarmee niet gedaan met geweld in Nederlands-Indië: Twee dagen later riepen Indonesische rebellen de onafhankelijkheid uit, die pas in 1950 door Nederland formeel werd geaccepteerd.

In de onafhankelijkheidsstrijd en in de Tweede Wereldoorlog is er een diversiteit aan slachtoffers te betreuren, van burger tot militair slachtoffer, van bevolkingsgroepen zoals Indonesiërs, Molukkers, Indo-Europeanen, Europeanen, Papoea’s tot Chinese Indonesiërs. Hun oorlogservaringen, en ook de ontheemding die voor velen erop volgde, werken tot vandaag door bij, inmiddels, twee miljoen Nederlanders.

Traditiegetrouw heeft de Nationale Herdenking ook dit jaar plaats bij het Indisch Monument – het (graf)monument dat in 1988 werd opgericht. Vanwege corona draagt de bijeenkomst in de Scheveningse Bosjes dit jaar opnieuw een besloten karakter. Gelukkig wordt de herdenking live op tv uitgezonden.

Actrice en theatermaker Esther Scheldwacht verzorgt een voordracht, samen met haar zoon en muzikant Moos. Zij werd uitverkoren vanwege de hoofdrol die ze heeft in de theatervoorstelling ‘De eeuw van mijn moeder’ van Het Nationale Theater (HNT). Met deze marathonvoorstelling schreef regisseur Eric de Vroedt, artistiek leider van HNT, recentelijk een persoonlijk en gelaagd verhaal over de migratie indertijd van zijn moeder, die onlangs overleed, van Nederlands-Indië naar Nederland. Hij vertelt over de levenslange worsteling met identiteit die het gevolg was en de weerslag daarvan op de familie. De verfilming van deze voorstelling wordt juist dezer dagen in delen op tv uitgezonden.

De Vroedt, die zich als ‘Ramses’ opvoert in zijn eigen stuk: “Mijn moeder vond dat ik ook films moest maken. En uitgerekend bij dit project – een monument voor mijn moeder – wordt haar wens werkelijkheid. Een theaterstuk, door zijn aard vluchtig van karakter, is door de videoregistratie voor altijd en iedereen terug te kijken.”

Het eerste deel van de voorstelling, met dertien acteurs op de vloer, is intussen al uitgezonden maar valt online terug te kijken op de website van NPO Start, met zoekwoord ‘eeuw’. Deel 2 wordt vrijdag 13 augustus en op vrijdag 20 augustus wordt deel 3 uitgezonden. Als theatervoorstelling keert ‘De eeuw van mijn moeder’ in het seizoen 2022-2023 terug in de theaters.

De Vroedt werd bij het maken en repeteren gevolgd door de makers van ‘Het Uur van de Wolf’ (VPRO). De documentaire daarvan werd ook al van de week al uitgezonden, maar eveneens terug te zien via NPO Start. Daarnaast besteedt de NOS zondag in de avonduren aandacht aan de herdenking middels een speciale uitzending, met De Vroedt daarbij als gast aanwezig.

Grote Kerk
In de Grote Kerk speelt zich vanaf 10.30 uur een dialoog af, gratis toegankelijk na aanmelding. De vraag die de organiserende instelling ‘Dialoog in Den Haag’ zich daarbij stelt is: ‘Wat betekent deze herdenking voor u?’ Vervolgens kan via een scherm de Nationale Herdenking op tv worden gevolgd in de kerk. Aansluitend is er een zang- en pianoconcert door Duo Merpati.

Museum Sophiahof
Ook Museum Sophiahof, het Indisch Herinneringscentrum in Den Haag, houdt in samenwerking met Stichting Pelita een besloten middag, met hier als thema ‘De oorlog dichtbij’. Daarnaast is het museum open voor publiek en staat die dag voor elke bezoeker een kop koffie met spekkoek klaar. Ook is de live tv-uitzending van de herdenking daar live te bekijken. Verder is er gelegenheid om bloemen te leggen bij het minimonument op het eigen terrein van het museum.

“Als Herinneringscentrum zijn we het hele jaar door gericht op de 15e augustus,” zegt directeur Yvonne van Genugten. “Maar met de datum in zicht merken we het altijd goed. Er worden dan veel ‘melati’s’, herdenkingssymbolen, verkocht en besteld. Ook het museumbezoek neemt dan toe.” Het is goed dat er afzonderlijk van de Dodenherdenking op 4 mei  wordt stilgestaan bij 15 augustus, zegt ze. “Het leeft enorm.”

Zomergast
Ten slotte is zondagavond de Haagse schrijver Alfred Birney de Zomergast bij de VPRO. “Als romancier hoop ik dat de fragmenten van mijn Zomergastenavond op de een of andere manier een multicultureel verhaal vertellen,” laat Birney weten. Hij is vooral bekend van de grotendeels autobiografische en bekroonde roman ‘De tolk van Java’. “Televisie als caleidoscopisch boek, om zo te zeggen. Mijn commentaren hangen af van het moment, het toeval, en dat kan spannend zijn, voor zowel mezelf als de kijker. Zo ben ik deel van de onvoorspelbaarheid, zoals het hele leven is.”

Den Haag: Weduwe van Indië
Meer dan 100.000 Nederlanders en Indische Nederlanders verkasten met name in de jaren vijftig uit het toen net onafhankelijk geworden Indonesië naar Nederland. Al geruime was de stad Den Haag nauw verbonden met het voormalige Nederlands-Indië doordat duizenden koloniale ambtenaren en andere ‘Indischgasten’ hier hun verlof doorbrachten. Ook voor ‘pensionado’s’ was Den Haag altijd een favoriete vestigingsplaats. De Hofstad wordt daarom vaak ‘Weduwe van Indië’ genoemd.

Meer informatie: https://www.4en5mei.nl/nieuws/nationale-herdenking-15-augustus-1945

Vermaak op afstand

De Parade zuchtend van opluchting de zomer in

Rondreizend theaterfestival heeft zich bijkans opnieuw uitgevonden. Dezer dagen is het neergestreken in het Westbroekpark. Verslaggever Eric Korsten schoof aan voor een voorproefje.

Op de plek waar de provisorische fietsenparkeerplaats was en is opgetrokken, nabij de brug aan de Cremerweg, is nu een als het ware kant-en-klaar schilderijtje opgekomen: een wuivend, roodbloeiend klaprozenveldje. Het ronde perkje dat daar in zijn eigen eenvoud en onschuld prijkt van romantiek is veiligheidshalve omheind met, nu nog blankhouten, paaltjes: het is een reservaat en dat moet beschermd worden.

Op microniveau illustreert het ook de gedaanteverandering die het rondreizende theatercircus De Parade het voorbije anderhalf jaar heeft ondergaan. Of beter: heeft moeten ondergaan.

Een terugkeer naar een uitbundige huidhonger laat op in het Westbroekpark nog even op zich wachten, want op het tijdelijke evenemententerrein wordt de stelregel van anderhalve meter onderlinge afstand tussen bezoekers gehanteerd: àlles voor een avondje uit op z’n veiligst. Je mág er rondlopen, maar omdat weinigen dat doen voel je je bekeken als je dat toch zou willen doen.

Bij binnenkomst oogt het terrein vertrouwd met de traditioneel voor de helft opengewerkte tenten, zoals De Reizende Schouwburg, Studio 7 en Hotel Vilé en, als culinair zenuwcentrum, het keukenkerkje van La Cantina. De antieke zweefmolen mag je pas na afloop van de voorstellingen in. Toch is het kermisveld in vergelijking met de laatste volwaardige editie (2019) met de helft gekrompen. In de afgeslankte versie staan minder tenten, onder meer Zaal 4, de extensie van Zaal 3 van Het Nationale Theater, is er deze editie niet bij.

Op een houten klapstoeltje en dito cafétafeltje zit de bezoeker tot aan het einde van het programma gekluisterd, waar je vroeger flanerend nog altijd wel wat bekenden tegen het lijf liep.

Maar ter verwelkoming en ophoging van de feestvreugde ligt daar wel alvast een verse Italiaanse bol geurend te pronken naast een kruidig botertje. Middels een ‘bestelapp’ op de telefoon te gebruiken kun je een keuze maken uit de drankenkaart. Zonderling is het aanzicht van af- en aanlopende geranten, obers en oberinnen die de verkozen drankjes in robuuste, stalen emmers aan de man brengen. Net als, later, de optocht die in een lange rij vanuit La Cantina het bidfood komt opdienen.

Ook de programmaformule van De Parade is onder handen genomen. Twee voorstellingen moeten online, vooraf, zijn geboekt. Ze spelen zich af in dezelfde tent. ‘Hoppen’ is er niet bij. Daarmee wordt de keuzestress van toen verplaatst naar de voorpret van de zitbank thuis. Je kunt kiezen tussen een ‘diner-programma’ dat om 17.00 uur begint, en voor ‘laatbloeiers’ is er het ‘late night’-programma (21.00 uur). De twee voorstellingen worden doorsneden door een diner, de beursvriendelijk bedoelde avondvariant biedt late-avondhapjes.

Als, na een poosje, de eerste voorstelling van start gaat, in dit geval die van stand-up philosopher en acteur Laura van Dolron, neemt ze, zoals alleen zij dat kan, haar gehoor (vooral grijzige bollen) mee naar enkele wondere en kwetsbare podiumervaringen die ze in het verleden had. Ze vertelt in haar drie kwartier durende eenvrouwsvoorstelling over bezoekers die haar onder werktijd hebben weten te inspireren.

‘Ik hou niet van theater,’ zo houdt ze het publiek voor, ‘maar van mensen die van theater houden.’ Gedurfde kwetsbaarheid in de toch doorgaans druistige atmosfeer van De Parade. Met een geconcentreerde luisteroefening naar ‘vallende stilte’ sluit ze haar sessie af.

De opmaat naar de tweede voorstelling bestaat uit canelloni gevuld met geroosterde aubergine en afgeblust met wilde spinazie, overgoten met gerookte mozzarella, Napolitaanse saus, parmezaan, pijnboompitten en een sliertje rucola. Een en ander is afkomstig uit de keuken van chef-kok Merijn van Berlo.

Het programma neemt met ‘KØT’ van mimegroep De Leedbewakers een luchtiger wending. Zodra op het kleine podium een grenswachterhuisje is ontsluierd, ontspint zich een tragikomische voorstelling. Drie robuuste grenswachters blijken daar, aan de rand van de wereld, te werken. In een vrijwel woordeloos en feest van absurdistische Tati-achtige slapstick laten deze Leedbewakers (Maurits van den Berg, Lisa Groothof en Steyn de Leeuwe) geregeld het buikje van bezoekers schudden van het lachen.

Als ten slotte het toetje (cheesecake met aardbeien en compote van rood fruit) is verorberd, zit het avondje Parade erop. Je kunt dan nog wel naar de zweefmolen. Het doet aan alsof je hebt mogen proeven van wat De Parade ooit was; aan de nieuwe opzet hield ik een enigszins zoetzure smaak over, als een afdronk waaraan het bouquet ontbreekt, de integere inspanningen van organisatoren en makers ten spijt. Misschien dat zodra de voorstellingen wél zijn volgeboekt de sfeer vanzelf meegroeit. Tip: neem iemand met je mee, anders zit je je soms wel lang in je eentje te amuseren.

De Parade, Westbroekpark 17.00 / 21.00 uur, tot en met zondag 18 juli 2021. Meer informatie: https://deparade.nl

De Parade komt naar je toe deze zomer

De Parade roert wederom de trom en dat doet het bijna als vanouds. Theater, muziek én circus worden nu geserveerd in keuzepakketten. En testen? Dat hoeft niet.

Al voor de 30e keer maakt het festival ‘parade’, zoals dat heet, door het ganse land. In Den Haag is het Westbroekpark wederom de ‘place to be’. Het gaat dit jaar wel een tikkeltje anders toe dan de afgelopen 30 jaar. Zo is het programma per dag opgeknipt in twee totaalpakketten van theater plus tafelen, een ‘diner’-variant om 17.00 uur en voor de laatbloeiers een ‘late night’-variant om 21.00 uur.

“Toen we vorig jaar te horen kregen dat De Parade niet door kon gaan, hielden we onder de noemer ‘De Parade gaat door’ een mini-Paradetje, bij Zaal 3 in Den Haag,” vertelt Nicole van Vessum, artistiek directeur van het festival. “Dat blijkt achteraf de basis voor de formule van dit jaar, alleen is het met vier tenten allemaal wat omvangrijker dan toen.”

En dus kun je dit jaar kiezen tussen een bezoek in de late middag slash vooravond (vanaf 17.00 uur), of juist later op de avond (vanaf 21.00 uur). Je ziet steeds twee voorgeselecteerde voorstellingen en daartussenin wordt een driegangendiner geserveerd of, bij de ‘late Night- editie’, een uitgebreide borrelgarnituur.

Mocht je op een avondvullende belevenis uit zijn, dan kun je twee pakketten op een en dezelfde dag kiezen.

Van Vessum treedt de veranderingen positief tegemoet. “Het is allemaal wat anders dan normaal – maar als bezoeker doe je eigenlijk alles wat je anders ook doet op De Parade. Alle ingrediënten zijn er.”

Luxe, noemt Van Vessum de aanpak. “Een verwenpakket eigenlijk. Voorstellingen, drank en spijzen komen naar je toe. Je wordt helemaal bediend. Iedere bezoeker heeft straks een vaste plaats in een van de tenten.” Blijven hangen mag. “Je kunt na afloop naar een terras,” lacht ze, “waar ook onze zweefmolen staat.”

Het culinaire ‘bidfood’ komt uit de keuken van chef-kok Merijn van Berlo, bekend van Paraderestaurant La Cantine. Menu’s verschillen per theatertent en in de avond zijn ook snacks te bestellen. Er wordt gewerkt met bio-industrie vrije producten. Vlees en gevogelte komt van binnen Europa en vis moet voldoen aan bio-normen. Alles wat geserveerd wordt is duurzaam gekweekt en bereid.

De aandacht voor het inwendige van de mens is gekoppeld aan weldaad voor de geest. “We zijn natuurlijk allereerst op aarde voor theater,” lacht Van Vessum. “Op het programma staan, net als in het verleden, vertrouwde gezichten zoals ander anderen Dick van den Toorn, Kees & Eddie en Ellen ten Damme, naast de jonge(re) gezichten van bijvoorbeeld Tarik Moree en Annica Muller. Daarbij hebben we geprobeerd te programmeren voor iedere portemonnee. Groot en klein naast elkaar.”

Hoogtepunten in Den Haag zijn, wat haar betreft, een nieuw programma van de Poezieboys rond Fritzi, volgens de site een gulle en talentvolle vrouw die prachtig kon schrijven en tekenen, die van kleine weerloze diertjes hield, grassprietbrieven schreef en walnoten beschilderde.

Van Vessum: “Poëzie toegankelijk maken voor jong en oud, in tijden van ontlezing,” prijst ze het Haagse duo. De Poezieboys zijn gekoppeld aan ISH, dat vier hiphopdansers laat bewegen op strakke beats van deejay Irie. Haar eigen keuze gaat ook uit naar de burleske voorstelling ‘Eins Zwei Schweinerei’ van Het Zuidelijk Toneel, waarin vijf acteurs een klas leerlingen, hun ouders en het lerarenkorps spelen. Voor de vertaling tekende Elsie de Brauw, die zelf ook meespeelt.

“Toon Lobach van Nederlands Dans Theater II staat bij ons met De Nachtdieren te dansen in ‘Lost Love Prologue’, en ik ben trots op Frank en René Groothof die ‘Circus Charms’ voor ons maken, met het live-orkest Seasession. Maar ook voor de originele stand-up philosophy van Laura van Dolron en Lucky Fonz III kom ik graag naar De Parade.”

Terugkijkend is ze verheugd dat het nu allemaal weer een beetje kán. “Omdat we niet gesubsidieerd zijn, was overleven best moeilijk. Gelukkig zijn gemeenten bijgesprongen, ook Den Haag. Daardoor hebben we bijvoorbeeld onze zzp’ ers  deels kunnen doorbetalen.”

Ze is trots op het feit dat ze de artiesten per optreden een vaststaand bedrag kan uitbetalen, ongeacht de kaartverkoop. “Voorheen was het aantal verkochte kaarten de bron van inkomsten voor een groep. Minder kaartjes was altijd minder inkomsten. Ik ben blij dat we ze zo, op onze manier, kunnen ondersteunen.”

De Parade, Westbroekpark, vrijdag 2 t/m zondag 18 juli 2021, 17.30 / 21.00 uur. Meer informatie: www.deparade.nl

De roes van een feest

Nieuw theaterinitiatief brengt ‘trip’ door PAARD

Met Girls in Woods begonnen Nina Sondagh en Marjet Moorman hun eigen onderneming. Hun eersteling heet ‘The Afterparty’. Moorman: “Het uitgaansleven komt weer tot leven. Extra leuk dat wij dat mede kunnen aanzwengelen.”

Met de vorige week ingezette sprintgang terug naar ‘normaal’ en de deuren van uitgaansclubs die weer wagenwijd open zijn gegooid, lijkt het alweer eeuwen geleden dat eenieder van ons op puur de eigen belevingswereld werd teruggeworpen. De ketenen van mondkap en corona schudden we (tijdelijk?, tegen beter weten in?) van ons af. Daardoor komt de ‘ervaring’ van ‘The Afterparty’ door het nieuwe tweevrouws-initiatief Girls in Woods in het PAARD, daar waar de geur van verschraald bier altijd overduidelijk rechtop in de lucht staat, wellicht precies op tijd.

‘The Afterparty’ is een audiowandeling, legt Sondagh uit. “Je gaat een avondje uit stappen – maar dan in je eentje.” Moorman, aanhakend: “Je begint met een plek in de rij. Op je eigen smartphone en met koptelefoon op of oortjes in krijg je daarna van ons een soundscape bij de ingang mee. Een stem leidt je dan in een kleine drie kwartier langs hoeken en gaten van het gebouw. Daar spelen zich allerlei door ons geënsceneerde taferelen en ontmoetingen af.”

“Je gaat dus alleen op pad,” herhaalt Sondagh. “Dat heeft een vervreemdende uitwerking op deelnemers: een avondje stappen op de plek die je als je broekzak kent, maar dan zónder de gebruikelijke zee van mensen om hen heen.”

Moorman: “En wat doet dat gegeven met je? Daar gaat ‘The Afterparty’ over.” Wat Girls in Woods betreft levert het een andere blik op het fenomeen ‘feesten’ op. “Eigenlijk is de club de hoofdrolspeler,” vervolgt Sondagh.

Met Girls in Woods wil het duo het kunstenlandschap van Den Haag opschudden. De twee studeerden af aan de toneelacademie Maastricht, Sondagh in 2014 en Moorman in 2010. Ook deden ze gezamenlijk projecten bij onder meer theater De Nieuwe Regentes en theaterschool Rabarber in de stad. Ze werken als schrijver, theatermaker en docent. Sondagh is daarnaast afgestudeerd als fotograaf.

Ze kwamen op het idee voor dit project toen ze vorig jaar onder ‘corona’ bij De Nieuwe Regentes de audiotour ‘Nabeelden’ maakten, over de toen naargeestige toekomst(loosheid) van het theater. “We waren tevreden over die vorm, en wilden zoiets graag nog een keer doen, maar dan voor en met jongeren, en ook minder dystopisch van toonaard,” legt Moorman uit.

Het duo heeft meteen maar de koe bij de horens gevat en de vleugels uitgeslagen door geheel onder eigen vlag te gaan werken. “Dat biedt de beste garantie op artistieke vrijheid,” weet Moorman. Het tweetal mikt, ook voor toekomstige projecten, op jongeren en jongvolwassenen, “vanaf 12+”, zegt Sondagh, “al is dit eerste project van ons vooral bedoeld voor 16 tot 27-jarigen’.

De Girls gaan voor hun toekomstige producties vooral thematisch te werk. “Wij geloven in jongeren, als mens en als makers. Daarom dagen we ze uit om een thema aan te dragen en nodigen ze uit om dat samen met ons te onderzoeken.” Deze jonge onderzoekers-in spe kunnen wat haar betreft ‘overal’ vandaan komen. “Uit eerdere projecten die we samen deden blijkt het voeren van gesprekken steeds een vruchtbaar uitgangspunt.”

Naast producties voor en met jongeren maakt Girls in Woods ook projecten met professionele acteurs. De thema’s kunnen uiteenlopende invullingen krijgen, van podcast tot fotoserie of theatertekst. Ook rond ‘The Afterparty’ is er een podcast gemaakt met uitgaan als herkenbaar thema. “Ook voor onszelf, zoals de voorpret die soms groter is dan de live ervaring, over opgaan in de massa en je dan opeens toch helemaal alleen voelen. Of dat je niet wil dat de nacht afloopt.”

Voor hun audiowandeling kunnen ze ook rijkelijk uit eigen ervaringen putten: clubtijgers waren zijzelf ook ooit. Sondagh, lachend: “Maar voor mezelf spreek ik dan over een x-aantal jaren terug. Voor het onderzoek bij dit project kwam ik nog een foto tegen uit 2006.”

Ze hebben Girls in Woods ook opgericht om ‘meer herkenbare personages, afkomstig uit het dagelijkse leven, aan een jong publiek voor te kunnen schotelen’. Daarnaast beogen ze meer aandacht voor het vaak nog ondermaats belichte vrouwelijke perspectief in kunst en theater(fotografie).

Sondagh vult aan: “Daar komt bij dat het theaterlandschap van Den Haag de laatste jaren kaler geworden. Voor makers in de ‘mid-career’ is hier buiten Het Nationale Theater en Firma MES geen duidelijk platform. Dus is er in de stad ruimte voor ons. Er ligt een gat, ook al omdat Alba Theaterhuis en bijvoorbeeld Toneelgroep De Appel inde loop der jaren van de toneelvloer verdwenen zijn.”

Girls in Woods, ‘The Afterparty’, donderdag 8, donderdag 9 en zondag 11 juli 2021, 19.00-22.00 uur (tijdslots), in PAARD. Meer informatie: www.girlsinwoods.nl  

‘Het boek is onverwoestbaar’

Groep Hagenaars in touw voor behoud Antiquariaat Colette

De tweedehands boekhandel als veredeld buurthuis. Buurtgenoten willen antiquariaat Colette nieuw leven inblazen.

Door Eric Korsten

Met Antiquariaat Colette dreef eigenaar Jogchum de Vries in veler ogen het charmantste boekwinkeltje van Den Haag. Daar, op nummer 45 van de Reinkenstraat, kwam je bij binnenkomst in Pisa-achtig hoge stapels opgetast een waanzinnige zee aan tweedehands boeken tegemoet. In zijn romantische doolhof annex magazijn viste hij zonder blikken of blozen bij slechts het noemen van titel, naam of onderwerp het gewenste boek in een oogwenk te voorschijn. Bergen, letterlijk bergen aan boeken.

Voor Jean-Pierre Geelen, (on)regelmatig bezoeker en afnemer bij de nering, was ‘Colette’ steevast een ommetje waard. “Altijd leuk om er te neuzen in die Babylonische stapels.” Op een dag viel zijn etalage weer eens in het oog. “Hij speelde altijd al in op de actualiteit. Maar meteen na de terroristische aanslag op de redactie van het satirische weekblad Charlie Hebdo in 2015, had hij de etalage vol liggen met exemplaren van het blad. Kennelijk had hij nog wat edities op een stapel liggen. Ik vond dat gewaagd, moedig in de hoogtijdagen van het terrorisme en van de vermeende Sharia-driehoek die er in Den Haag zou zijn. Opvallend ook dát hij een voorraad Charlie Hebdo had liggen. Sindsdien loop ik daar altijd langs,” zegt Volkskrant-journalist Geelen.

Op een van zijn recente stadse wandelingen trof hij op de etalageruit het opschrift ‘Overname gevraagd’ aan. Eigenaar De Vries werd 80 – dat verklaarde zijn wens tot overname. Geelen plaatste een Tweet over de helaasheid der dingen en onvermoed ontketende hij daarmee een golf aan reacties. In een mum van tijd kwam daarna een groep belangstellenden bijeen die zich de teloorgang van ‘Colette’ aantrok. “Stomtoevallig bleken het geestverwanten,” zegt Geelen, “allen werkzaam in de media en bovendien woonachtig in Den Haag: Kim Heijdenrijk, Edwin Koopman, Constantijn Roelofs, Marionne Maan, Istvan Kops en Linda Vermeulen. Een reddingsplan zonder winstoogmerk werd opgesteld, een vereniging opgericht, een bestuur samengesteld – en de taken voorlopig verdeeld.

Er is een startkapitaaltje benodigd van 20.000 euro voor overnemen van inboedel, vooruitbetaling van wat maandjes huur, het wegwerken van achterstallig onderhoud en een inwendige opfrisbeurt van het pand. Via website http://www.voordekunst.nl is een inzamelingsactie gestart om droom in daad te veranderen. Uit eigen zak is alvast een bodempje gelegd. Geelen hoopt boekenliefhebbers maar ook mensen uit de buurt in het plan mee te trekken door er een culturele buurtfunctie aan te verbinden ‘met interviews met schrijvers, voordrachten, optredens van singer-songwriters en het serveren van koffie en thee,’ legt hij uit. ‘Het moet een inlooppunt worden.’

Dan is het wel hoofdzaak eerst met een grofgebekte stofkam door de huidige collectie te gaan. Sisyphusarbeid. “Op de begane grond, de kelder en zelfs in de tuin onder een balkonnetje liggen, naar schatting, zo’n 50.000 boeken. Als we er, zeg 30.000 overhouden, dan schept dat hopelijk de nodige bewegingsruimte.” Daarna moet de collectie nog op online worden gezet.

Geelen ontwaart in het overnameplan niets minder dan een landelijke trend. “In Amsterdam hebben buurtbewoners een coöperatie opgericht om een bestaande boekhandel in het stadsbeeld te houden, net als in het Betuwse dorp Bemmel, en in het Overijssels Lettele zijn bewoners hun eigen buurtsuper begonnen.” Hij plaatst het als beweging ‘tegen privatisering, grootkapitaal en grootwinkelbedrijven die steden en dorpen volgooien met alweer een AH to go of Etos.’

Zuchtjes van lichte tegenwind, zoals online lezen en ander (online) vrijetijdsvermaak, kunnen nog roet in het eten gooien. Hij weet er alles van. Bij een verhuizing zo’n jaar of vier geleden besloot hij een deel van zijn boeken weg te doen, uit een oogpunt van ruimtebesparing. “Van een antiquair kreeg ik welgeteld een tientjes voor twee nog ongeopende dozen, waarvan de boeken vervolgens wél tegen 10 euro per stuk in zijn etalage belandden.” De andere dozen zeulde hij uit arren moede naar de nabije Kringloopwinkel. ‘Daar mocht je maximaal twee dozen achterlaten, werd me gezegd.’

Toch heeft hij geloof in het welslagen. “De boekenmarkt op het Lange Voorhout is nog altijd druk bezocht. In Amsterdam en Rotterdam is er weer een De Slegte! Ik geloof echt dat je met het boek mensen kunt overhalen een boekhandel binnen in te laten stappen. Het boek is onverwoestbaar. De minibiebjes her en daar aan gevels zijn een teken aan de wand.

Meer informatie: www. collette.red

‘Alsof je zelf aan het schilderen bent’

Serie Den Haag Centraal: Juwelen

Christiaan Weijts over Vermeer

Wat is het allermooiste? Haagse kunstenaars delen wat hun dierbaar is. Deze week: schrijver en essayist Christiaan Weijts over Vermeers ‘Gezicht op Delft’: “Je zit op de plek van de kunstenaar.”

“Het mooiste in Den Haag?”, grinnikt schrijver, essayist en NRC-columnist Christiaan Weijts retorisch. “Kom ik aan met iets uit Delft!” Maar, zo rechtvaardigt Weijts, die vanuit de Hofstad met Leidse wortels woont en werkt, “in het echt is dit bijna vierkante schilderij zó realistisch! Je zit onmiddellijk in de sfeer.”

Vooral, maar niet alleen, treft hem het spel van licht en donker:  “Je staat op de kade, in de schaduw, de zon is net achter de wolken geschoven – of komt er zo meteen aan, heel Hollands. Je voelt hoe het is om daar te staan, staat er als het ware zelf bij op de plek van de kunstenaar, alsof je zelf aan het schilderen bent. Tijdreizen. Een soort ‘virtual reality’.”

Het precieze tijdstip is vorig jaar door astronomen vastgesteld: 3 september 1659, 8 uur. Maar kunstkringen twijfelen. In oktober, toen het weer kon, is hij meteen weer naar het Mauritshuis gegaan. Hij heeft toen ‘Alleen met Vermeer – het mooiste schilderij ter wereld’ bezocht. “Je mocht tien minuten alleen zijn met het schilderij. In een donkere, kleine ruimte mocht je ervaren wat het met je doet.”

Op de juiste manier belicht geeft het schilderij zélf licht af, ‘als een dia springt het lumineus op je af, als pixels op een beeldscherm’. Neem die bootjes, ‘je denkt lichtjes, maar het zijn stipjes.’ Doet hem aan Vermeers ‘Brieflezende vrouw in het blauw’  denken en aan diens ‘Meisje met de parel’. “Die ‘parel?” Dat is een subtiel wit verfstreepje.” Vermeer bouwde , uiteraard,zijn compositie zorgvuldig op. “Het is daardoor delicaat en harmonieus, en straalt totale rust uit. Het is de sereniteit die het mooi maakt. Dat je dit met schilderen kunt doen.”

Met zoonlief heeft hij de ‘plaats delict’ bezocht. “We deden een GPS-speurtocht die langs plekjes voerde die met Vermeer in verband staan. Vanuit de Hooikade kun je dan zien dat hij de torentjes wat verschoven heeft. Om de compositie beter te maken.”

Weijts vergelijkt ‘Gezicht op Delft’ met wat Vermeer (1632-1675) in technische zin heeft gedaan in onder meer ‘Het melkmeisje’. “Hij schilderde handelingen bedachtzaam: de melk die wordt uitgeschonken heeft hij compleet tot stilstand gebracht. Gevangen, gestolde beweging. Die techniek gebruikt hij ook voor de waterpartij van ‘Gezicht op Delft’.”

Zijn lievelingswerk heeft ook iets weg van een natuurkundige studie. “Hij was bevriend met mede-Delftenaar Antonie van Leeuwenhoek,” verklaart Weijts, “de uitvinder van de microscoop. Van hem kwam de suggestie de camera obscura te gebruiken.” Maar met het water heeft hij toch allereerst een esthetische bedoeling, meent Weijts. “Wetenschap en kunst sloten elkaar toen niet uit. Die twee zijn we pas later van elkaar gaan scheiden.”

Thuisgezeten, turend op zijn laptop, tovert hij Vermeers topstuk tevoorschijn, op megapixelformaat. Dichterbij dan iedere denkbare penseelstreek. “Pixels zijn aardig, maar toch mis je wat.”

Tien minuten in je eentje, is dat dan de perfecte ambiance? “Beter dan op zaal, vol iPads en ‘selfie sticks’ om je heen. Maar op een beeldscherm is tien minuten turen lang hoor. Dan grijp je al snel naar het toetsenbord. Een ware Zen-oefening. Nee, het gaat erom de kijker in de juiste situatie te brengen voor de confrontatie. De situatie dwingt daarna de juiste houding af. Ken je het voorbeeld van Joshua Bell? De topviolist en dirigent speelde live op zijn unieke Gibson Stradivarius, op Central Station New York. Iedereen liep eraan voorbij…”

Vermeer is bekend van mensen en interieurs. “Dit is een exterieur, maar ademt een interieur.” Wanneer hij het schilderwerk voor het eerst heeft gezien, weet hij niet meer precies. “Ik denk toen ik met mijn ouders was. Als bewoner van Leiden ging je steevast naar Den Haag.” Wat hij wel weet: “Ik was onmiddellijk getroffen.” Tegenwoordig heeft hij een Museumkaart. “Dan loop je er gewoon binnen. Wist je dat er ontspiegeld glas voor het schilderij zit! Dat heb ik nooit gemerkt! Het schilderij gaat al een tijdje mee, maar je ziet toch steeds weer iets nieuws, als een muziekstuk waar je opnieuw naar luistert.” Op de voorgrond is fysiek zand verwerkt. “Bijna zoals bij Van Gogh, die schilderde zeegezichten aan het strand. Maar Vermeer heeft niet aan zee gestaan voor dit schilderij.

Print, thuis aan de muur? “Daar ben ik niet tegen, maar dan wel op 3D, dan kun je eraan zitten… zoals die dief Okkie met ‘Lentetuin te Nuenen’ van Van Gogh deed.”

Als schrijver en essayist moet hij ook steeds denken aan Marcel Proust. “In een brief noemde hij ‘Gezicht op Delft’ ‘het mooiste schilderij ter wereld’. Toen hij een tentoonstelling van Nederlandse schilderkunst in Parijs bezocht, werd Proust voor ‘Gezicht op Delft’ onwel. Dit gegeven verwerkte de schrijver in zijn grote roman ‘À la recherche du temps perdu’. Het personage Bergotte valt dood neer bij het zien van het gele muurtje op Vermeers stadsgezicht.

‘Zo had ik moeten schrijven’, laat hij de stervende zeggen. ‘Elke zin had moeten zijn als dat gele stukje muur.’”

Credits
‘Gezicht op Delft’ van Johannes Vermeer is onder meer te zien op website http://www.mauritshuis.nl. Kijk bij: Verdiep.

Weijts
Romancier, essayist en columnist Christiaan Weijts (Leiden, 1976) publiceerde recentelijk onder meer het essay ‘Aanraken a.u.b. / Please Touch’ en de romans ‘Het valse seizoen’ en ‘Furore’. Hij is onderscheiden met de Anton Wachterprijs 2006, het Gouden Ezelsoor 2008, de Gerard Walschapprijs 2010 en de BNG Bank Literatuurprijs 2012. Meer informatie: https://christiaanweijts.nl .

‘Ieder jaar heeft Dodenherdenking meer vat op mij’

Oorlogsjaren van kinderen centraal in ‘De Laatste Getuigen’

In De Laatste Getuigen komen steeds ooggetuigenverslagen aan bod. Het Nationale Theater maakt er, ook onder corona, een memorabele aangelegenheid van. “Zij vinden het zelf vaak gewone verhalen.”

Een brok in de keel. Dat was wel het minste dat je je spontaan overkwam als De Laatste Getuigen bijwoonde. Het documentaire project van het Nationale Toneel / Het Nationale Theater (HNT) haalde al zes keer op rij – en de zevende is in aantocht – mensen van vlees en bloed op het toneel die de Tweede Wereldoorlog aan den lijve had ondervonden, en plaatste dat vaak pal naast jong acteertalent van het Haagse toneelgezelschap.

Verleden jaar draaide het rond 75 jaar vrijheid. Hagenaars vertelden wat hen overkwam en bleken hun herinneringen aan armoe en honger, angst, geweld of eenzaamheid zeker niet verdwenen toen de bezetting eenmaal voorbij was.

Dit jaar is gezocht naar hoe het was om kind te zijn geweest in de oorlog, met als ondertitel: ‘Je vergeet het nooit’. De laatste getuigen zijn in dit geval: John Spanjaard, Martin de Vos, Arie Molenkamp, Gerrit Sonnenberg, Francesca Pattipilohy, Coby Kooi en Hetty van den Broeke.

Bij HNT is Erna van den Berg (1960) van den beginne verantwoordelijk voor de invulling van ‘De Laatste Getuigen’. “We bekijken elk jaar opnieuw het onderwerp,” zegt ze. Bij het thema van verleden jaar ‘75 jaar vrijheid’ zijn we op zoek gegaan naar verhalen, naar mensen op wie de impact zo is geweest dat je die de rest van je leven met je meedraagt.”

De getuigen van deze editie vertellen over hun kinderjaren. Als je zoekt naar mensen die kind in de oorlog waren, dan is dat anders dan zoeken naar mensen met een traumatische ervaring. “Zij vinden het zelf vaak gewone verhalen, beschouwen het niet meer dan kleine drama’s. Zo van: toen was het gewoon zo. Ze zien het zelf als huis-, tuin- en keukenverhalen over het alledaagse ploeteren. Maar die verhalen zijn juist bijzonder. Onze aanpak was zoeken naar de gewone man.”

Gaandeweg is de invulling van ‘De Laatste Getuigen’ trouwens moeilijker geworden, vertelt ze. Reden? “Er zijn steeds minder volwassenen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt.” Maar ook corona is ook dit jaar een lastpost gebleken. “Voor de interviews die ik met de mensen houd, waren we het gewend om een verzorgings- of bejaardenhuis binnen te stappen. Dat was dit en vorig jaar natuurlijk heel anders.”

Ze trekt een parallel. “Ieder jaar heeft de Dodenherdenking meer vat op mij. En besef ik dat je nooit van tevoren kunt weten wat je in bepaalde situaties zult doen. Je mening, je actie kan van het ene moment in het andere omslaan, dat zie je ook gebeuren in deze ‘coronatijd.”

Vorig jaar werd De Laatste Getuigen uitgezonden bij Omroep West, en ook dit jaar is de regionale omroep van de partij. De uitwerking op video verschilt van een live confrontatie in de theaterzaal.

“Het is aangrijpend om te zien hoe een jonge acteur en een oudere man of vrouw samen het verhaal bouwen, al vinden sommige getuigen het weleens lastig om hun verhaal uit handen te geven. Het publiek ziet die wisselwerking. Op video komt dat allemaal helaas minder tot uitdrukking. Ik hoop dat we weer gauw de theaterzaal in mogen.”

Theater Na de Dam
De Laatste Getuigen maakt deel uit van de manifestatie Theater Na de Dam, jaarlijks op de avond van de Nationale Dodenherdenking op 4 mei. Theaters in Nederland voeren gelijktijdig theatervoorstellingen op die inhoudelijk betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog. Het alternatieve programma van dit jaar kent een uitzending op NPO1, podcasts, (korte) films, hoorspelen en registraties die thuis te bekijken en beluisteren zijn.

Het Nationale Theater i.s.m. Omroep West, De Laatste Getuigen – Je vergeet het nooit. Kind in de oorlog, zondag 2 mei vanaf 18.25 uur en maandag 3 mei 2021 op Omroep West. De documentaire wordt ieder uur herhaald.

Het zoet en zuur van de kust

Martin Hendriksma schreef ‘Aan zee. Een kroniek van de kust’

Een onder invloed van stroming en getij voortdurend veranderende rafelrand, zo werd de kuststreek in vroeger tijden gezien. In het boek ‘Aan zee. Een kroniek van de kust’ trekt Den Haag veelvuldig voorbij, net als Scheveningen.

Deskundologen, gezagsbekleders en beleidsmakers zijn het allang eens: deltagebied Randstad valt uiteindelijk met droge voeten noch droge ogen te handhaven. Tegen de gelijktijdig oprukkende zeespiegelstijging en binnendijkse bodemdaling valt straks waterstaatkundig economisch niet rendabel op te dijken – en zulks al na een decennium of wat vanaf nu. Na een gevecht van (l)eeuwen wordt het veroverde zeeland weer een land van zee.

Deze dystopie is evenwel niet aangesneden in de kroniek van de kust die schrijver en journalist Martin Hendriksma op schrift stelde. Wél wordt beschreven hoe tot ver in de negentiende eeuw het strand voor de Nederlander voornamelijk een onheilsplek was. Een oord waar je vanwege stormvloed en overstroming beter niet kunt zijn. Hendriksma brengt als ijkpunt de stormvloed van november 1170 in herinnering, toen de zee tussen Den Helder en Texel doorstootte – en daarmee aanzet gaf tot het latere IJsselmeer. ‘Tot in de stad Utrecht werd er ooit op kabeljauw gevangen.’

Het strand was een plek waar niemand in Nederland zich raad mee wist. ‘Aan de kust lijk je overgeleverd aan de luim van de goden. Nergens wordt zo hartstochtelijk gebeden, nergens zitten de kerken zo vol als hier’, schrijft Hendriksma. ‘Het razende water waaraan Noach met zijn ark ternauwernood wist te ontsnappen, bleef nadien fungeren als de gesel van God. De mens wordt er gestraft voor zijn eigen zonden.’ Geen kustbewoner, geen bestuur wist raad met de kustlijn. En van wie was het strand eigenlijk?

In zijn kroniek volgt Hendriksma (o.a. ‘De Rijn’, ‘Lutine’, ‘Hunkering’) de vaderlandse kustlijn, van Cadzand tot Rottumeroog, vrijwel iedere streek en kustplaats trekt aan zijn scherpe maar vloeiende pennetje voorbij. Hij heeft daarbij veel aandacht ingeruimd voor Den Haag en Scheveningen.

Zo kijkt hij in het hoofdstuk ‘Een allee naar zee’ terug op de omvorming van achtenveertighonderd stappen tot Scheveningseweg in 1663, een eureka-moment van Constantijn Huygens. Allereerst met het oog op het tot stand brengen van een militaire snelweg.

Omgekeerd vonden Scheveninger vissers in de ‘kilometerslange kier door het Haagse duin’ een bereikbare en makkelijk begaanbare toegangspoort tot hun afzetgebied, waar ze voordien alleen dankzij klompentred en karrenspoor een zompige route vol geboefte hadden. Achteraf is het voor Scheveningen de dijkdoorbraak geweest als toerismemagneet, van kuuroord tot mondaine glamourbadplaats, eerst voor de happy few en later ook en vooral voor het voetvolk.

Ook die afzonderlijke stappen worden door Hendriksma beschreven. In de hoofdstukken ‘De ontdekking van de zee’ en ‘Snuivend als een poedelhond’ worden die tastbaar, met in 1818 badhuis Pronk als eerste van dien aard dat in Nederland verrees. Een likeurglaasje zeewater werd toentertijd heilzaam geacht. Een Haagse commissie concludeerde dat baden in zeewater ‘de kragten van lichaam en geest’ verhoogt, mits onder nauwkeurig geneeskundig toezicht’.

Meer nog: zeewater zou als een soort Haarlemmerolie de eetlust opwekken, de luchtwegen schonen en ook nog eens helpen tegen ‘zenuwziekten, zenuwtrekkingen, kramptrekkingen, zwellingen en allerleij langdurige en hardnekkige huidziekten’. Toeristenstromen kwamen op gang en vanaf dan geldt de kust niet langer als eeuwige onheilsplek waar onpeilbare watermassa’s samenspannen tegen een fragiel vlechtwerk van duin en dijk. Nadat het prestigieuze Grand Hôtel des Bains, later: Kurhaus, van gemeentewege was verrezen, bleek het gedaan met het goedlopende badhuis van Pronk, die in ruil wel riant werd uitgekocht.

Een hoofdstuk verder komt de betonkraag van de Atlantikwall ter sprake. Hendriksma’s kroniek eindigt ten slotte in de moderne tijd met een licht sociologisch getint verslag over opkomst van naturistenstrand en beach clubs, en met rijzende vraagstukken omtrent de ruimtelijke inrichting van het kustgebied. Ook wordt de Zandmotor in Ter Heijde als aangelegde zandba(n)k voor Schevenings strand opgeworpen.

De 356 pagina’s tellende kroniek is een meeslepend leesboek over vijfhonderd jaar kustbeleving, verpakt in 25 verhalen, van watervloed, slavernij, armoede en oorlog, maar ook van vrijheid en zorgeloos geluk. Met gevoel voor detail en stijl weet Hendriksma een nieuwe, frisse kijk op de kuststreek te wekken.

Martin Hendriksma: Aan zee. Een kroniek van de kust, uitgeverij De Geus, verschijning op 20 april 2021.

‘We moeten met de natuur in gesprek’

Lezing Eva Meijer op Nacht van de Filosofie

Schrijver en filosoof Eva Meijer houdt een online lezing over haar gloednieuwe essay Vuurduin, aantekeningen bij een wereld die verdwijnt.

April doet wat hij wil. Waarvan akte. Maar april is jaarlijks terugkerend ook verheven tot Maand van de Filosofie, met dit jaar ‘De natuur was hier’ als verbindend thema. Filosofie in Den Haag brengt tijdens de jubileumeditie van haar ‘Nacht van de Filosofie’ een uitgebreid doch uitsluitend online plaatshebbend programma, met onder meer een lezing door schrijver en filosoof Eva Meijer.

‘De natuur was hier’, dat klinkt welhaast als een ‘tag’ waarmee je de naam van je (ge)liefde eeuwigdurend in een boom kerft. Hard gelag voor die boom trouwens, want de sapstroom wordt beschadigd, evenals het cambium, de groeilaag van de boom.

Maar wat is dat eigenlijk: natuur? Eva Meijer laat in haar essay ‘Vuurduin, aantekeningen bij een wereld die verdwijnt’ dat ze ter gelegenheid van de Maand schreef, doorschemeren dat ze enigszins ambivalent tegenover het begrip staat: ‘Ik heb eigenlijk niet zoveel met de natuur. Natuur is een vaag begrip dat, zeker in Nederland waar alles is aangelegd en wordt beheerd, vaak nogal romantisch of zelfs conservatief wordt ingevuld.’

Bezwaarlijk vindt ze ook dat ‘niet-menselijke dieren worden gereduceerd – alsof zij geen culturen hebben en alsof mensen niet zijn gemaakt van natuurlijk materiaal.’ “Mensen gebruiken ‘natuur’ vaak voor wat zich buiten de mens afspeelt,” licht Meijer in kort een telefoongesprekje toe.

“In Nederland is alle natuur aangelegd, en wordt beheerd en gecontroleerd. Toch spreken we van ‘natuur’. Dus waar hebben we het dan eigenlijk over?” Ze voelde zich na die eerste denkoefening aangesproken, uitgedaagd om verder te stoeien met het thema. “Als filosoof probeer je de dingen eerst moeilijker te maken, om daarna helderheid te kunnen scheppen.” Ze besloot te bekijken wat er nu precies aan het verdwijnen is, en wat we ertegenover kunnen stellen.

Wadplaat
Voor haar prachtige uiteenzetting riep ze de fluisterhulp in van schrijvers, filosofen, kunstenaars én hond Doris. En ze toog naar Vlieland, als plek waar het ecosysteem van de Wadden dreigt te verdwijnen. ‘De wadplaten slijten langzaam uit omdat ze niet meer genoeg worden aangevuld met sediment en zullen op een gegeven moment niet meer droogvallen.’

Ze kwam daar tot de slotsom dat ‘deep listening’ de sleutel kan zijn tot een andere verhouding tussen natuur en mens. “We moeten onszelf meer zien als onderdeel van de natuur,” zegt ze, “de mens als soort is een natuurwezen. We moeten met de natuur in gesprek, beter luisteren naar andere dieren en de natuurwereld om ons heen.”

In haar verhaal werpt ze op dat voor wie dat mocht denken, de afstand tot dieren, planten en andere dingen niet groot hoeft te zijn: ‘Het samenleven met honden heeft bijvoorbeeld de levens van mensen én honden veranderd. Cultuur bepaalt dus deels de natuur, en natuur vormt cultuur.’

Durven dromen is een voorwaarde voor een andersoortig gesprek. “Bij grote problemen, van corona tot vee-industrie, ligt het voor de hand om kritiek te leveren – en dat moet ook. Maar daarnaast is het nodig om iets anders voor te stellen. Dromen en hopen is belangrijk om ergens naartoe te kunnen werken. Dagdromen misschien, maar veeleer om als samenleving te verbeelden hoe het rechtvaardiger, beter en mooier kan.”

Online
De vraag is hoe natuurbeleving (of het wegvallen ervan) over te brengen is aan de hand van een online programma. Meijer: “We zijn digitale natuurwezens geworden, nota bene door toedoen van een dierlijk virus. Gelukkig trekken mensen er toch veel op uit en is er meer aandacht gekomen voor de omgeving, van eigen tuin en stadspark tot natuurgebied.” Ze stelt voor een combinatie te maken: “Het festival meemaken en later een natuurwandeling om te bekijken en te beluisteren wat bomen,struiken, vogels en wormen te zeggen hebben.”

Programma
Na haar lezing wordt Meijer geïnterviewd door Marli Huijer, hoogleraar publieksfilosofie en voorzitter van de stichting Maand van de Filosofie. Het programma vermeldt voorts optredens, gesprekken en bijdragen van en met Bibi Dumon Tak, De Jonge Denkers, Esther Kokmeijer, Martin Drenthen en Ap Verheggen.

Filosofie in Den Haag, ‘Nacht van de Filosofie’, zaterdag 17 april 2021, 16.00-22.00 uur, online. Meer informatie: https://filosofieindenhaag.nl

‘Ik neem diep mijn pet af’

Kees ’t Hart presenteert hommageprogramma omtrent Vestdijk

Vijftig jaar geleden, preciezer: op 23 maart 1971, overleed Simon Vestdijk, een van onze grootste schrijvers. Een mooie gelegenheid voor een eerbetoon, vindt de Haags schrijver, journalist en essayist Kees ’t Hart. “Ik wil een authentiek eerbetoon.”

Er zijn van die beroemde openingszinnen. Deze bijvoorbeeld: ‘Het had niet eens een portiek, zo plat was het. Niets vond er houvast, alles zou er afgegleden zijn, te pletter op de lange, rode, ingesleten stoep.’

Gedoeld wordt op ‘een steenklomp’ die als middelbare school dienst deed. Het zijn de beginregels van Terug tot Ina Damman, een van de beroemde Anton Wachter-romans van Simon Vestdijk, over de geschiedenis van een (lees: zijn) jeugdliefde, in 1934 door hem op schrift gesteld.

Vestdijks werk omvat zo’n 200 boeken, dichtbundels, essaybundels, novellen en korte verhalen, romans en briefwisselingen. Hij was ook vertaler, muziekcriticus en arts – dat laatste trouwens net als Tsjechov. Hij werd begraven op begraafplaats Nieuw Eykenduynen in Den Haag.

“Ik werd getipt door de Vestdijkkring, daar ben ik lid van,” vertelt Kees ’t Hart. “Dat dit herdenkingsjaar eraan zat te komen, wisten ik gek genoeg niet.” Hij steekt zijn bewondering voor Vestdijk (1898 – 1971) niet onder stoelen of banken – en waarom zou je ook. “Hij heeft in figuurlijke zin altijd achterop de bagagedrager van mijn fiets gezeten,” vertelt hij. “Vestdijk was daarmee in zekere zin de vormgever van mijn schrijverschap. In mijn literaire werk zijn dan ook vele ‘Vestdijkiaanse’ elementen te herkennen. In mijn roman ‘De keizer en de astroloog’ heet de hoofdpersoon Simon. Het leek me, als Vestdijk-evangelist, mooi om iets feestelijks te organiseren; ik doe graag iets terug voor mensen van wie ik houd.”

Kees ’t Hart presenteerde tot voor ‘corona’ maandelijks een literaire salon in Zaal 3, en stelde eerder al eens een flonkerend programma samen rond de Amerikaanse dichter Walt Whitman.

En als romancier van recentelijk onder andere Teatro Olimpico, Wederzijds, Hotel Vertigo en De ziekte van Weimar beschikt hij over een ruim netwerk van schrijvers, en zo treden zondagmiddag in een livestream vanuit Theater aan het Spui onder meer Peter Buwalda, Alfred Birney  en Marja Pruis aan.

“Zij vertellen over hun relatie met Vestdijk en gaan in op de stilistische invloed die Vestdijk op hun eigen werk heeft of heeft gehad. Dick Vestdijk brengt gedichten van zijn vader ten gehore. Een ensemble van het Residentie Orkest speelt ‘Vestdijk-muziek’, ‘onder meer uit De Koperen Tuin, een roman over de opera Carmen van Bizet, weet ’T Hart. En Jacqueline Bel, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, diept zijn belang uit voor de literatuur van nu.”

Wordt Vestdijk heden ten dage nog wel gelezen? “Te weinig in ieder geval,’ antwoordt ’’T Hart. “In de literatuurgeschiedenis staat hij te boek als moeilijk en intellectualistisch. Ten onrechte. En Vestdijk is bovenal een rasverteller met een fantastische schrijfstijl, waar ik diep mijn pet voor af neem. Als hij over het middelbareschoolleven schrijft, dan zie ik mezelf rondlopen als de leraar Nederlands die ik ooit was.” Neem De Ziener, ook deels een ‘lerarenroman’. “Die is nog steeds actueel.” Hij heeft ook wel mindere romans geschreven, “maar daar heb ik het liever niet over,” vertelt hij lachend.

Los van de livestream verschijnt volgende week een brievenboek, De toetssteen geheten, dat hij de afgelopen maanden met Maarten ’t Hart schreef. Daarin is de correspondentie vervat die hij met Maarten ’t Hart (‘geen familie, wel leeftijdgenoten’) over Vestdijk voerde, ‘voortgekomen uit bewondering voor zijn schrijverschap’.

Een middag over Vestdijk, met Kees ’t Hart e.a., livestream op zondag 28 maart 2021, 15.00 uur. Meer informatie en tickets: www.hetnationaletheater.nl