Reis naar innerlijke rust

Muziek van Arvo Pärt in beweging gebracht

Met Summa nodigt choreograaf Samir Calixto graag uit tot ‘contemplatie en zelfintrospectie’. ‘De muziek van Arvo Pärt raakt recht in de roos van het spirituele hart.’

Dans en muziek vormen een twee-eenheid, gaan doorgaans – tijdelijk – een symbiotische relatie aan. Maar in het werk van Samir Calixto heeft het er soms de schijn van dat de muziek toonaangevend is. Zo entte hij choreografieën op de integrale Winterreise van Schubert, inspireerde Vivaldi’s Le quattro stagioni hem tot de choreografie 4 Seasons, en vorig jaar stelde hij liederen en fragmenten uit symfonieën van Mahler centraal in M. Het leidde onder meer tot een Zwaan-nominatie voor ‘meest indrukwekkende dansproductie’ 2013 en de BNG Bank Excellent Talent 2014.

Voor Summa neemt hij een octet aan composities van de 82-jarige levende legende Arvo Pärt tot leidraad. Op het eerste oor doet de muziek van de geboren Est verheven, kerkelijk en sacraal aan. Maar Calixto luistert er vooral met een open, verstild oor naar: ‘Muziek van de eenvoud in tijden van onrust en verwarring,’ reageert hij. ‘Maar ook onsterfelijk mooie muziek, puur van karakter. Emotionele muziek maar niet sentimenteel. En op die manier verwant aan mijn eigen werk.’

Pärts muziek getuigt volgens hem van een diep doorleefd ‘memento mori’-gevoel. Zoals bij Bach, meent hij. ‘Alle antwoorden liggen in hun muziek besloten.’ Van Pärts composities gaat voor hem ook een enorme intensiteit uit. ‘Die kracht wil ik benutten. Hoe? Door te proberen de onzegbare rust die uit de muziek spreekt over te brengen op het publiek, door te pogen volledige concentratie en toewijding op te wekken, het de positieve leegte van zijn muziek laten doorvoelen. Ik wil twee dansers zien die een zachte, innerlijke tegenstelling in hun bewegingen uitdrukken, een zachtjes wiegen en kronkelen. Het wordt mijn meest abstracte werk. Ik hoop maar dat het publiek met me meegaat. Want stilte dansen wijkt fundamenteel af, dat doen choreografen zelden. Van dans verwacht je dynamiek en hoge energieniveaus.’

Opvallend, want Calixto baarde vorig jaar nog opzien door in M met een levende boa constrictor op zijn lijf over het danspodium te gaan. Een wat exuberant gebaar, dat symbool voor de listige scheiding tussen goed en kwaad. In Summa, zijn nieuwe werk, zoekt hij juist de tegenkant op: ‘Ik wil rust en leegte overbrengen.’ Terwijl Pärts klanken de ruimte als een fluistering strelen, doorsnijdt de dans de ruimte als de wind.

Transcripties
Het waren componist Kate Moore en de musici van het Cello Octet Amsterdam die hem hernieuwd in aanraking brachten met de muziek van Pärt. Dat was ten tijde van de muziekopnamen voor Calixto’s choreografie Paradise Lost (2014/2015). De samenwerking beviel dermate dat al snel een nieuwe samenwerking werd geopperd. De musici vertelden hem toen dat Pärt enkele van zijn muziekstukken op hun verzoek aan het herschrijven was voor cello.

‘Een cadeau,’ zegt Calixto daar nu over. Daarna was de zaak tussen hem en het achttal snel beklonken. En opeens staat in Summa het Cello8ctet Amsterdam naast de twee dansers, op het podium. ‘Dat zijn opeens acht lichamen erbij. Zo maken de musici deel uit van de choreografie. Ik laat ze in een halve cirkel plaatsnemen, centraal op de vloer.’

Kriebelen
Dat Calixto zijn ‘dansmuziek’ met meer dan gemiddelde choreograaf met kennis van zaken kiest, bevreemdt niet heus. De Braziliaan van geboorte (São Paulo, 1978) heeft namelijk een dansante én muzikale beroepsakte op zak. Als choreograaf is hij niettemin grotendeels autodidact, maar zover gekomen ‘door als danser samen te werken’ met de choreografen die hij op zijn pad door Nederland en Europa ontmoette.

Voor het eerst waagde hij zich op het pad van dansmaker in 1999, met zijn eigen solo Eros. Hij won er de eerste prijs mee van het Braziliaanse Nascente/Abril Festival 1999. Na vestiging als freelance danser in Europa rond 2004, ontdekte hij ‘dat ik het altijd beter wist, vond ik.’

Steevast had hij zijn woordje klaar op de choreografie die in de maak was. ‘En dan moet je het op een gegeven moment maar eens zelf doen.’ Dat moment brak aan ‘ergens rond mijn dertigste’ toen op een dag een ter sprake gebrachte choreograaf geen enkele notie bleek te hebben van wat zij met haar nieuwe werk wilde gaan overbrengen. ‘Ze liet ons domweg op goed geluk wat bewegingen maken. Ja, toen is het bij mij wel gaan kriebelen.’

Toen hij in 2009 opnieuw op eigen benen stond, met Wash Me Up, haalde hij er prompt de finale mee van de Best Dance Solo Competition in Leipzig, Duitsland. ‘Dat smaakte naar meer.’ Korzo productiehuis ging zich over hem ontfermen en inmiddels heeft hij in de hoedanigheid van choreograaf, danser én performer vaste grond onder de voeten verworven, tot ver buiten onze landsgrenzen.

Engagement
Het is onder choreografen tegenwoordig bon ton om bij wijze van gevoelde verantwoording te verwijzen naar boekwerken, de wetenschap of, zoals bij Calixto, naar filosofische overpeinzingen. De denkende danser, de zoekende choreograaf. Zo baseerde Calixto zijn choreografie M op werk en gedachtebeeld van Nietsche. Calixto’s beschouwende aard bracht hem er zelfs toe op zijn website tien ‘touchstones’ te formuleren.

‘Het zijn geen statements,’ verbetert hij meteen, ‘zie het als losse uitgangspunten, ankerpunten die op zichzelf een ‘work in progress’ vormen. Op de site zie je naast de oude daarom ook nieuwe ‘touchstones’. Voor mij is dans dus zeker geen statisch begrip en geen geïsoleerde bezigheid. Engagement? Ach, een choreografie die níet over politiek gaat is juist des te politieker.’

Uitnodiging
Voor het eerst ontbreekt hij als danser in zijn eigen choreografie. ‘Dat heeft te maken met een recente uitnodiging om in Duitsland een nieuwe choreografie te maken op Schuberts beroemde liederencyclus Die schöne Müllerin. ‘Voor tien dansers en met live uitgevoerde muziek! Buitenkansje natuurlijk. Alleen: daardoor kan ik niet zelf dansen in Summa, want de tourneedata vallen voor een deel samen. Maar ik heb in Quentin Roger en Chiara Mezzadri twee prima en doorleefde dansers tot mijn beschikking.’

Hij beoogt een synthese tussen Pärts muziek en ‘kennis die in ons lichaam ligt opgeslagen’. En aldus een ‘summa’ van menselijke complexiteit te tonen.

Ontmoeting
Eén keer had hij een bijna-ontmoeting met de bijkans heilig verklaarde Arvo Pärt. Dat wil zeggen: een paar jaar terug heeft hij vanuit de verte van de Westerkerk in Amsterdam een glimp van hem mogen opvangen toen het Cello8ctet er ter ere van diens tachtigste verjaardag een concert gaf. ‘Je kon daar toen een speld horen vallen,’ toont Calixto zich nog altijd onder de indruk. ‘Wat voor type hij is? Mij is verteld dat hij iemand van weinig tot geen woorden is. Voor hem volstaat een blik in zijn ogen of een manier van bewegen, daarmee drukt hij uit wat hij bedoelt.’

kader
Cello Octet Amsterdam
In 1989 opgericht onder de naam Conjunto Ibérico door Elias Arizcuren. Cello8ctet Amsterdam is het enige vaste ensemble in deze samenstelling ter wereld. Er bestaat daarom maar weinig origineel repertoire voor hun bezetting. Het octet speelt dan ook vaak stukken die speciaal voor hen werden of worden geschreven, naast bewerkingen van bestaande stukken. Hun repertoire omvat meer dan 70 werken.

Het Cello Octet Amsterdam heeft dertien CD’s uitgebracht. De nieuwste CD Arvo Pärt bevat transcripties die de Est speciaal voor het octet schreef of bewerkte. De CD is medio oktober uitgekomen.

kader
Arvo Pärt
Arvo Pärt (1935) is geboren in Tallinn, Estland. Daar volgt hij een opleiding compositie aan het conservatorium. Hij experimenteert met verschillende compositiestijlen tot hij uitkomt bij een geheel eigen minimalistische klank, geïnspireerd op Gregoriaans gezang, meerstemmige zang uit de Renaissance en het geluid van klokken. Zelf noemt hij deze werken ‘tintinnabuli’ (Latijn voor klokjes).

Zijn bekendste werken zijn Spiegel im Spiegel, Für Alina, Tabula rasa, Cantus in memoriam Benjamin Britten, Fratres en Magnificat. Muziek van zijn hand werd gebruikt in films als onder meer Heaven, Gravity en Touching the void.

kader
Samir Calixto & Cello Octet Amsterdam: Summa.
Première: vrijdag 26 januari 2018, Holland Dance Festival, Korzo theater Den Haag. Aldaar ook op zaterdag 27 en zondag 28 januari 2018 met daaropvolgende landelijke tournee tot en met begin mei 2018.

Advertenties

‘Géén blackface’

Daria Bukvić regisseert Othello bij Het Nationale Theater

Ze maakte de tongen los met Nobody Home (vluchtelingenproblematiek) en Jihad (radicaliserende jongeren). In haar eerste regie bij Het Nationale Theater zet ze haar tanden in Othello. Daarin legt de succesvolle zwarte legeraanvoerder het aan met Desdemona, een mooie witte vrouw van notabele afkomst.

Wat wil je ons met ‘jouw’ Othello laten zien?
“Shakespeare schreef Othello vierhonderd jaar geleden, maar nog altijd is er bij de grote theatergezelschappen geen Othello te zien geweest die draait om wat hij erin beschreef: een zwarte man die succes heeft in een witte wereld. Vier eeuwen is de kerngedachte uit Shakespeare’s stuk moedwillig weggedrukt. Dat is bijna absurdistisch. Kennelijk wordt die inhoud als giftig beschouwd. Ik wil onze witte samenleving een spiegel voorhouden, maar ook de theaterwereld. Er zijn tot nu toe alleen maar schijnbewegingen gemaakt.”

Maakt het uit of Othello wit, zwart dan wel zwartgemaakt is, zoals dat veelvuldig is gebeurd?
“Natuurlijk! Shakespeare beschreef Othello als een Moor met een zwarte huid. Een witte acteur deze rol laten spelen met blackface kan écht niet meer. Maar ik vind een witte acteur die Othello speelt terwijl het racismedebat in ons land hoog oplaait sowieso een zwaktebod. Het is tijd voor Werner Kolf.”

Wat is het sleutelmoment, waar werk je naartoe?
“Dat kan ik nu, terwijl de repetities moeten beginnen, nog niet zeggen. Othello is een well-made play. Natuurlijk komen in de tragedie liefde, jaloezie, ambitie en wraak ook bij mij aan bod. Maar ik ben als regisseur niet zozeer geïnteresseerd in de intrige als wel in de maatschappelijke relevantie van dit stuk. Ik wil het publiek met een tollend hoofd naar buiten sturen.”

Daria Bukvić
… heeft sinds haar afstuderen in 2011 voorstellingen geregisseerd voor verschillende festivals en productiehuizen. In 2014 ging de eerste voorstelling van haar eigen stichting in première: Nobody Home. Daarin ging ze samen met drie acteurs en hun families op zoek naar de wortels van hun en haar eigen vluchtelingenbestaan in Nederland. De voorstelling werd geselecteerd voor het Nederlands Theaterfestival 2015 als een van de beste van dat seizoen. Vervolgens regisseerde ze de jongerenvoorstelling Jihad, over drie vrienden die zich niet meer thuis voelen in Nederland en vertrekken naar het Midden-Oosten om zich aan te sluiten bij jihadisten. In 2016 won ze de Amsterdamprijs voor de Kunst. Daria Bukvić is vanaf 2017 als regisseur aan Het Nationale Theater verbonden.

Othello. Met: Lotte Driessen, Sallie Harmsen, Claire Hordijk, Werner Kolf, Mark Lindeman, Rick Paul van Mulligen, Martijn Nieuwerf en Joris Smit.

Othello gaat in première op zaterdag 3 februari 2018 in de HNT Studio’s. Tournee door het land t/m zaterdag 31 maart 2018.

 

 

De ‘Benesh’-code

Mensen zonder applaus: Sandrine Leroy, choreologist

Beweging vastleggen. Op papier? Hoe dan? En waarom is dat nodig dan? Sandrine Leroy, choreologist: ‘De basis is ‘Benesh’’.

Op papier leg je muziek vast in het notenschrift. Maar dans? Arabesque, plié, cambré, balancé en tournant. Ritme, tempo, dynamiek? ‘Vroeger werden balletten door dansers en choreografen rechtstreeks in hun geheugen ‘opgeslagen,’ zegt Sandrine Leroy (45), sinds 2007 in dienst bij Het Nationale Ballet. ‘De passen en bewegingen vertelden ze aan elkaar door. Het is maar zeer de vraag hoe betrouwbaar dat is geweest. Belangrijker: op den duur gingen balletten voor eeuwig teloor.’

Het ‘tovermiddel’ heet ‘Benesh’, codetaal op schrift voor dans. Dan Brown verbleekt er bijkans bij. Illustere grondlegger van het notatiesysteem is mathematicus, boekhouder en beeldend kunstenaar Rudolf Benesh, die het rond de jaren vijftig van de vorige eeuw ontwikkelde. Met kennis van de Benesh-code kraak je sindsdien de bewegingen die een choreograaf bedoelde, en ben je in staat die nauwgezet over te brengen ongeacht of het om een solo, duet of groepsdeel gaat.

Benesh? Huh? Een raamwerk dat grofweg het midden houdt tussen iets dat stenografie lijkt en het notenschrift voor muziek. Boogjes, kringeltjes. Dichte en open rondjes. Accolades. Verticale en horizontale balkjes. Waar noten en vlaggen de musicus vertellen wat te doen, geven Benesh-tekentjes aan hoe te bewegen. Een solist of een groep dansers die unisono dezelfde bewegingen uitvoeren hebben hun eigen ‘danspartituur’, bijna zoals, zo legt Leroy uit, in een orkest de violen, de cello’s en de klarinetten ieder een eigen partituur hebben.

In Nederland zijn Sandrine Leroy en haar collega Judy Maelor-Thomas de enigen die de Benesh-notatie ‘spreken’. ‘Natuurlijk, de camera is een prachtuitvinding. In tijdnood val ik ook wel eens terug op videoregistraties. Maar een camera kan niet alles vangen. Als het te donker is op het podium bijvoorbeeld, of bij een beweging die vanaf de coulissen wordt ingezet.’

Bijkomend probleem: video is eendimensionaal, toont slechts één zijde. Er zijn minimaal drie camera’s, drie verschillende camerastandpunten nodig voor een adequate verslaglegging. Voorbeeld? ‘Als een danser schrik, angst moet uitbeelden. Op zo’n moment trek je in het echt het middenrif vanzelf wat in. Zie dat maar eens in één shot vast te leggen. Met ‘Benesh’ schrijf je dat op met een enkel teken.’

‘Benesh’ is gedetailleerder, en een objectieve, bijna wetenschappelijke methode. ‘Benesh is de basis,’ zegt Leroy, wijzend naar de authentieke aantekeningen van Sir Peter Wright voor The Sleeping Beauty: drie volle ordners.

In ‘Benesh’ kunnen alle (on)denkbare bewegingen op papier worden vastgelegd. Zelfs rekwisieten kunnen in de notatie opgenomen worden. En dat alles ter grootte van een notenbalk bijeengebracht, handig want daardoor kan die nauwsluitend de muziek volgen.

‘De vijf horizontale lijnen corresponderen met de belangrijkste lichaamsdelen: hoofd, schouders, heup, knieën en voeten,’ legt Leroy uit. Een horizontaal streepje onder de onderste lijn betekent dat de danser op de hele voet staat. Daar weer een verticaal streepje bovenop staat voor ‘demi-pointes’, balletschoenen met een soepele zool.

‘Bewegingen van bijvoorbeeld ellebogen en handen worden apart aangeduid en gaan vergezeld van een cijfer dat de corresponderende beweging van gewricht of lichaamsonderdeel moet maken.’

Studie
Leroy volgde een klassieke dansopleiding. Ze danste bij een professioneel gezelschap in Frankrijk: ‘Geen grootse carrière. Wel voelde ik aldoor de behoefte om dichter in de buurt te komen van beroemde choreografen, dan zou ik van dichtbij getuige kunnen zijn van grootse creaties,’ zo motiveert ze de studiekeuze voor ‘Benesh’.

Vier studiejaren wijdde ze daarna aan ‘Benesh’, op de gespecialiseerde parttime-opleiding aan het Conservatoire National Supérieur de Musique et de Danse de Paris, in 2005 met goed gevolg afgesloten. ‘Eerst de theorie natuurlijk, dan zelf schrijven en vervolgens veel oefenen. Al helpt het natuurlijk wel dat je professioneel hebt gedanst.’

Congres
Afgelopen zomer was er in Frankrijk een congres van choreologisten voor dans, georganiseerd door het in 1962 in Londen opgerichte en aldaar gevestigde Benesh Institute. ‘Je ziet dan ie-der-een die ‘Benesh’ kent. Het is belangrijk om ervaringen te delen en de eenheid van de notatie te bewaken.’

Het is de laatste jaren trouwens eenvoudiger geworden kennis te verwerven. ‘Dankzij internet is er nu een Benesh-encyclopedie. Dat helpt enorm. Al is het nog steeds tijdrovend om de vluchtige aantekeningen van de repetities uit te werken. En daarna nog de correcties die de choreograaf later in zijn choreografie aanbrengt.’

Op dit moment heeft ze alle notaties van de balletten die Het Nationale Ballet op het repertoire heeft, netjes in een enveloppensysteem en veilig opgeborgen in een brandvrije kluis. ‘Beter zou zijn om alles te digitaliseren.’ Wijzend op de brandkast: ‘Maar voorlopig is dit het heiligdom. Er gaat hier geen origineel de deur uit, ikzelf werk altijd met kopieën.’

kader:
Notatiesystemen
De oude Egyptenaren waren tot op zekere hoogte in staat beweging uit te drukken met behulp van hiërogliefen. Het allereerste ‘moderne’ notatiesysteem verscheen rond 1460 in Spanje. Letters symboliseerden er bewegingen.

Het Benesh-notatiesysteem werd in Nederland rond 1960 geïntroduceerd bij Het Nationale Ballet dankzij het pionierswerk van balletmeester Margot van Wilgenburg. Na haar werd ‘Benesh’ of choreologie ter hand genomen door de Engelse Wendy Vincent Smith.

Naast ‘Benesh’ zijn het Eshkol- en Wachmann-systeem en de Labanotatie ‘concurrerrende’ notatiesystemen.

kader:
Dans is topsport, voor én achter de schermen. In ‘Mensen zonder applaus’ deze keer aandacht voor de choreologist.

Zoek jezelf

Drie ouwelijke Indische zussen die onafscheidelijk samenwonen in een afbladderende serviceflat. ‘Gouwe Pinda’s’ is een tragikomisch portret – en het terechte vervolg op ‘Ouwe Pinda’s’.

Van die zonovergoten dagen waar je nu, rond herfstig november, waarschijnlijk met flinke weemoed terugkijkt. ¡Fawaka? Sranantongo voor: Hoe gaat het? Het is de welkomstgroet van uitspanning De Waterkant. De keuze spreekt boekdelen, want een tropisch ogend stukje aan het Amsterdamse grachtenstelsel. Net als in Paramaribo – aldaar aan de Surinamerivier, maar ook in het stadscentrum.

Bodil de la Parra (Surinaams/Indisch) is met Nadja Hüpscher (Nederlands/Indisch) en Esther Scheldwacht (Indisch/Indisch) aangeschoven voor een gesprek. Drie actrices aan tafel. Drie cola’s light op tafel. En zes donkerbruine ogen, waarvan er twee achter al dan niet gepolariseerde zonneglazen verborgen blijven. Ook: drie gebronsde lijven en eenzelfde getint & gezond goudgebruind gelaat. Wat hen bindt? Hun families kwamen in de jaren vijftig van Indonesië over naar Holland.

In Ouwe Pinda’s haalden De la Parra en Hüpscher, bijgestaan door Kees van der Vooren en onder regie van Paul Knieriem, familieverhalen en tropische herinneringen op, tastend naar hun Indische wortels. Voor Gouwe Pinda’s wordt de plaats van Van der Vooren ingenomen door Esther Scheldwacht. “Ik ken haar als actrice al 25 jaar. Toen Nadja en ik haar in Hoe mooi alles zagen...” zegt Bodil de la Parra, “zeiden we meteen tegen elkaar dat we met haar móesten spelen,” vult Nadja Hupscher aan. “En ik,” zegt Esther Scheldwacht, “vond dat meteen te gek.”

Tropische cocon
Waar in Ouwe Pinda’s veelal in Indisch accent sketchenderwijs verhalen werden uitgewisseld, zoals over moeders die op blote voeten door de sneeuw liepen en zich verbaasden over het bevroren wasgoed dat aanvoelde als ‘krokante kroepoek’, rijst in Gouwe Pinda’s een meer tragikomisch beeld op.

Centraal staan de drie grijzende Indische zussenl Nonni (79), Son (71) en Titi (75). Met ieder hun ingesleten onhebbelijkheden leven ze onafscheidelijk in een serviceflatje. Maar toch ook in een haat-liefdegreep. Nonni (Bodil) komt al jaren niet buiten: ‘Likdoorns, vandaar’; Son (Nadja) is ziekelijk afhankelijk van haar zussen: ‘Maar morgen ga ik op linedancing’; terwijl Titi (Esther) op het punt van trouwen staat met André: ‘Maar dan moet eerst zijn vrouw nog overlijden’.

In hun tropische cocon duikt een boek op met jeugdfoto’s uit Nederlands-Indië. “En dan moet het verleden op de schop, komen onderlinge verhoudingen op scherp te staan,” zegt tekstschrijfster Bodil de la Parra, die heeft ‘geput uit eigen Indo-expertise maar ook uit familieverhalen van Esther en Nadja.’

Hüpscher wijst als inspiratiebron ook op de radiodocumentaire Foto zoekt Familie waarin zeven families hun verdwenen fotoalbums uit Indië onder ogen kregen. ‘Bij papa op schoot, die sfeer.’

Maar ook schokkend, want: ‘Foto’s uit eigen jeugd die geen van allen zich wist te herinneren.’ ‘Dat is het verborgen verleden zoals dat voorkomt in veel families met een Indische achtergrond,’ weet Esther. ‘Een beladen geschiedenis dáár’, gaat Bodil verder, ‘maar hier óók. Zo herinnert mijn moeder zich niets van de periode tussen haar twaalfde en achttiende. Precies de tijd na de ‘overstap’ naar Nederland. Alles lijkt uit haar geheugen gewist.’ ‘Maar,’zegt Esther, “het draait niet puur om Indische kwesties of gebruiken. Het is belangrijk dat de voorstelling een universele onderlaag krijgt.’

Schuld
De voorbije maanden is er groeiende aandacht opgelaaid voor Neerlands koloniale verleden. Bodil: ‘Nederland heeft zeker een schuld te vereffenen.’ Verder moet volgens haar iedereen die de rijkdom van een gedeelde culturele achtergrond kent, zelf maar bepalen wat ermee te doen.

De drie zijn het er roerend over eens dat het koloniale verleden een ingewikkelde kwestie is, dat blijkt alleen al uit hun eigen uiteenlopende achtergrond. “Die ene keer dat ik op Java en Bali was, heb ik mijn Chinese wortels ontdekt.” Bodil, lachend: “Ik ben dus een stevige Hollandse boerin-Chinees.”

Makan makan
Samen eten, dat is een bindmiddel. Eetgewoonten vertellen veel over een cultuur. ‘Er wordt in de voorstelling figuurlijk aldoor gekookt,’ zegt Bodil. ‘Nonni kookt de godganse dag, zonder is er haar bestaan betekenisloos, zo meent ze. Nadja, proestend: ‘Ze heeft vast te weinig moedermelk gehad!’ ‘Titi eet graag in haar eentje. En ze houdt van afhaalmaaltijden’ schetst Esther blijmoedig háár personage.

Op tournee kunnen we de beste toko’s en Indische restaurants langs, juichen ze. Al blijft voor Bodil de keuken van tante Yulita bij voorbaat favoriet. ‘Bij ons wordt helaas nooit uitgebreid gekokkereld in familieverband,” zegt Nadja. ‘En eerlijk is eerlijk: ikzelf ben van de patatgeneratie.’

‘Soeboer in Den Haag, mijn woonplaats,’ geeft Esther op als haar favoriete eettent. ‘In de hofstad zijn we verwend natuurlijk. Al mis ik een strandtent waar je lekker Indisch kunt eten.”

De anderen zijn aangestoken. Ze lacht: ‘Moet ik er dan zelf een beginnen? Wij samen dan? Oké, dan noemen we die Plan plan!’ Indonesisch voor ‘rustig aan’. Maar toch: De ogen glinsteren al.

Bodil de la Parra
Geboortegrond: Amsterdam
Broodje bakkeljauw

Nadja Hupscher
Geboortegrond: Nijmegen
Geen bestelling gedaan

Esther Scheldwacht
Geboortegrond: Den Haag
Pasteitje Bakkeljauw.

Tournee van tot en met 27 januari 2018. Meer informatie: rudolphiproducties.nl.

Júúlius, binnenspelen!

Theater in de openlucht: Julius Caesar

Hoe prop je een buitenluchtspektakel in het dwingende kader van de toneellijst? En hoe plaats je een politiek steekspel uit het jaar nul over naar de theaterzaal anno 21e eeuw? De achterkant van het theaterbedrijf met Orkater’s Julius Caesar. Wat als je een heel loofbomenbos het toneel in moet loodsen?

Wat is de zoetste dood, zo werd hem tijdens een diner onder vrienden gevraagd. Zijn antwoord: De dood die zonder waarschuwing komt. Orkater laat met Julius Caesar muziek, taal en beeld samensmelten tot een voorstelling die haarfijn blootlegt hoe kleine mensen in staat zijn tot onvermoede daden. Met onafzienbare gevolgen.

Het Amsterdamse Bos meet 935 Wiki-hectares en is in de zomermaanden al ruim 25 achtereenvolgende jaren het decor voor een theaterfeest. Het openluchttheater aan de zuidwestrand van Amsterdam geurt naar vers geknipt grasland en fris regengeklater na niet eens zo’n warme zomerdag.

Verscholen achter een ruime blokhut en zomerzwanger loofbomengebladerte plus het nodige aan struikgewas, glimt daar het openluchttheater. Het Bostheater, groot gemaakt door de in 2014 teruggetreden artistiek leider Frances Sanders. Dit en de komende drie jaar geeft de programmering een samenwerking weer van Stadsschouwburg Amsterdam en het Bostheater.

Beide kunstinstellingen hebben gekozen voor vaste bespelers van de stadsschouwburg: dit jaar Orkater; in de komende jaren het Noord Nederlands Toneel, De Warme Winkel en Toneelgroep Oostpool. Orkater bijt het spits af met Shakespeare’s Julius Caesar In een regie van Michiel de Regt.

Poncho
Bij aankomst in het Bostheater, geruime tijd vóór aanvang voorstelling, is er alwéér een plensbui te verstouwen. Poncho-time. Bezoekers beschermen hun meegenomen voluptueus volgestouwde picknickmanden met plastic hoezen, schroefdoppen worden haastig op wijnfleshalzen teruggedraaid.

Zodra het dan weer droog geworden is, krijgen de nog weinige bezoekers een choreografie opgediend door bekwame technici die met droogtrekkers de speelvloer (zwarte vloerpanelen, een viertal witte loopbanen dat elkaar kruist rond een centraal opgestelde vierkantige, witte verhoging) van het kleurloze levenselixer bevrijden.

Kan niet anders of dat alles is verwoestend voor de staat van het toneelbeeld, dat bestaat uit een oversized witte voet, idem hand, en twee ‘eilanden’ met tarpen erboven. ‘Inwerking van zonuren, temperatuurverschillen tussen dag en nacht en vele regenbuien hebben ons de afgelopen tweeënhalve maand geteisterd,’zegt Steven Raapis Dingman, Orkater’s eerste inspiciënt, over de toneelschikking, ‘zozeer dat het nog maar de vraag is wat we er straks op tournee van kunnen inzetten.’

Backstage
Ondertussen prepareert Patrick Votrian van koperkwintet K.O. Brass! in een van de twee backstage opgestelde portocabins zijn tuba (‘zeg maar sousafoon’) met kwaliteitsventielvet, blaast Randall Heye met verve leven in zijn trompet. En dan komt daar Charlie-Chan Dagelet aangelopen. Zij speelt intrigant Cassius en Portia, echtgenote van Brutus, een interessante dubbelrol. ‘Inderdaad, een man én een vrouw in mij verenigd. Leuk toch? In de tijd van Shakespeare werden alle rollen allen door mannen gespeeld. Maar hier zijn het vrouwen van vlees en bloed.’

Ze beschouwt het Amsterdamse Bos bijna als een sprookjesbos. ‘Het is geweldig om hier te spelen, de sfeer, de mensen, het team, het stuk. Maar het is niet eenvoudig spelen. De personages staan vaak ver uit elkaar op de vloer. De locatie is wel erg weids en het publiek zit veraf en wijd uiteen. Dat maakt het lastig om te focussen. Want op wie richt je je?’

Bloedfontein
De zittribunes – onoverdekte houten plankieren, maar zitkussens zijn gratis voorradig – lopen ondertussen aardig vol. Plots: boem, paukenslag. Weer onweer? Neen, live muziek! Caesar stormt de vloer op: ‘Calpurnia, Calpurnia!’

Verderop in het stuk legt Caesars echtgenote hem uit dat de sterren niet gunstig staan voor een vertrek naar de senaat. Enkele scènes daarna komt het volbloed drama rond staatsman en veldheer Julius Caesar en samenzweerders Cassius en Brutus met de moord op de titelfiguur tot een hoogtepunt, hier onder meer culminerend in een beeldbepalende spuitende bloedfontein.

Weids
Het enorme speelvlak van het openluchttheater creëert een bijna onuitputtelijke scala aan mogelijkheden voor spectaculair openluchttheater. De gehele speelvloer als ook de omlijstende randen (het bos!) worden daarbij gretig bespeeld. Het speelvlak van het amfitheater meet 28 bij 30 meter.

‘In ons geval 28 bij 40 meter,’ corrigeert regisseur Michiel de Regt, als ik hem later door de telefoon spreek. “Want de catwalk die de tribunes in loopt, die nemen we ook mee op tournee.’Hij bevestigt de staat waarin de decorelementen in het bos verkeren. ‘We gaan de basiselementen nabouwen. De spullen hebben veel te lijden gehad, zijn opgebruikt.’

Maar ook wijkt de maatvoering van het Bostheater erg af van het beschikbare ruimtebestek in de theaterzalen. ‘We moeten voor het toneelbeeld een nieuwe balans zien te vinden. De manshoge hand en voet moeten wellicht kleiner, en tarpen zijn in de theaterzaal niet nodig. Ook moeten de posities voor opkomsten en afgangen opnieuw bepaald worden. Daardoor verandert de timing voor veel spelers.’

In feite verandert de gehele mise-en-scène. ‘We kunnen sowieso de weidsheid van bomen en bos natuurlijk niet op onze reis in een truck door Nederland meenemen,’ bevestigt De Regt met gevoel voor understatement. ‘Een weidse zee van wel tien meter ruimte tussen twee personages die een dialoog voeren, dat kan straks echt niet. Die ruimte is er in de zaal niet. Ook denken we nog na over de fontein. Het bassin past niet in alle theaterzalen.’

De akoestische balans wijzigt eveneens. ‘In de buitenruimte is geluidsversterking nodig, voor de muziek maar ook voor de stemmen van de spelers. De vraag is of dat met koperblazers ook nodig is in de zaal.’ Daarenboven zijn speltechnisch veel verschillen, en niet alleen stemtechnisch van aard: ‘Van het grote gebaar naar meer ingetogen spel, met meer ruimte voor nuances.’

Gender
Zo wordt Julius Caesar voor een belangrijk deel een andere voorstelling. Het komt er op neer dat een geheel nieuwe regie wordt bepaald voor de tourneeversie. ‘En dan in een enkele montageweek inclusief de repetities’, legt De Regt uit. Daarenboven worden de rollen van Charlie-Chan straks ingenomen door vast Lars Doberman-lid Reinout Scholten van Aschat. ‘Hij werd op het laatste moment gecast voor een Italiaanse speelfilm en besloot die te gaan draaien. Toen is Charlie-Chan voor Reinout in de plaats gekomen. Zij doet in het najaar echter weer mee met een andere productie, Reinout is dan klaar met de film en gaat alsnog de rollen van Cassius en Portia spelen.’

Hoe hij dat gaat aanpakken? ‘Reinout zal de video-opnamen gaan bestuderen. Er is al een rijke voedingsbodem voor hem klaargelegd natuurlijk, net als voor ieder van de cast trouwens. In grote lijnen kan hij dus voortborduren op wat Charlie-Chan op de mat heeft gelegd.’

Maar, zegt hij, ‘uiteraard en onvermijdelijk zal hij zijn eigen invulling aan de rollen geven.’ ‘Grappig hè’, reageert Dagelet. ‘Net als ik speelt Reinout straks een man én een vrouw. Ik ben benieuwd hoe die rollen en het stuk er dan uitzien.’

Een geselende zon, striemende regen en rukwinden, die zijn er straks niet. En geen overvliegende Jumbo jets. ‘Al vond ik de weersomstandigheden zelden van negatieve aard,’ zegt De Regt.’ De regen leverde ook vaak mooi beelden op. Maar die vliegtuigen zal ik niet heel erg missen.’

kader:
Caesar
Gaius Julius Caesar veroverde als gouverneur van Gallië het merendeel van Frankrijk, België en Engeland. In 49 ontketende hij een burgeroorlog door met zijn leger de Italiaanse grensrivier de Rubico over te steken (‘de teerling is geworpen’).

Na de overwinning op zijn rivaal Pompeius en een korte veldtocht in Klein-Azië (‘Ik kwam, ik zag, ik overwon’) werd hij dictator voor het leven. Op de Idus (15e dag) van maart 44 werd hij door bezorgde republikeinen onder leiding van zijn vriend Brutus ( ‘Ook gij, Brutus?’) vermoord. Een nieuwe burgeroorlog is het gevolg.

Shakespeare
Shakespeares politieke thriller en psychologisch drama diende onder meer als leerstof voor zijn treurspel Hamlet. Volgens Shakespeare-kenners weerspiegelt het de toenmalige algemeen gevoelde ongerustheid in Engeland over de troonopvolging.

Als voornaamste bron voor Julius Caesar maakte Shakespeare waarschijnlijk gebruik van de in 1579 verschenen Engelse vertaling van Plutarchus Bioi paralleloi (“Parallelle Levens”) (1e eeuw), een serie biografieën van beroemde Grieken en Romeinen wier morele deugden en waarden hij prees.

kader:
De Regt
Regisseur Michiel de Regt (1980) ontving in 2007 de Ton Lutz Prijs voor beste regiedebuut (Pontiac Hotel). Van 2009 tot 2016 was hij als vaste maker verbonden aan Toneelschuur Producties: Antigone, Wreed en Teder en Wachten op de Barbaren. Bij Orkater regisseerde De Regt naast 237 redenen voor seks en Lutine ook de grotezaalproducties Op de Bodem en Distel.

De Regt is veelzijdig: hij regisseert op uiteenlopende plekken (theaterzaal, Oerol, Lowlands, Boulevard), speelde in enkele producties, zette stappen als choreograaf en hij schrijft, bewerkt en vertaalt toneelteksten. Ook was hij actief als speldocent.

‘Hoogmoedig durven zijn’

Eline Arbo regisseert Goethe bij Toneelschuur Producties

Gezeten aan zijn schrijftafel schiet Werther zich een kogel door de kop. ‘Het slaat twaalf uur! Zo zij het dan! Lotte, Lotte, vaarwel, vaarwel,’ zo eindigde Goethe het fictieve dagboek van zijn dweepzieke personage. In Het lijden van de jonge Werther koestert een jongeman een allesverzengende verliefdheid voor een voor hem onbereikbaar adellijk meisje. Zij wees zijn avances af omdat zij haar hart eeuwigdurend aan een ander heeft verpand.

Aanleiding tot de roman was voor Goethe het bericht dat Jerusalem, een jongeman die hij in Wetzlar (Duitsland, Hessen) had leren kennen, zelfmoord had gepleegd. Want diens liefde voor de vrouw van een vriend was onbeantwoord gebleven. Goethe herinnerde zich zijn eigen onbeantwoorde liefde voor Charlotte Buff en verwerkte die marteling in de genoemde roman die hij in het razende tempo van vier weken tijd, nog maar 25 jaar, aan het papier toevertrouwde. Overigens zonder zich daarbij aan te letterlijke feiten te houden.

Goethes debuutroman Het lijden van de jonge Werther werd na publicatie in 1774 te midden van de ‘Sturm und Drang’-periode direct een ongekend succes. Onder jongvolwassenen liep die zelfs uit op een heuse ‘Werther-Fieber’. Navolgers staken zich in de Werther-look: een blauwe rokjas met een geel vest en gele broek.

Goethe’s populair geworden beeltenis verscheen op serviezen en souvenirs. En jonge mannen maakten zich, net als hun held Werther, uit wanhoop van een onbeantwoorde liefde theatraal van kant. Een ware zelfmoordgolf raasde over Europa.

Romantiek, standsverschil, doodsverlangen, terug naar de natuur, ascese, Weltschmerz – en vooral die ‘Sturm und Drang’. Regisseur Eline Arbo – ze studeerde vorige zomer af, debuteert bij Toneelschuur Producties – ziet in de roman een aanklacht tegen het systeem van de Verlichting, dat ook in die tijd al leidend was. Hoofdpersoon Werther stelt zich in haar ogen teweer tegen de kille maatschappij die louter de rede centraal stelde. Ze legt een parallel met het hier en nu:

‘Onze ouders en voorouders hebben een paar stevige fouten gemaakt in de opbouw van deze neo-liberalistische samenleving. Ze hebben getracht alles in statistiek en economie te vatten, met als resultaat een kille maatschappij die zijn eigen aarde en mensen verwaarloost voor een paar centen meer.” Als het aan Arbo ligt begint de verandering bij haar generatie.

‘Wij zitten gevangen in het systeem van onze ouders en zijn zoekende naar een nieuwe vorm van samenleven. De valkuil in die zoektocht is apathie. Je kunt gemakkelijk denken: het heeft allemaal geen zin. Maar we moeten wakker worden en hoogmoedig durven zijn. Je móet geloven dat je de wereld wel degelijk kunt veranderen. De kracht uit hoogmoed verandert uiteindelijk de wereld.’

Ze stelt haar vizier graag nog wat scherper: ‘Kan idealisme bestaan zonder fundamentalisme? Dat vraag ik me steeds vaker af.’ Prikkelend.

Toneelschuur Producties: Het lijden van de jonge Werther. Met: Diewertje Dir, Victor IJdens en Sander Plukaard. In Toneelschuur Haarlem van donderdag 21 t/m zaterdag 23 september 2017 en op tournee van woensdag 27 september t/m donderdag 19 oktober 2017. Meer informatie: toneelschuurproducties.nl.

 

Wat te zeggen als het einde in zicht is?

Het Zuidelijk Toneel en A Two Dogs Company: Conversations (at the end of the World)

Kris Verdonck behoort tot de top van internationaal opererende theatermakers. Hij integreert theater, video, beeldende kunst tot een performance. Met Conversations (at the end of the world) neemt hij, opnieuw, werk van Daniil Charms ter hand. Een vraaggesprek.

Kunt u mij een beschrijving geven van wat u ziet op de foto bij de voorstelling?
‘Ik zie een huis op een berg in een woestijnachtig landschap. Een huis in wankel evenwicht, op het punt van neerstorten. Een angstaanjagend beeld wat mij betreft. Het is een foto uit een land in Zuid-Amerika. Op die plaats lagen vroeger sneeuw en ijs metershoog. Als je de foto goed bekijkt zie je de kabel van de skilift.?!’

Jazeker! Maar wat zegt die majestueuze foto over de voorstelling die u gaat maken?
‘Onze wereld vult zich steeds meer met situaties die een mogelijk einde afkondigen: oorlogen, smeulende conflicten, geopolitieke spanningen. Er is terreur met wortels in fenomenen waar we als samenleving maar geen antwoord op lijken te vinden. Er gaat uitbuiting en agressie uit van een economisch systeem waarvan we niet weten hoe het te bestrijden is. In Conversations (at the end of the world) zien we hoe vijf figuren omgaan met het moment dat de ondergang zich laat aankondigen.’

Het werk van de Russische absurdist Charms is opnieuw uw inspiratiebron?
‘Het is inderdaad begonnen bij Daniil Charms en de avant-gardistische groep rond hem: de Oeberioeten, intellectuelen die ondergrondse salons hielden in het Rusland van tussen de beide wereldoorlogen. Vrijwel allemaal zijn ze omgebracht of omgekomen onder het Stalinistische bewind. Charms stierf, uitgehongerd, in een tehuis voor gestoorden. Uit een nieuwe publicatie van dialogen tussen Oeberioeten komt het beeld naar voren dat ze toch kunst maakten, terwijl ze donders goed wisten dat voor ieder van hen het einde der tijden nakende was. Niettemin was hun kijk op het leven, neergelegd in de genoemde dialogen, er een die in vrolijke, zoetzure dialogen was gesteld. Gitzwarte humor. En dat in een interessant tijdsgewricht met de industrialisering die in alle uithoeken begint door te dringen, en de wereld de drempel over gaat naar globalisering van economie en cultuur. Daar zitten we met z’n allen nu nog in.’

Wat zien we straks op het podium van al die gedachten rond uw voorstelling terug?
‘Je ziet vier acteurs: José Kuijpers, Jan Steen, Johan Leysen en Jeroen Van der Ven. Gaandeweg raken de acteurs onder 160 kubieke meter zwarte sneeuw bedolven, levend begraven, maar spreken nog. Een sprekend landschap. Hun eigen einde der tijden. Apocalyptisch. Wat zullen hun laatste woorden zijn? Weet u, zeventig procent van de mensen sterft in serene stilte. Hollywood maakt ons wijs dat de dood een veldslag van wapengekletter is. De vermaarde Italiaanse concertpianist Marino Formenti zorgt voor muzikale begeleiding. En in de voorstelling zijn getuigenissen van inwoners van Aleppo verwerkt.’

U beroept zich op ongepubliceerde dialogen van de Oeberioeten. Hoe komt u er aan?
‘Ik ken de vertaler van Charms’ werk van de tijd dat ik H, an Incident maakte. Daarin voerde ik naast acteurs een robotorkest op. Ik ben bekend met enkele van de dialogen uit een voorpublicatie die hij mij ter hand heeft gesteld.’

Uw werk sterkt zich uit van performance en bewegende beeldende kunst tot (muziek)theater. Is het lijsttoneel de juiste habitat voor uw werk?
‘Ik hou van het theaterframe. Daar ontstaat betekenis, daar krijgt de tijd die gezamenlijk doorstaan wordt een bepaalde lading. Het theater biedt de mogelijkheid op gedeelde belevenissen tussen mensen.’

kader
Paspoort Kris Verdonck
Kris Verdonck beweegt zich tussen beeldende kunst, architectuur en theater, tussen installatie en performance, en tussen dans en architectuur. Het werk van Kris Verdonck doet pogingen het onzegbare te zeggen, het kruipt onder je huid, het vraagt iets van je en het laat nooit onberoerd.

Verdonck presenteert vaak combinaties van installaties en performances, die hij ‘parcoursvoorstellingen’ noemt. Bekende parcours zijn VARIATIES en ACTOR #1.
In Nederland werkte Verdonck onder meer samen met ICK Amsterdam, het dansplatform van Emio Greco en Pieter C. Scholten, in I/II/III/IIII. A Two Dogs Company is het vaste voertuig van Verdonk. Hij werkt voor het eerst samen met Het Zuidelijk Toneel.

kader
Charms (1905-1942)
Daniil Charms wordt beschouwd als een van Ruslands grootste absurdistische schrijvers en dichters. Zijn naam past in het rijtje van Gogol, Dostojevski en Tsjechov – maar misschien nog meer in dat van Ionesco, Beckett en Van Ostaijen. Als auteur kwam hij met kinderversjes aan de kost. Zijn grote kracht ligt in het beeld dat hij geeft in de ongerijmdheid van het leven en in de grillige spelingen van het lot. Hij doet dat door vaak een lege wereld te schetsen waarin geweld en verlies van identiteit overheersen.

Charms werd in 1941 gearresteerd en kwam in gevangenschap om. Tijdens zijn leven werd nauwelijks werk van hem gepubliceerd. Na Charms’ dood vond zijn vriend Jakov Droeskin manuscripten in het huis van Charms. Daardoor is veel ervan voor de wereld bewaard gebleven.

In de jaren tachtig werd hij ook in Nederland beroemd met het werk Elizaveta Bam. Charms veroverde de wereld na de ‘glasnost’ van eind jaren tachtig. Inmiddels zijn er vele films en toneelstukken gewijd aan zijn werk.

Het Zuidelijk Toneel / A Two Dogs Company: Conversations (at the end of the World). Première: dinsdag 19 september 2017, Theaters Tilburg Tournee door Nederland en België.