Gezocht: aandacht

Soul searchin’ door choreografen Meyer-Chaffaud

Performers zonder publiek? Publiek zonder performers? Woestijnvissen!  Choreografenduo Meyer-Chaffaud maakt het vierluik Soul en confronteert publiek en performer lijfelijk met elkaar.

Exhibitionisten? Aliens? Intermediairs? Openbaar kunstbezit? Lichaamstovenaars? Of gewoon mensen van vlees en bloed? Wat gaat er om in het hoofd van een danser?

In Soul #2 Performers is de danser van zijn voetstuk van ongenaakbaarheid gehaald, uit zijn ivoren toren afgedaald; en, andersom, het publiek tijdelijk ontheven van haar versteende rol als observant, verheven tot co-creator zelfs. ‘U beschikt over een geweldige zittechniek’ zegt een van de performers. Domweg blijven zitten op je stoel is dan eigenlijk geen optie meer.

‘Bij veel eigentijdse dansvoorstellingen rijst de vraag wat het allemaal betekent, wat we ermee moeten. In de meeste gevallen leiden die vragen niet tot bijster veel antwoorden, zodat we op een gegeven moment besluiten vooral te genieten van de performance, van de bewegingen, van de visuele effecten, de muziek – maar geven geen aandacht aan de knagende vragen op de achtergrond die ons vervolgens verwijten dat we het werk onrecht doen – en zo weer een kans op diepgaande kunstzinnige beleving mislopen.’

Aldus schrijver en publicist Christiaan Weijts in het boekje Aanraken a.u.b. over zijn ontmoeting met de Duitse kunstfilosoof Christophe Menke.

Waarom dans je, wat bezielt je als je en public danst, wat beweegt je, wat zijn de gedachten als je aan het dansen bent? Isabelle Chaffaud: ‘We leggen graag de menselijke ziel bloot. Een danser put zich uit voor het publiek dat voor hem of haar zit, in een magisch spel van tijd, ruimte en emoties. Hoe je je zelf ook voelt, je móet performen, je moet hoe dan ook op.’

Soul#2 Performers. Een ervaringsverslag. De zaalopstelling: een carré. Feitelijk een vlakkevloertheater, zo’n tien bij tien meter. Vóór de vier omsluitende wanden staat een dubbele rij stoelen. Op de vloer: zes performers. Claire. Opeens staat ze voor me, steekt haar hand naar me uit, nodigt me uit met haar de toneelvloer op te gaan. En plein public. Naar mij, de in beton gegoten observator! En daar staan we dan tegenover elkaar, de armen gespreid, handen in elkaars handen. Dan strekt ze haar armen, werpt haardos, schouders en hoofd achterover, gelaat naar de hemel gericht. Even lijkt het of ze zweeft. Et Dieu crea la femme, schiet door mijn hoofd.

Zweven doe ik zelf intussen ook, vanbinnen. Eventjes later drukt ze het hoofd met het linkeroor stevig tegen mijn linkerborst. Hartslag. Ik zie mezelf gevleid in een intieme omhelzing. Dan mag ik van haar weer plaatsnemen op mijn stoel.

Een zinsbegoochelende ervaring. Ook al omdat en passant de ‘vierde wand’ in rook is opgegaan en de dansers in Soul letterlijk ‘op je huid’ zitten.

In het de komende jaren te completeren vierluik Soul lichten de choreografen Jerôme Meyer en Isabelle Chaffaud de doopceel van publiek én danser. Op zoek naar de ware aard achter performer en publiek sloopt het choreografenduo de denkbeeldige grens tussen danspodium en toekijker.

Hier maken de toeschouwers in persoon deel uit van de choreografie, en aldus van de voorstelling. In het cabaret usance, vooral als je op de eerste rij plaatsneemt ben je algauw de sigaar, in het dansveld is het uniek, zelfs ‘not done’.

Wat zet een performer in beweging, wat beweegt hem om voor een choreograaf en uit naam van dat ‘hogere’ als ‘de kunsten’ dag in dag uit steeds weer tot het uiterste te gaan en de eigen grenzen voortdurend te verleggen? Is toekijken in het theater een intrinsiek actieve of passieve rol? Waarom doen ze allebei wat ze doen?

Ondertussen vallen in Soul #2 Performers grote woorden over creatie, in het moment zijn, over vrijheid, over ‘blondes have more fun’, over dans als obsessie, als een beweging tussen hemel en aarde, als een medium.

Publiek en performer, een twee-eenheid. Onderzochten choreografen Isabelle Chaffaud en Jerôme Meyer in hun eerdere voorstelling Soul#1 Audience met name (de rol van) het publiek, in deze #2 gaat het vooral om de mens achter, de binnenwereld van de danser. Maar de danser kun je hier niet los zien van het publiek, noch andersom.

Zoals Mulisch in Voer voor psychologen al stelde: ‘Niet de schrijver [lees: choreograaf] maar de lezer [toeschouwer] moet fantasie hebben […] Een artistiek werkstuk wordt het pas door het talent van de lezer.’

Al bij het betreden van de zaal hadden de bezoekers zich op verzoek rond een van de zes performers geschaard, en die leidde hen daarna rond over de speelvloer, liefst met de ogen dicht. Patronen volgen, geïmproviseerde groepssculpturen. Een gevoel van intimiteit wordt opgebouwd en dat wordt versterkt wanneer de performers even later direct oogcontact zoeken met de bezoekers die hen omringen. Indringend moment, temeer daar de voorstelling zich vlak voor je ogen ontrolt. Je zit op huid van de dansers, voelt ze ademen.

Alleen daardoor al is de beleving geheel anders dan de waarneming vanuit het pluche comfort van de theaterstoel. De zaal als parallel universum: de danser vertolkt zijn eigen rol maar het publiek ook, al doet zij dat soms zonder er zelf erg in te hebben. Interactie, het ene publiek is het andere niet, en de ene avond is de andere niet. Het publiek doet alsof het zelf niet bestaat. Maar dat bestaat dus niet.

In Soul#2 Performers worden intussen pareltjes aaneengeregen! In een mix van moderne dans, performance en circus – er is zelfs een duet tussen een danser en een trapezewerker die laag boven de vloer hangend haar acrobatische kunsten vertoont – zijn er prachtige staaltjes te bewonderen, in een ‘bewegingstaal’ die zich moeilijk in woorden laat vatten, door dansers die stuk voor stuk laten zien over persoonlijkheid te beschikken.

Meyer-Chaffaud: Soul #2 Performers. Tournee van eind september tot en met medio oktober 2018. Meer informatie: Meyer-chaffaud.com.

Advertenties

Hemel en aarde bewegen

NNT, Club Guy & Roni en Asko | Schonberg spelen Salam

Na vorig jaar de dansmarathon Carrousel bij Noord Nederlands Toneel / Club Guy & Roni en Asko|Schönbergs K[h]AOS nu een kleurrijke orgie van licht, beeld en geluid in een mix van theaterdisciplines. Salam, een oerdrama. Regisseur Guy Weizman: “Alle grote verhalen beginnen klein.”

Liefde, spijt en een vader die zijn twee zonen uit elkaar dreef. Weizman gaat een wereldkwestie te lijf met theater: “Volgens de legende stonden Ismaël en Isaäk hand in hand toen ze Abraham ten grave droegen. We hadden dus nog als broer en zus, als familie voor elkaar kunnen zijn. Maar ergens is het hopeloos misgelopen,” verzucht regisseur Guy Weizman. “Alsof we ruzie hebben gekregen over de erfenis. Wat zou er gebeurd zijn als we toen meteen alles hadden bijgelegd?”

De wereld staat in brand. En dat houdt nog wel eventjes aan, zo luidt de strenge weersverwachting. Wereldvraagstukken, Weizman heeft er steeds meer pijn van in zijn buik. “Verzoening, daar ben ik naar op zoek.”

Hoe zat het ook weer? Wat of wie was eerder: de oerknal of god? Van horen zeggen: God knutselde in een bui van oneindige creativiteit hemel en aarde bij elkaar, in zes dagen en nachten. Daarna vond de creator het welletjes en nam een rustdag. Hoe geniaal alles ook, soms bekruipt je het gevoel dat het allemaal wel wat beter doordacht had gekund, dat Hij die rustdag maar beter ten volle had benut. Neem nou die weeffoutjes tussen christenen en moslims. Bloedbanden, pijnlijk erfeniskwesties, gevolgd door familietwisten. Geen fraai gezicht toch. Gaandeweg zijn die nota bene ontaard in pek en veren, in kruistochten, kolonialisme, zesdaagse oorlogen, Srebrenica, intifada’s, een oerknal à la ‘nine eleven’ en het kalifaat IS. Ook al geen al te fraai rijtje.

Volgens Weizman (1973) zijn alle grote wereldverhalen ooit klein begonnen. Hij besloot daarom om terug te keren tot de symbolische bron, om precies te zijn naar de originele geschriften die aan het geloofsconflict ten grondslag liggen. Hij is ze er zelf op na gaan slaan. Waarom heeft Abraham zijn zoon Ismaël weggestuurd, laten wegsturen? zo vraagt de Marokkaanse Israëliër zich nu al dik twee decennia in toenemende vertwijfeling af. “Ooit, op enig moment, heeft de ene de andere wereldhelft verguisd – en andersom. Terwijl toch voor joden, christenen én islamieten de bron een en dezelfde persoon is: Abraham.”

Weizman zou graag zien dat het publiek in het hoofd kruipt van Abraham, wil diens overwegingen invoelbaar maken. In Salam laat hij de aartsvader van uiteindelijk drie geloofsstromingen daarom verantwoording afleggen voor zijn keuzes, voor zijn met terugwerkende kracht desastreuze, ontwrichtend gebleken (niet-)handelen van toen. De 137-jarige ligt daartoe gekluisterd aan een life support machine, op zijn sterfbed, terwijl hij trauma’s uit het verleden verwerkt en herkauwt. Weizman: “In een flits belandt hij in een hallucinerende trip van, zeg tweeënhalve seconde. Dat ene moment rekken we enorm op in speelduur.”

Alsof dat alles al geen explosief mengsel oplevert deed Weizman er een schepje bovenop met de keuze voor de Vlaamse schrijver alias het enfant terrible Fikry El Azzouzi (1978) als tekstleverancier. Hij heeft hem, zegt Weizman, daarbij vooraf opgedragen ‘om zich niet tot zelfcensuur te laten verleiden’. Hij karakteriseert Fikry als ‘een pestjoch dat lak heeft aan conventies’. Weizman: “Hij heeft met Salam een moedige tekst op papier gezet. Maar dat was wel te verwachten.”

Fikry en Weizman situeren Salam in een cafébar, anders gezegd en om precies te zijn: een louche ogende nachtclub. In een bloedrood getinte omgeving domineert een metershoge cilindrische, mobiele olietank bij wijze van drankvitrine het beeld, omringd door eveneens mobiele tapkasten, segmenten die los van elkaar wel wat van een sikkel weg hebben. In die sexclub, ‘The Last Chance’ geheten, gaat uiteindelijk een shoot-out plaatsvinden, een ‘Russian roulette’. De barista van ‘The Last Chance’ heeft ondertussen het nodige te stellen met het roedel ruziënde familieleden.

Verzoening van religies… in een nachtclub…? Waar is Weizmans hoop eigenlijk op gevestigd met deze keuzes, met dit stuk? Guy: “Voor het vraagstuk waarin we met z’n allen verzeild zijn geraakt heb ik natuurlijk ook niet de oplossing in pacht. Wat ik wel weet: Als ik in mijn Adidas-broek en baseball cap op over straat ga, dan merk ik dat sommige mensen mij niet zien, niet willen zien. Maar als ik de dag erna in tweedelig grijs en stropdas voorbijkom kijken veel mensen opeens veel minder strak naar me, en word ik anders bejegend. Ik weet niet zo goed in welk hokje ik het beste pas, maar ik weet wel dat we moeten kappen met die onzin. De tijd van schepje en emmer is voorbij. Waar ik op hoop is dat de voorstelling mensen dichter bij elkaar brengt. Als er een Arabisch lied voorbijkomt bijvoorbeeld waarvan de buren later worden ingeschakeld om te achterhalen wat voor lied dat geweest kan zijn. Zo’n moment is voor mij waardevol genoeg.”

Overgang
De voorlaatste repetitieweek, donderdag. De vele, vele scèneovergangen staan op het programma. Met soms Babylonische spraakverwarringen tussen de zes Nederlands/Vlaamse acteurs, een internationale cast van zes dansers, zes musici uit verschillende windstreken, de technici en de artistieke leiding. Toch gedragen de acteurs Jack Wouterse en Bram van der Heijden zich op het oog uiterst geduldig. “Dat is nou het mooie van deze productie,” weet Jack Wouterse, de vleesgeworden Abraham in dit stuk. “We bouwen hier samen als het ware aan een nieuwe familie. Mensen die overal vandaan hier komen werken en die begrip voor elkaar kweken: toneelspelers geven de ruimte aan live musici, de dansers verlenen ruim baan aan de toneelspelers en vice versa. Samenkomen in een nieuwe taal. Lef tonen, en niet tevreden zijn met een zesje.”

Hij heeft geloof in de aanpak van Weizman, al is dit de eerste keer dat hij met hem samenwerkt. “In dit productieproces is iedereen evenveel waard. Dat gaat hier echt anders toe dan in alle eerdere stukken of waar ik dan ook heb gespeeld. Ik heb zelf niet zoveel met religie, ben als katholiek uitgeschreven, maar ik geloof wel erg in verbinden en in dit type theater, waarmee ook jongeren worden bereikt. Inhoudelijk? Laten we de stammenruzie bijleggen zoals je een ruzie met je vrouw bijlegt, of met iemand die net knoflook heeft gegeten, terwijl jij daar niet van houdt. Zand erover. Een beetje John Lennon: Give peace a chance.”

Bram van der Heijden speelt Isaäk, Abrahams tweede zoon. Zijn tegenvoeter is Ismaël, gespeeld door Mohammed Azaay. Van der Heijden is bekend met Weizmans aanpak. “Ik ben vast bij dit ensemble. Ongeacht of je gelovig bent of niet wordt hier een thema aangesneden dat diep in velen van ons en in de geschiedenis verankerd zit. In de jaren zestig en zeventig nog dacht iedereen hier dat religie, inderdaad dat opium voor het volk was, zoals Karl Marx dat beschreef. De ontkerkelijking nam enorme vormen aan. Maar het fenomeen beheerst nu alweer decennia het politieke wereldtoneel.”

Als geboren, paspoorthoudende Israëliër wordt Guy Weizman vrijwel dagelijks aan de familietwist herinnerd. “De media dragen schuld in deze godsdienstkwestie.” Zelf is hij niet meer godsdienstig: “Ik geloof in ideeën en mensen, godsdienst heb ik op jonge leeftijd losgelaten.” Voor hem is de bijbel wel nog altijd een zekere basis, “maar dan wel met Homerus en Sophocles ernaast op het nachtkastje.”

Ondertussen schalt een bekend levenslied door de repetitiezaal. Had Vader Abraham niet een cafeetje ergens aan de haven, waar hij zich onder gelijken mengde? De gedroomde, geïdealiseerde wereld van Salam is misschien wel dat café aan de haven.

kader:
Vormentaal
Verwacht geen muziektheater of opera, geen dans- of bewegingstheater, geen teksttoneel, geen performance en geen concert. Maar op gezette tijden toch ook weer wel, als een wokkel waarin disciplines ineengedraaid worden, onderling een pas de deuxtje of triootje aangaan.

Weizmans theatertaal is die van het zappen, een brechtiaans aandoend mengsel. Een tikkeltje vreemd maar wel lekker. Helemaal NNT en Club Guy & Roni, of beter gezegd: helemaal Guy Weizman en Roni Haver. Weizman: “Ik zoek een andere realiteit. In het theater wil ik de spanning en de verstrooiing benaderen die van een film uitgaat zoals bijvoorbeeld Inglourious Basterds van Quentin Tarranatino.”

kader:
In den beginne:
Na een decennium van vruchteloze pogingen tussen Sara en Abraham verwekte hij een zoon, Ismaël, bij Sara’s slavin Hagar. Zij trad namens Sara als draagmoeder op. Pas nadat God de belofte aan Abraham had herhaald dat hij veel nakomelingen zou krijgen, schonk Sara hem een zoon: Isaäk.

Uit angst dat Isaäk niet als eerstgeborene zou worden beschouwd, draagt Sara Abraham op om Ismaël en zijn moeder te verstoten. Uiteindelijk groeit Isaäk uit tot een van de grondleggers van jodendom en christendom; Ismaël tot de stamvader van moslims.
Abraham (ook wel Abram) wordt beschouwd als de aartsvader van Israëlieten en Arabieren. Zijn naam komt voor in de heilige schriften van joden (de Tenach), christenen (de Bijbel) en moslims (Kor’an). Sara stierf op 127-jarige leeftijd, Abraham overleed toen hij 175 jaar oud was. Hij werd volgens de overleveringen begraven in de Grot van de Aartsvader in Hebron.

Literair-historisch is de ontstaansgeschiedenis van de bijbelse tekst over Abraham omstreden.

Guy Weizman
Guy Weizman (1973, Tel Aviv, Israël) is choreograaf en regisseur. Hij is sinds 1 januari 2017 artistiek en algemeen directeur van het Noord Nederlands Toneel (NNT). Hij vormt samen met Roni Haver ook de artistieke leiding van dansgezelschap Club Guy & Roni. Sinds januari 2017 bouwen de twee gezelschappen onder Weizmans leiding aan een interdisciplinair theaterhuis: theater van nu in de taal van nu.

Salam speelt tot en met medio mei in theaters in het land. Meer informatie: nnt.nl/salam.

Memento mori

Alain Platels dodendans

Alain Platel grossiert in ongewone beelden: dode-paardensculpturen, veertien honden. In zijn nieuwe voorstelling Requiem pour L. volbrengt een 72-jarige vrouw haar allerlaatste ademtocht. In grootbeeld. Een getuigenis.

Zo ziet sterven er dus uit. L. ligt schijnbaar doodkalm te bed, al blijven de zware oogleden meer en meer, langer en langer gesloten. Een laatste opflakkering van de ogen, een laatste glimlach, een laatste woord dat gewisseld wordt, een laatste keer slikken, een laatste keer met de tong de lippen rond. Ogenschijnlijk gebeurt er niets – en toch alles tegelijk. Dan stokt de adem. Oneindig loslaten.

En dan opeens blijft de mond geopend staan in een eeuwige gaapstand.

De doodsstrijd is in veruit de meeste gevallen niet die turbulente, opstandige gebeurtenis die we er toch van vermoeden. Een stil heengaan is het meestentijds – al dan niet onder invloed van morfine –  een verglijden in de tijd. Geen tranen, geen eruptie, geen misbaar. Het lijden van de mens is niet dát hij doodgaat, dat doen andere leefvormen op z’n tijd ook; maar dat hij dat zo goed beseft.

Het intiemste, kwetsbaarste moment in een mensenleven speelt zich af op het sterfbed – voor zover dat gegeven is. Voor de meesten is het meteen hun eerste en enige schouwtoneel des levens: want toekijkende geliefden zien toe hoe hun teerbeminde zich door de slotakte slaat. Zo bezien is het doodsbed ieders eigen eenakter, een besloten vlakkevloervoorstelling, in huiselijke dan wel klinische kring.

Hoogst zelden is de westerse mens met eigen ogen getuige van iemand die in ware tijd sterft. In het westen is de doodsstrijd ver weggestopt, elders loopt dat trouwens soms regelrecht uit op een feestje. Integer, zonder het minste effectbejag bouwde theatermaker Alain Platel met Requiem pour L. een minimalistisch aandoend theatraal feest met het heengaan als inzet, op Mozarts Requiem, en met beelden van een stervende vrouw op een groot projectiescherm met die ‘real time’ in de dood verdwijnt.

Aldoor staat één enkele (web)camera ingezoomd op wat het sterfbed wordt van deze witte vrouw. Ze werd thuis gefilmd, vorig jaar, toen haar laatste momenten zich aandienden. De wat korrelige maar verder nauwelijks bewerkte zwartwit-beelden beslaan de reëel verstreken tijd, zo’n anderhalf uur, maar zijn wat vertraagd weergegeven. Wel heeft Platel er twee keer een ‘knip’ in gemaakt. Daardoor ontstaat als het ware een triptiek: afscheid nemen, sterven en – eindigend in een bijna onsterfelijk mooi, bijna prerafaëlitisch aandoend eindbeeld – dood zijn.

Het ‘argeloze’ publiek wordt hier, sterker: is hier ondeelbaar en ontegenzeggelijk in de rol van voyeur geduwd: die van buitenstaander die voor louter eigen genoegen toekijkt. Het is belangrijk te beseffen dat de terminaal zieke L. er zelf actief voor heeft gekozen om medewerking te verlenen. L., vaste bezoeker van Platels voorstellingen, wendde zich via een wederzijdse kennis tot hem na het zien van zijn voorstelling Coup Fatal, die ze zeker drie keer zag. Platel was meteen gegrepen door het idee, onder meer omdat de dood toen verschillende keren aan hem voorbij was gekomen: hij had afscheid moeten nemen van zijn vader, verloor zijn trouwe hond, en zat aan het sterfbed van zijn mentor Gerard Mortier.

L. alsmede het wedervaren van L. rond de dood koppelen Platel en zijn theatergroep C. de la B. aan de overdonderende koormuziek van Mozarts Requiem. Geniale expressiviteit anno 1626. Een in muziek verpakte uitstalkast van uiteenlopende gevoelens: blijmoed die ontaardt in vertedering, panische angst die uitmondt in urgente bede. Het is de verklanking van ultieme ontzetting en angst voor het verschijnen van de rechter – maar toch ook van het geluk van het laatste oordeel.

Platel besloot over te gaan tot een bewerking van Mozarts heilige compositie. Dat is gedurfd, een stap die hij nog versterkte door te kiezen voor componist Fabrizio Cassol, met wie hij overigens eerder samenwerkte (in Monteverdi’s Mariavespers, de Mattheuspassie van Bach en het westerse barokrepertoire). Platel/Cassol gingen verder. Ze zetten een ontmoeting op tussen veertien muzikanten uit verschillende contreien.

Gezamenlijk ‘reconstrueerden’ zij het Requiem en wendden daarbij ook hun eigen muzikale invloeden aan, van jazz en opera tot allerlei soorten populaire Afrikaanse muziek. Toch blijft dat ongehoorde Requiem steeds hoorbaar de bron. De live uitgevoerde muziek wordt hier (vondst!) niet door een klassiek orkest gespeeld, maar in een bezetting met accordeon, euphonium (tuba), elektrische (bas)gitaar, likembe (duimpiano) en percussie. Cassol verving vervolgens de massieve koorzang door een vijftal zwarte zangers. Zo werden de opeenvolgende zangpartijen tot uiteenzettingen tussen mensen.

Platel deed nóg een meesterzet: Hij liet de musici en zangers, zonder uitzondering gestoken in zwarte kledij en in aan Zuid-Afrikaanse grafdelvers herinnerende gumboots, bewegingspatronen uitvoeren als in een choreografie, laat ze dansen dansen, van limbo tot urban. Swingen op de klanken van een grafzang, een zielmis, op een Re-qui-em? Op Mozarts heilige grafzang? Op zwartgeverfde houten kisten, die qua beeldrijm aan het Berlijnse Holocaustmonument doen denken? Kan dat, mag dat? En dan nota bene tegen de achtergrond van een in slow motion stervende vrouw? Platel doet het gewoon. Want wie bang leeft, gaat bang dood.

Daarmee bevrijdt hij en passant de doodscultus van het westerse taboe waarmee het is omgeven, en verleent hij bovendien ruimte aan uiteenlopende culturen voor de expressie van hun eigen gebruiken en rituelen rond het ontslapen, nog wel op het theaterpodium. Is het denkbeeldig of kringelt tijdens deze overwegingen wierook de theaterzaal in? Dan: Het Laatste oordeel. Een staande, minutenlange indrukwekkende ovatie.

Even later in de foyer staat op de toog een koud biertje warm te worden. Koffietafelbier. Maar pas op, een teug bespoedigt de onvermijdelijke enkele reis naar de dood, want alcohol verkort je leven. Amen.

kader
Alain Platel
De naam en faam van theatermaker Alain Platel is wereldwijd, zijn oeuvre groot en groots. Hij is zich allengs gaan storten op grote, operateske drama’s rond muziek van Bach, Verdi, Wagner en Mahler. In zijn producties staan amateurs vaak zij aan zij met professionals.

Les ballets / compagnies Contemporaine de la Belgique werd in 1984 te Gent opgericht door Alain Platel. Het geldt als artistieke ‘hub’ voor makers die theater, dans en opera mengen onder het motto: ‘Deze dans is van de wereld en de wereld is van iedereen’.

Platel in zijn jubileumboek uit 2006, Ballets: ‘Ik ben altijd een oerchristen geweest. (…) Maar als je me vraagt of geloof steun en troost geeft, weet ik dat niet. Esthetica doet dat wel. Sine musica nulla est vita. Muziek verbindt ons met een buiten het lichaam bestaande wet: in dit geval de akoestiek. Muziek creëert een warme cirkel om ons heen die maakt dat wij überhaupt bestáán zullen hebben. De mens is geschapen om te kijken en te luisteren, verwonderd te zijn en tot bewondering te komen.’

kader
De Vlamingen
De Vlamingen lijken een internationaal erkend theaterpatent op danstheater, lijfelijk muziektheater, expressief-absurdistisch beeldend theater, schouwspelen met vaak een katholieke inslag te hebben.
Anne Teresa de Keersmaeker, Jan Fabre, Guy Cassiers, Needcompany, Vandekeybus, Blauwe Maandag Compagnie, Compagnie De Koe behoren alle tot een Vlaamse lijn die rechtstreeks doorloopt naar FC Bergman, Abattoir Fermé en, bijvoorbeeld, Kris Verdoncks A Two Dog Company anno nu.

kader
Stadsschouwburg Amsterdam en Alain Platel
Stadsschouwburg Amsterdam volgt Alain Platels compagnie C. de la B. al jaren. Onder meer de voorstellingen En Avant, Marche!, Tauberbach, Coup Fatal en Gardenia waren er de voorbije jaren te zien.

kader
Holocaustmonument
Het Denkmal für die ermordeten Juden Europas in Berlijn is opgericht ter herdenking van de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het bestaat uit 2711 betonblokken, variërend in hoogte en een onderlinge tussenruimte van 95 centimeter.

kader
Mozarts dood
Na een uitvaartmis in de Stephansdom te Wenen werd Mozart in 1791 begraven op de Sankt Marxer Friedhof in wat waarschijnlijk een massagraf was. Pas in 1855 werd de waarschijnlijke locatie ervan vastgesteld, al bestaat absolute zekerheid daarover nog steeds niet.

Requiem pour L.
V
r 19 en za 19 mei, 20.30 uur
Stadsschouwburg Amsterdam
Info & tickets http://www.ssba.nl

Het dansleven uit een dag

In de autobus met Introdans

Met een driesterren touringcar volgeladen met vijfsterrendansers kriskras door Nederland knallen. Hoe is dat? Glamour en glitter in de bus? “In juli ga ik met hem trouwen!”

Nederlandse theatergezelschappen reizen stad en land af om in het land hun kroonjuwelen rond te strooien, zo heeft de rijksoverheid dat nu eenmaal bedacht. Geregeld hoor je acteurs, dansers en andere artiesten-on-the-road verzuchtingen slaken over ‘op tournee zijn’. Maar niet altijd. Ze staan dan wel meestal niet hardop te juichen, maar ach, soms is het een welkome onderbreking van de dagelijkse sleur en is het voor een enkeling ook juist het moment om even betaald gas terug te nemen.

Introdans, vestigingsplaats: Arnhem, doorkruist al sinds 1971 het doorgedesignde Nederlandse wegennet. “En dat doen we graag” zegt in de bus Introdans-marketeer Anthea van der Kraan op volleerde toon, terwijl dit voor haarzelf toch het allereerste busreisje met de groep is: ze is nu nog maar net een halfjaartje bij het team. “We zijn het meest reizende dansgezelschap van Nederland. We vinden het belangrijk om Introdans, om kunst en dans dicht bij het publiek te brengen. Geen drempels opwerpen.”

De 35 speelbeurten van het tourneeprogramma 5 ★★★★★ voeren de groep naar uitersten als Den Helder en Maastricht, naar het Den Haag van het westelijke landseind, en Roosendaal in het zuidwesten. Vandaag is het Hardenbergse theater De Voorveghter, 340 stoelen, plek van bestemming.

Zodra de bus is volgeladen zet de zeswieler vanuit opstapplaats Arnhem CS / Sonsbeekzijde koers richting Marslanden. Aan boord: twintig dansers en een klein contingent ‘beroepsaanhang’, waaronder kleedster annex gelegenheidstourleider Mila Westgeest, balletmeester Diane Matla en twee vrijwilligers / educatief inleiders Truus Tullemans en Thérèse Laurant. De techniekploeg is de meute ’s ochtends vroeg al ruimschoots vooruit gereisd vanuit de Gelderse hanzestad. Sterker: de ploeg legt, terwijl de bus in anderhalf uur richting Hardenberg kruipt, allicht de laatste hand aan decor, dansvloer, licht en geluid.

Schoolreisje
Voor aanvang dringt, eventjes toch, de gedachte zich op aan een uitbundig schoolreisje. Maar niets van dat al, bij Introdans geen geheven dionysische zangkoren of iets dat daar maar op lijkt. Dat kan te maken hebben met het internationale karakter van het ensemble, die kennen onze ‘potjes met vet’ immers niet. Ook geen rouleersysteem: ieder heeft zijn eigen vaste stek, noem het een geplaceerde zitplaats, en daarvan wordt hoogst zelden afgeweken. Natuurlijk hebben de eeuwige ‘troublemakers’, meest mannen, zich achterin verschanst, terwijl de ‘lieverdjes’, niet zelden de vrouwen, zich op de stoelen voorin genesteld hebben.

Dansers zijn gewoontedieren, net mensen. De een slaapt lichtjes wat bij, gunt de ogen en de spieren enige rust, daarbij tovert de een soms een zonnebril op, werkt de ander sociale media bij of luistert hij of zij naar diens favoriete muziek over koptelefoon of oortje. Een enkeling kiest voor een boek. Nog weer een ander heeft zich opgevouwen met de benen op de hoofdsteun van de stoel voor zich gestoken, met de voeten omhoog. Eentje heeft zijn lijf languit op vier stoelen gelegd, dus tot naar de stoelen aan de overzijde van het gangpad. Zelfs het eigen dekbed is meegegaan.

Nog weer een ander gebruikt alvast, of beter gezegd: nu pas (15.30 uur) een licht verteerbare lunch, pasta bijvoorbeeld. Eentje heeft ooit eens een haring in de bus gegeten, wordt me ingefluisterd. Maar urenlang in opgevouwen staat in een touringcar bivakkeren heeft ook nadelen: “Het valt niet mee om urenlang te moeten stilzitten,” vertelt danseres Vérine Bouwman. “Dans is topsport. Vanochtend om 10.00 uur zijn we met de gebruikelijke balletles de dag begonnen. We komen zojuist het repetitielokaal bij Introdans uit rennen. De spieren kunnen we pas weer opwarmen als we in het theater in Hardenberg zijn. Dat is lastig voor de spieren. Er gaat bovendien veel tijd zitten in het reizen.”

Vérine zit vandaag voorin, maar in het verleden, op andere trips, nam ze ook wel eens achter plaats. “Een woordje Italiaans leren,” lacht ze. Opeens straalt ze van oor tot oor. Want, zegt ze, daardoor heeft ze, in deze zelfde Introdans-bus, haar Siciliaanse collega-danser bij Introdans Salvatore Castelli van een andere kant leren kennen. Van het een kwam het ander, beter gezegd van het een komt het ander, want ziedaar: “In juli gaan we trouwen! Ik beraam hier, tijdens deze toer, de trouwplannen!”

Bosuitje
Reisverhalen zijn er ondertussen zeker te vertellen, meestal komen die uit een meer of minder grijs verleden. Over die ene keer bijvoorbeeld dat de temperatuur in de bus niet onder dertig graden Celsius te krijgen was, de keer dat dansers geparkeerde auto’s eigenhandig ‘opzij’ moesten tillen om de deur bij thuishonk Vijfzinnenstraat te bereiken, die keer in Lommel, België dat de voorstelling niet kon doorgaan omdat de dienstdoende technicus plots ziek was geworden. Of toen ze er, ergens in een ver buitenland, opuit gestuurd werden om boomtakken te verzamelen in een nabijgelegen bos. Vanwege het decorbeeld, want dat kon niet mee in de trailer. Maar op een bestaan van dik 45 jaar zijn dat wel de hoogtepunten.

Bestemming bereikt
Stilaan nadert Hardenberg. Dan houdt de bus halt bij de stagedoor van theater De Voorveghter. Na het uitstappen blijven enkele zich voor de buitendeur van het theater verschansen: sigaretje roken.

Maar de meesten nemen meteen bezit van de twee groepskleedkamers, een voor de mannen en een voor de vrouwen. Een groepje besluit te voet een koude neus te halen aan de hand van een verkenningstochtje door het Overijsselse dorp. Een klein clubje dansers blijft achter in de kleedkamer. Geen avondeten voor jullie, heren? “Voor mij niet,” zegt Alberto Tardanico. “Dat zit me straks alleen maar in de weg.” Verloren tijd? “Echt niet,” zeggen Hayden Idrus en Fabio Falsetti in de mannenkleedkamer in koor. “Filmpje kijken, voetbalwedstrijden inhalen of bijhouden. Gaat prima zo!”

Voorprogramma
Voor een aantal dansers is het na aankomst in Hardenberg aldus een lang wachten – totdat om stipt 19.00 uur de groep op de dansvloer, het podium, samenkomt voor een korte training en om te ‘spacen’, het verkennen van de ruimte. Dat is deze keer extra hard nodig, want het podium in Hardenberg blijkt aanmerkelijk minder breed dan van de premièrelocatie, het Stadstheater Arnhem.

Bij ieder theater waar wordt aangelegd, moet dat ‘spacen’ steeds weer plaatsvinden. “Geweldig,” zegt een enthousiaste directeur Jan Maarten Veurink van De Voorveghter die backstage een kijkje is komen nemen, “dat Introdans en de dansers dat toch iedere keer weer op de koop toenemen, dat ze dit voor ons en andere theaters in den lande doen.”

Duisternis
De verrichtingen worden later die avond rijkelijk beloond. En met een driekwart zaalbezetting plus een drukbezochte inleiding vooraf kan er gesproken worden van een geslaagd avondje.

Nadat het ovationele applaus is weggestorven, wringen de dansers zich langs elkaar heen in de twee smalle kleedkamers. Er blijken twee douches beschikbaar op twintig dansers. En toch vertrekt de bus alweer een halfuur na einde voorstelling, dat is standaard zo.

Op de terugweg is de duisternis allang ingetreden. De adrenaline ebt langzaam weg, het applaus siddert nog wat na in de oren. Er wordt tijdens de terugreis weleens wat gedronken, soms een biertje – maar er wordt met name  veel gedut en geknikkebold.

Thuiskomst is voorzien rond het middernachtelijk uur. Daarna gaat eenieder in de vrieskou huiswaarts. Sommigen gaan dan nog thuis de eigen keuken in om een warme hap te bereiden, anderen houden het voor gezien en zoeken meteen het mandje op: morgenochtend klinkt om 11.00 uur de piano voor de reguliere balletles. Een uurtje later dan gebruikelijk dat dan wel, vanwege deze inspannende reisvoorstelling. Maar ach, wat nou? Een danser zeurt niet gauw. Blij als hij is met zijn vak, een uiterst bewogen vak.

kader:
15.15 uur Vertrek / 16.30 uur Aankomst Hardenberg / 19 .00 uur Spacen / 20.15 uur Show / 22.00 uur Einde / 22.30 uur Vertrek uit Hardenberg / 24.00 uur Aankomst Arnhem

kader:
In Vijf sterchoreografieën staat werk van vijf sterchoreografen op het programma: Jiří Kylián, Sidi Larbi Cherkaoui , Mauro de Candia, Robert Battle en Ben Van Cauwenbergh. Deze productie is in het land te zien tot en met begin juni 2018.

kader:
Kogelvis
Jeffrey Lionel Dahmer bracht in de jaren ‘80 zeventien jonge Amerikaanse mannen om het leven. De seriemoordenaar, necrofiel en kannibaal was de eerste van zogeheten ‘celebrity serial killers’. De Amerikaanse schrijver Nick Bruckman doet het verhaal van de ‘Milwaukee Cannibal’ uit de doeken in zijn toneeldebuut Kogelvis. In 2016 maakte regisseur Marcus Azzini een intieme lunchvoorstelling in Theater Bellevue (Amsterdam) van dat
toneelstuk. De Arnhemse gezelschappen Toneelgroep Oostpool, Het Gelders Orkest en Introdans slaan rond Paastijd de handen ineen voor een muziektheatrale herneming van Kogelvis, dit keer met vier acteurs, een strijkkwartet en twee dansers.

kader:
KYLIÁN4ALL
KYLIÁN4ALL toont hoogtepunten uit het oeuvre van meesterchoreograaf Jiří Kylián. Deze familievoorstelling reist door het veelzijdige werk van de maestro, die tot enige jaren geleden vast verbonden was aan Nederlands Dans Theater.

Van het theatrale Trompe L’Oeil, via het humoristische Sechs Tänze, naar het wonderbaarlijke Indigo Rose. Als kers op de taart staat het uitbundige Chapeau vermeld, een première voor het gezelschap.

Introdans-leiders Ton Wiggers en Roel Voorintholt ontvingen in 2016 de Jiří Kylián Ring voor hun verdiensten voor de dans in Nederland.

Springplankkunst

Lichaamskunstenaars van de toekomst

Hoe leid je aanstormend danstalent naar de internationaal erkende wereldtop van Het Nationale Ballet en het Nederlands Dans Theater? Twee gezelschappen, twee gezichten.

De jongerendivisies van de twee grote, internationaal aan de wereldtop opererende ensembles in Nederland oefenen wereldwijd enorme aantrekkingskracht uit op jonge dansers. Zij zien beide ensembles als ideale opstap. Een contract bij Nederlands Dans Theater 2 (NDT 2)  of een traineeship bij de Junior Company (JC) van Het Nationale Ballet (HNB) opent ook elders deuren en is dus heel wat bitcoins waard.

Schubert. NDT 2, jongerendivisie van het wereldberoemde ensemble. Het Balletorkest live in de bak. Fascinerend, overrompelend, bedwelmend. Abrupte lichaamsbewegingen, molenwiekende armen in het halfduister. Met een wereldpremière van topchoreograaf Marco Goecke voor de adspirantendivisie. Ook Ekmans geroemde, in goede zin lachwekkende Cacti, jaren niet meer gedanst. Alles perfect uitgevoerd, zodanig dat de zestien ‘beginnelingen’ de ‘ouderlingen’ van NDT 1 gevoeglijk naar de kroon steken.

“Met Cacti reizen we de wereld over, maar het is nu eindelijk weer hier terug,” zegt een van trots blinkende Nancy Euverink. Jarenlang was ze een gezichtsbepalende danser bij NDT. Vier jaar geleden werd ze artistiek uitvoerend leider van NDT 2, de interne rode loper en opleidingsinstituut voor een felbegeerde loopbaan bij kroonjuweel NDT 1. Ze vertelt in wat nog resteert van het thuishonk aan het Spuiplein in Den Haag, waar shovels en hijskranen buiten hun eigen choreografie dansen. Het Onderwijs- en Cultuur Complex dat er à raison van 178 miljoen euro in 2020 verrezen moet zijn, werpt zijn schaduw jaren vooruit. Het biedt straks huisvesting aan en toonzalen voor onder meer NDT en het Koninklijk Conservatorium (KC).

Verdeeld over drie jaargangen worden bij NDT 2 jaarlijks twee stagiairs en zestien afgestudeerde klassiek opgeleide dansers tot 23 jaar klaargestoomd voor de wereldtop. Zij mogen bovendien ruiken aan een aanstelling bij NDT 1. Vorig jaar stroomden vier van hen door naar de hoofdmacht.

De spoeling is dus dun. Niettemin staan er jaarlijks van heinde en verre jaarlijks zo’n vierhonderd auditanten vol ongeduld te trappelen voor een plaatsje in het tweede ‘elftal’. Zij volgen een balletles en nemen deel aan een reguliere repetitie van NDT 2. Euverink: “Het is een van de doelstellingen van NDT 2 om jonge talenten kennis te laten maken met uiteenlopende danstalen, technieken en werkmethoden. Het werk van onze choreografen is daarin uiteraard bepalend. Het gaat ons om creatie. We willen dansers die bereid zijn alles wat ze eerder hebben geleerd, overboord te gooien. NDT 2 is een ‘creation pool’. Ook voor vele choreografen is NDT 2 vaak een startpunt.”

Ze worden ook in mentaal opzicht getest. “We willen assertieve theaterdansers. We vragen ze daarom een solo te dansen die ze zelf hebben gemaakt. Zo zien we beter of iemand kan doorgroeien naar een theaterpersoonlijkheid.” Dat verschilt, volgens Euverink, van de focus die HNB richt op de JC. “Daar is een plaats in het grote midden, het corps de ballet, het eerste mikpunt.”

De stukken die NDT 2 danst zijn voor het gezelschap zelf gecreëerd en worden over de hele wereld aangekocht. “Het is een op zichzelf staand gezelschap, met een geheel eigen repertoire. De JC staat in dienst van HNB. De groot gemonteerde klassiek-romantische balletten zoals Zwanenmeer, Sleeping Beauty en Notenkraker vragen om volume, om een grote bezetting van het corps de ballet, zeker als je die avond aan avond moet brengen.”

Ernst Meisner, artistiek coördinator van de Junior Company (JC), ‘moederbedrijf’ HNB, ziet dat anders: “Ook een junior bij de JC mag niet bang zijn om een solo te dansen voor een zaal van 1500 mensen.” Hij wijst er bovendien op dat in de vijf jaar dat de JC bestaat, verschillende van ‘zijn’ talenten zijn doorgestroomd, ook naar topplaatsen in het vaste tableau.

“Neem Michaela DePrince. Zij is in betrekkelijk korte tijd opgeklommen tot de rang van tweede soliste. Of Martin ten Kortenaar, die nu grand sujet is. “En vergeet niet dat het repertoire van HNB onnoemelijk breed is: van klassiek-romantische tot neoklassiek en nieuwe werken. Dat vraagt om dansers die breed inzetbaar zijn.” Euverink: “Het verschil is dat dansers van NDT 2 zelf een solo maken. Er worden naast hun danskwaliteiten andere talenten aangesproken.”

Bij de JC meten twaalf dansers zich dagelijks met de tachtig van het ‘volwassen’ gezelschap, volgen een rooster dat het dagprogramma van een groot gezelschap weerspiegelt. Vlieguren maken ze in de avondprogramma’s. De JC kan net als NDT 2 vooraanstaande choreografen tot zijn vaste toeleveranciers rekenen, onder meer David Dawson en Hans van Manen, beiden vast verbonden aan het Amsterdamse dansgezelschap. Toch verschilt de aard van de programma’s van beide jongelingendivisies aanzienlijk.

Meisner: “In de begintijd hebben we programma’s gemaakt die de balletgeschiedenis weergaven, een mix van balletklassiekers tot modern werk. Dat was, onder meer, ingegeven door de wens om een breed publiek voor dans en ballet te bereiken. We konden zo meer en in andere zalen en steden spelen dan het ‘grote’ gezelschap. Daarnaast hebben we gekozen voor familievoorstellingen. Na De Grote Kleine Kist en Narnia maken we komende lente met ISH de voorstelling Grimm. En vergeet niet dat we veelvuldig worden ingezet voor educatieprojecten.” Toch denkt hij erover het karakter van de JC-programma’s anders in te richten: “Net als NDT 2 willen we triple bills gaan brengen.”

Topsport
Topdans is topsport. Voor een danser aan de wereldtop is ieder optreden er een in de categorie Olympische Spelen. Voor het bereiken van de top geldt dat jong instappen, tussen 8 en 10 jaar, in de wondere wereld van het ballet bijzonder bevorderend uitpakt.

Voor een gedroomde toekomst als profdanser is ook in de tienerjaren daarna een onophoudelijke opofferingsgezindheid het devies, vanaf middelbare dansvooropleiding tot ergens midden dertig. Voor de meeste ballerina’s en ballerino’s is er qua fysieke topprestaties daarna wel het beste af. Omscholing is wat hen wacht. Wat je noemt ‘a hard knock life’.

Self-made dansers, autodidacten, zijn vrijwel niet te vinden bij qua techniek doorgaans klassiek georiënteerde gezelschappen. Voor profdansers-in-spe vormt een opleiding aan een conservatorium of een van de hbo-dansacademies de vanzelfsprekende oprijlaan tot een stageplaats en, daarna, een loopbaan bij een van de dansgezelschappen. De beide talentenpools van NDT en HNB werken dan ook met ze samen.

Zo slaat de JC een brug tussen HNB en de Nationale Balletacademie (NBA), onderdeel van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Het in Amsterdam gevestigde balletgezelschap is nauw betrokken bij de selecties en de vaststelling van het studieprogramma en van het docententeam, van vooropleiding en hbo-studie.

“De academie, om de hoek, is onze vaste partner,” zegt Meisner. “Onze directeur Ted Brandsen is er adviseur. De studenten genieten een voorkeurspositie in het bereiken van een stek in de kweekvijver. Een NBA-student die tot de Junior Company doordringt, doorloopt in het eerste jaar een stage annex afstudeerjaar. Bij goed gevolg volgt een tweede jaar en een tijdelijk arbeidscontract. Jaarlijks stromen er vier door tot de hoofdmacht. Als het niet lukt een plek te bemachtigen, stopt na twee jaar de verbintenis.

Op haar beurt werkt NDT samen met de dansvakopleiding van het Koninklijk Conservatorium (KC) in de regeringsstad. Voor de jaarlijkse presentatie-avond Young Talent Project ruiken dansstudenten van het KC aan de beroepspraktijk door samen te werken met repetitoren, ex-dansers van NDT en met choreografen die aan NDT zijn verbonden.

Euverink: “Belangrijk is dat studenten vroegtijdig bekend raken met onze werkwijze en onze bewegingstaal.” NDT werkt ook samen met het productiehuis van het in Den Haag gevestigde Korzo, in talentontwikkelingsprogramma’s als Here we live and now en Up & Coming Choreographers.

Ondertussen dwarrelen jaarlijks dik zeshonderd digitale aanmeldingen – bijna iedereen stuurt een videofilmpje mee – van heinde en verre neer op Meisners bureau. “We zitten middenin de allereerste schifting van dit jaar.” Slechts 120 ontvangen een uitnodiging voor ronde twee, een kennismakingsdag in Amsterdam. Feitelijk een toelatingsexamen. “Ze doen twee balletlessen mee,” legt Meisner uit, “waarbij de gehele artistieke staf van HNB de hele dag toekijkt en hen beoordeelt.”

Coaching beschouwen Euverink en Meisner als de grondslag van hun werk. “Een plek veroveren hangt sterk samen met de mate waarin een danser weet te assimileren en zichzelf gezond te houden,” zegt Meisner, “en als je vanuit de praktijk tips kunt geven, werkt dat het beste.” Euverink: “Je moet over educatieve én artistieke gaven beschikken. Ik houd erg van observeren: hoe gedraagt een danser zich in de zijlijn? Ik wil graag mijn levens- en danservaring overbrengen. Dit werk is niet voor iedereen weggelegd.”

Facts & figures
NDT 2
Opgericht door Jiri Kylian in 1978
Moeder: Nederlands Dans Theater
Artistieke leiding: Paul Lightfoot
Artistieke leiding NDT 2: Nancy Euverink
Aantal dansers NDT: 28
Aantal dansers NDT 2: 16
Aantal voorstellingen NDT 2 2017-2018: Tot nu toe 32 voorstellingen in binnen- en buitenland. Daar komen in de komende maanden nog meer bij.

Junior Company
Opgericht door Ted Brandsen 2012
Moeder: Het Nationale Ballet
Artistieke leiding: Ted Brandsen
Artistieke leiding JC: Ernst Meisner
Aantal dansers HNB: 76
Aantal dansers JC: 12
Aantal voorstellingen JC 2017-2018: 77, inclusief The Sleeping Beauty en Don Quichot (32 in totaal) maar exclusief locatieoptredens.

NDT 2 veertig
NDT 2 is in 1978 opgericht door Jiri Kylián en Carel Birnie met de bedoeling de hoofdmacht te voeden met jong talent. Inmiddels is NDT 2 uitgegroeid tot een op zichzelf staand gezelschap met een geheel eigen repertoire. NDT 2 bestaat in maart 2018 veertig jaar.

Nancy Euverink
Nancy Euverink (1968) danste van 1986 tot 2007 bij het Nederlands Dans Theater. Tijdens haar carrière ontving ze de Prix en Espèce de Lausanne (1986) en werd zij onderscheiden met de Prijs van Verdienste (2004) van de Stichting Dansersfonds ’79.

Tussen 2007 en 2011 werkte Euverink bij toonaangevende buitenlandse dansgezelschappen. Tussen 2011 en 2014 was zij directeur van de dansvakopleiding van het Koninklijk Conservatorium. Sinds augustus 2014 is zij uitvoerend artistiek leider van NDT 2.

Ernst Meisner
Ernst Meisner (1982) danste bij The Royal Ballet (Engeland) en bij Het Nationale Ballet. In 1999 kreeg hij de Eurovisie Grand Prix for Young Dancers, en in datzelfde jaar de Aanmoedigingsprijs van Dansersfonds ’79. Meisner is naast artistiek coördinator van de Junior Company ook werkzaam als choreograaf.

Reis naar innerlijke rust

Muziek van Arvo Pärt in beweging gebracht

Met Summa nodigt choreograaf Samir Calixto graag uit tot ‘contemplatie en zelfintrospectie’. ‘De muziek van Arvo Pärt raakt recht in de roos van het spirituele hart.’

Dans en muziek vormen een twee-eenheid, gaan doorgaans – tijdelijk – een symbiotische relatie aan. Maar in het werk van Samir Calixto heeft het er soms de schijn van dat de muziek toonaangevend is. Zo entte hij choreografieën op de integrale Winterreise van Schubert, inspireerde Vivaldi’s Le quattro stagioni hem tot de choreografie 4 Seasons, en vorig jaar stelde hij liederen en fragmenten uit symfonieën van Mahler centraal in M. Het leidde onder meer tot een Zwaan-nominatie voor ‘meest indrukwekkende dansproductie’ 2013 en de BNG Bank Excellent Talent 2014.

Voor Summa neemt hij een octet aan composities van de 82-jarige levende legende Arvo Pärt tot leidraad. Op het eerste oor doet de muziek van de geboren Est verheven, kerkelijk en sacraal aan. Maar Calixto luistert er vooral met een open, verstild oor naar: ‘Muziek van de eenvoud in tijden van onrust en verwarring,’ reageert hij. ‘Maar ook onsterfelijk mooie muziek, puur van karakter. Emotionele muziek maar niet sentimenteel. En op die manier verwant aan mijn eigen werk.’

Pärts muziek getuigt volgens hem van een diep doorleefd ‘memento mori’-gevoel. Zoals bij Bach, meent hij. ‘Alle antwoorden liggen in hun muziek besloten.’ Van Pärts composities gaat voor hem ook een enorme intensiteit uit. ‘Die kracht wil ik benutten. Hoe? Door te proberen de onzegbare rust die uit de muziek spreekt over te brengen op het publiek, door te pogen volledige concentratie en toewijding op te wekken, het de positieve leegte van zijn muziek laten doorvoelen. Ik wil twee dansers zien die een zachte, innerlijke tegenstelling in hun bewegingen uitdrukken, een zachtjes wiegen en kronkelen. Het wordt mijn meest abstracte werk. Ik hoop maar dat het publiek met me meegaat. Want stilte dansen wijkt fundamenteel af, dat doen choreografen zelden. Van dans verwacht je dynamiek en hoge energieniveaus.’

Opvallend, want Calixto baarde vorig jaar nog opzien door in M met een levende boa constrictor op zijn lijf over het danspodium te gaan. Een wat exuberant gebaar, dat symbool voor de listige scheiding tussen goed en kwaad. In Summa, zijn nieuwe werk, zoekt hij juist de tegenkant op: ‘Ik wil rust en leegte overbrengen.’ Terwijl Pärts klanken de ruimte als een fluistering strelen, doorsnijdt de dans de ruimte als de wind.

Transcripties
Het waren componist Kate Moore en de musici van het Cello Octet Amsterdam die hem hernieuwd in aanraking brachten met de muziek van Pärt. Dat was ten tijde van de muziekopnamen voor Calixto’s choreografie Paradise Lost (2014/2015). De samenwerking beviel dermate dat al snel een nieuwe samenwerking werd geopperd. De musici vertelden hem toen dat Pärt enkele van zijn muziekstukken op hun verzoek aan het herschrijven was voor cello.

‘Een cadeau,’ zegt Calixto daar nu over. Daarna was de zaak tussen hem en het achttal snel beklonken. En opeens staat in Summa het Cello8ctet Amsterdam naast de twee dansers, op het podium. ‘Dat zijn opeens acht lichamen erbij. Zo maken de musici deel uit van de choreografie. Ik laat ze in een halve cirkel plaatsnemen, centraal op de vloer.’

Kriebelen
Dat Calixto zijn ‘dansmuziek’ met meer dan gemiddelde choreograaf met kennis van zaken kiest, bevreemdt niet heus. De Braziliaan van geboorte (São Paulo, 1978) heeft namelijk een dansante én muzikale beroepsakte op zak. Als choreograaf is hij niettemin grotendeels autodidact, maar zover gekomen ‘door als danser samen te werken’ met de choreografen die hij op zijn pad door Nederland en Europa ontmoette.

Voor het eerst waagde hij zich op het pad van dansmaker in 1999, met zijn eigen solo Eros. Hij won er de eerste prijs mee van het Braziliaanse Nascente/Abril Festival 1999. Na vestiging als freelance danser in Europa rond 2004, ontdekte hij ‘dat ik het altijd beter wist, vond ik.’

Steevast had hij zijn woordje klaar op de choreografie die in de maak was. ‘En dan moet je het op een gegeven moment maar eens zelf doen.’ Dat moment brak aan ‘ergens rond mijn dertigste’ toen op een dag een ter sprake gebrachte choreograaf geen enkele notie bleek te hebben van wat zij met haar nieuwe werk wilde gaan overbrengen. ‘Ze liet ons domweg op goed geluk wat bewegingen maken. Ja, toen is het bij mij wel gaan kriebelen.’

Toen hij in 2009 opnieuw op eigen benen stond, met Wash Me Up, haalde hij er prompt de finale mee van de Best Dance Solo Competition in Leipzig, Duitsland. ‘Dat smaakte naar meer.’ Korzo productiehuis ging zich over hem ontfermen en inmiddels heeft hij in de hoedanigheid van choreograaf, danser én performer vaste grond onder de voeten verworven, tot ver buiten onze landsgrenzen.

Engagement
Het is onder choreografen tegenwoordig bon ton om bij wijze van gevoelde verantwoording te verwijzen naar boekwerken, de wetenschap of, zoals bij Calixto, naar filosofische overpeinzingen. De denkende danser, de zoekende choreograaf. Zo baseerde Calixto zijn choreografie M op werk en gedachtebeeld van Nietsche. Calixto’s beschouwende aard bracht hem er zelfs toe op zijn website tien ‘touchstones’ te formuleren.

‘Het zijn geen statements,’ verbetert hij meteen, ‘zie het als losse uitgangspunten, ankerpunten die op zichzelf een ‘work in progress’ vormen. Op de site zie je naast de oude daarom ook nieuwe ‘touchstones’. Voor mij is dans dus zeker geen statisch begrip en geen geïsoleerde bezigheid. Engagement? Ach, een choreografie die níet over politiek gaat is juist des te politieker.’

Uitnodiging
Voor het eerst ontbreekt hij als danser in zijn eigen choreografie. ‘Dat heeft te maken met een recente uitnodiging om in Duitsland een nieuwe choreografie te maken op Schuberts beroemde liederencyclus Die schöne Müllerin. ‘Voor tien dansers en met live uitgevoerde muziek! Buitenkansje natuurlijk. Alleen: daardoor kan ik niet zelf dansen in Summa, want de tourneedata vallen voor een deel samen. Maar ik heb in Quentin Roger en Chiara Mezzadri twee prima en doorleefde dansers tot mijn beschikking.’

Hij beoogt een synthese tussen Pärts muziek en ‘kennis die in ons lichaam ligt opgeslagen’. En aldus een ‘summa’ van menselijke complexiteit te tonen.

Ontmoeting
Eén keer had hij een bijna-ontmoeting met de bijkans heilig verklaarde Arvo Pärt. Dat wil zeggen: een paar jaar terug heeft hij vanuit de verte van de Westerkerk in Amsterdam een glimp van hem mogen opvangen toen het Cello8ctet er ter ere van diens tachtigste verjaardag een concert gaf. ‘Je kon daar toen een speld horen vallen,’ toont Calixto zich nog altijd onder de indruk. ‘Wat voor type hij is? Mij is verteld dat hij iemand van weinig tot geen woorden is. Voor hem volstaat een blik in zijn ogen of een manier van bewegen, daarmee drukt hij uit wat hij bedoelt.’

kader
Cello Octet Amsterdam
In 1989 opgericht onder de naam Conjunto Ibérico door Elias Arizcuren. Cello8ctet Amsterdam is het enige vaste ensemble in deze samenstelling ter wereld. Er bestaat daarom maar weinig origineel repertoire voor hun bezetting. Het octet speelt dan ook vaak stukken die speciaal voor hen werden of worden geschreven, naast bewerkingen van bestaande stukken. Hun repertoire omvat meer dan 70 werken.

Het Cello Octet Amsterdam heeft dertien CD’s uitgebracht. De nieuwste CD Arvo Pärt bevat transcripties die de Est speciaal voor het octet schreef of bewerkte. De CD is medio oktober uitgekomen.

kader
Arvo Pärt
Arvo Pärt (1935) is geboren in Tallinn, Estland. Daar volgt hij een opleiding compositie aan het conservatorium. Hij experimenteert met verschillende compositiestijlen tot hij uitkomt bij een geheel eigen minimalistische klank, geïnspireerd op Gregoriaans gezang, meerstemmige zang uit de Renaissance en het geluid van klokken. Zelf noemt hij deze werken ‘tintinnabuli’ (Latijn voor klokjes).

Zijn bekendste werken zijn Spiegel im Spiegel, Für Alina, Tabula rasa, Cantus in memoriam Benjamin Britten, Fratres en Magnificat. Muziek van zijn hand werd gebruikt in films als onder meer Heaven, Gravity en Touching the void.

kader
Samir Calixto & Cello Octet Amsterdam: Summa.
Première: vrijdag 26 januari 2018, Holland Dance Festival, Korzo theater Den Haag. Aldaar ook op zaterdag 27 en zondag 28 januari 2018 met daaropvolgende landelijke tournee tot en met begin mei 2018.

‘Géén blackface’

Daria Bukvić regisseert Othello bij Het Nationale Theater

Ze maakte de tongen los met Nobody Home (vluchtelingenproblematiek) en Jihad (radicaliserende jongeren). In haar eerste regie bij Het Nationale Theater zet ze haar tanden in Othello. Daarin legt de succesvolle zwarte legeraanvoerder het aan met Desdemona, een mooie witte vrouw van notabele afkomst.

Wat wil je ons met ‘jouw’ Othello laten zien?
“Shakespeare schreef Othello vierhonderd jaar geleden, maar nog altijd is er bij de grote theatergezelschappen geen Othello te zien geweest die draait om wat hij erin beschreef: een zwarte man die succes heeft in een witte wereld. Vier eeuwen is de kerngedachte uit Shakespeare’s stuk moedwillig weggedrukt. Dat is bijna absurdistisch. Kennelijk wordt die inhoud als giftig beschouwd. Ik wil onze witte samenleving een spiegel voorhouden, maar ook de theaterwereld. Er zijn tot nu toe alleen maar schijnbewegingen gemaakt.”

Maakt het uit of Othello wit, zwart dan wel zwartgemaakt is, zoals dat veelvuldig is gebeurd?
“Natuurlijk! Shakespeare beschreef Othello als een Moor met een zwarte huid. Een witte acteur deze rol laten spelen met blackface kan écht niet meer. Maar ik vind een witte acteur die Othello speelt terwijl het racismedebat in ons land hoog oplaait sowieso een zwaktebod. Het is tijd voor Werner Kolf.”

Wat is het sleutelmoment, waar werk je naartoe?
“Dat kan ik nu, terwijl de repetities moeten beginnen, nog niet zeggen. Othello is een well-made play. Natuurlijk komen in de tragedie liefde, jaloezie, ambitie en wraak ook bij mij aan bod. Maar ik ben als regisseur niet zozeer geïnteresseerd in de intrige als wel in de maatschappelijke relevantie van dit stuk. Ik wil het publiek met een tollend hoofd naar buiten sturen.”

Daria Bukvić
… heeft sinds haar afstuderen in 2011 voorstellingen geregisseerd voor verschillende festivals en productiehuizen. In 2014 ging de eerste voorstelling van haar eigen stichting in première: Nobody Home. Daarin ging ze samen met drie acteurs en hun families op zoek naar de wortels van hun en haar eigen vluchtelingenbestaan in Nederland. De voorstelling werd geselecteerd voor het Nederlands Theaterfestival 2015 als een van de beste van dat seizoen. Vervolgens regisseerde ze de jongerenvoorstelling Jihad, over drie vrienden die zich niet meer thuis voelen in Nederland en vertrekken naar het Midden-Oosten om zich aan te sluiten bij jihadisten. In 2016 won ze de Amsterdamprijs voor de Kunst. Daria Bukvić is vanaf 2017 als regisseur aan Het Nationale Theater verbonden.

Othello. Met: Lotte Driessen, Sallie Harmsen, Claire Hordijk, Werner Kolf, Mark Lindeman, Rick Paul van Mulligen, Martijn Nieuwerf en Joris Smit.

Othello gaat in première op zaterdag 3 februari 2018 in de HNT Studio’s. Tournee door het land t/m zaterdag 31 maart 2018.