Voor het zingen de kerk uit

Toneelgroep De Appel speelt Decamerone

De apotheose, even onvergetelijk als monumentaal: koningin Restituta sterft aan acute nymfomanie. Net daarvoor nog was ze statig en met pontificale pracht en praal, languit liggend op een draagbaar binnengebracht. Had ze krols en vol ongeduld bevolen: ‘In mij! Ín mij, hoor je! Ik eis het!’. Een ‘ora et labora’.

Maar de bisschop van Rouen moest passen, uit kennelijk onvermogen. Vijfentwintig jaar jonger (een glansrol van Marguerite de Brauw) had ze zich ook al eens moeten verlustigen aan de leuning van haar troon, toen een van haar dienders niet thuisgaf.
Het slotakkoord van ‘Decamerone’ heet bij Toneelgroep De Appel ‘De afwijzing’, en speelt zich af in een vanbinnen onttakelde kerk, pal naast het Appeltheater.  Maar het is, in alles, meteen ook het afscheid van Geert de Jong, ook een monument, die na meer dan veertig jaar bij de groep afzwaait. ‘De afwijzing’ is ook het klapstuk van een avond die in vijf delen wordt opgediend, die nu eens overloopt van absurdistisch jolijt, dan weer van kluchtige onderbroekenlol en soms van uiteenlopende soorten van sadistische genoegens.

Het gaat hier om de vertellingen uit de Decamerone van Boccaccio. In zijn ‘boek der tien dagen’ voeren leven, liefde, lust, list en bedrog de boventoon. Het zijn verhalen die door hem werden opgetekend toen de aristrocratie zich ver buiten de eigen stadspoorten vermeide toen in Florence de pest was uitgebroken. De in de veertiende eeuw opgetekende verhalen zijn kostelijk en smeuiig; ze vergunnen ons bovendien een stiekeme blik in de Italiaanse volksaard en ziel, juist op het moment dat in dat land het pad van de Renaissance werd betreden. Het moment ook dat de clerus na eeuwen van heerschappij voor het eerst het nakijken had.

Van de vijf Decamerone-verhalen die De Appel opdist, krijgt het publiek er op één avond vier voorgeschoteld. De eenakters concentreren zich op vertellingen die de tweede en de vierde dag onder de hovelingen de ronde deden: De bedrieger, Het hart, Het hoofd, Het lijk en dus De afwijzing. Twee van de opgediende vier verhalen waren niet aan mij besteed, wisten uiteindelijk te weinig te boeien, te meer omdat er een climax of pointe aan ontbreekt.

Maar dan is daar halverwege opeens Het hart. En blijkt het gekozen toneelbeeld (hier een moderne design living, halfopen keuken, hockeysticks en iPhone aan de muur) top, en weet dit stuk wél door te dringen. Marguerite de Brauw (opnieuw) speelt er een femme fatale die, onwetend, het hart van haar minnaar als galgenmaal krijgt voorgeschoteld , dat eerst schrokkend verorbert – en daarna kotsend uitspuugt als ze doorkrijgt wat ze at.

De avond wordt zoals gezegd afgesloten met het eerdergenoemde De afwijzing. Exuberant ogende maar toch stijlvolle, strakke kostuums stuwen de acteurs , tot een overtuigende finale. Vilein gespeeld, met veel gevoel voor humor en pathetiek gebracht. Zo is De afwijzing het beste van Boccaccio en De Appel in één.

De appel valt niet ver van de boom. Op de keper beschouwd is de Decamerone van Toneelgroep De Appel deels een herhaling van zetten. Want op de kop af drie jaar geleden bracht regisseur Arie de Mol een bloemlezing van precies dezelfde vijf verhalen bij diens voormalige acteursensemble Toneelgroep Maastricht, toen in een kasteelboerderij. Het Appeltheater is als locatie van een andere orde, al gaat het ook hier om geheiligde grond en muren die een roemrijk verleden ademen. Zoals bekend verkeert De Appel in doodsnood. Zo ziet dat er dus uit: spelen alsof je leven ervan afhangt. Letterlijk. De oproep van acteur Iwan Walhain na het slotapplaus in de kerk kreeg dan ook veel bijval.

Recensie # 2: voor Scènes:

Lust en bedrog bij Toneelgroep De Appel

ORA ET LABORA

Het heet een raamvertelling: tien vrouwen en mannen ontvluchten rond 1350 de stad Florence vanwege een pestepidemie. Tien dagen verblijven ze met elkaar in een villa in de heuvels. Ze doden de tijd met eten, drinken en… verhalen vertellen bij een knapperend kampvuurtje.

Bij elkaar honderd verhalen, die wat je zegt uit het leven zijn gegrepen; over leven liefde lust, list en bedrog. Boccaccio tekende ze op in tussen 1350 en 1360, in een tijd dat Italie als eenheid nog niet bestond, maar wel werd geteisterd door oorlog en hongersnood. Ze lijken recht uit het hart verteld, en zijn zo ook opgetekend. Boccaccio’s vertellingen werpen daardoor een interessante blik op de Italiaanse ziel, juist in een tijd dat de kerk het moest afleggen tegen de opkomende Renaissance.

Zijn ‘boek der tien dagen’ vormt de basis voor een avondvullend Appel-gerecht dat regisseur Arie de Mol opdient bij het Scheveningse gezelschap. Het ensemble leeft momenteel ergens tussen leven en dood, hoop en vrees, schim en schaduw. Want een adviescommissie heeft de stad Den Haag opgeroepen het gezelschap van stichter Erik de Vos in het Kunstenplan 2017-2020 te negeren. Dat is, natuurlijk, reuze tegen de klippen op spelen: en pas in oktober valt het definitieve besluit. In Decamerone wordt er in ieder geval gespeeld dat het een aard heeft, al is dat nu en dan alsof het leven ervan afhangt. Letterlijk.

Uit de honderd heeft De Mol er vijf naar zijn hand gezet, waarvan het publiek er drie te zijn krijgt op een route door het eigen Appeltheater, en eentje in de aanpalende van binnen totaal onttakelde kerk. De Mol heeft de natuurlijke omgeving van Boccaccio dus verlaten, en gekozen voor een andere setting: die van bijvoorbeeld een garage, een modern ingericht appartement of een zandstrand aan zee rond 1900. Dat verandert ook  de lading van die vertallingen.

In twee van de vier verhalen die ik bij De Appel kreeg opgedist, leek het alsof er onwennig gespeeld wordt, alsof de spelersgroep na dik anderhalf jaar nog steeds niet goed raad weet met de sturende regisseurshand van De Mol. Beter gelukt zijn de vertelling Het hart, waarin Marguerite de Brauw het culinair bereide hart van haar minnaar krijgt voorgeschoteld – en dat met veel vertoon kotsend weer uitbraakt; en De afwijzing. Vooral in het laatste stuk is te zien dat De Appel, De Mol en Boccaccio zeker wel tot een machtig hoogtepunt kunnen komen. In de desolaatheid van de gestripte kerk, daar pal naast het Appeltheater, speelt zich een ongewoon en fraai gestileerd kunststukje af, met in de hoofdrollen opnieuw Marguerite de Brauw, Martijn van der Veen en grande dame bij De Appel, de afscheidnemende Geert de Jong. We zien de oude koningin Restituta (De Jong) in conclaaf met de bisschop van Rouen. Zij nodigt hem in haar uit – maar hij kan niet leveren, uit kennelijk onvermogen. Vijfentwintig jaar eerder had Restituta (De Brauw) al eens een page de laan uitgestuurd en zich verlustigd aan de stoelleuning van haar troon.

Maar nu sterft Resituta, resoluut, op de draagbaar waarop ze eerder met veel vertoon van macht was binnengedragen.

Dat zijn enkele prachtige en kostelijke scènes, ook door de keuze van de locatie. Het maakt de avond bijna geheel goed. Voor nu: bid en werk, ora et labora. Maar dat is geen Italiaans.

Toneelgroep De Appel speelt Decamerone tot en met 3 juli in het Appeltheater.

 

Op losse schroeven

Pierre Bokma, Olga Zuiderhoek, Katrien Baerts e.a. in ode aan Misha Mengelberg

Een boer, een boerin, een bijenmeisje (Katrien Baerts, sopraan) als sirene. En zes koeien, te weten weidekoeien en luchtkoeien, plus een waterkalf.

Dat was de oer-Hollandse en tegelijk licht surrealistische setting die Misha Mengelberg had bedacht voor zijn laatste, onvoltooid gebleven muziekwerk Koeien. Componist Guus Janssen en regisseur Cherry Duyns bogen zich over zijn aanzet en voltooiden tekst en muziek. Het is uitgemond in een vitale muziektheatervoorstelling die gebracht wordt in een topbezetting, want met onder meer het befaamde Instant Composers Pool Orchestra (ICP).

Het is een stuk dat in al zijn levenskrachtige absurdisme toch onmiskenbaar des Mengelbergs is. ‘Koeien – opera Misha’, zo heet het dan wel voluit – maar er is, voorwaar, in het geheel geen (echte) koe te zien. De zes koeien die wél te berde komen behelzen een koor, gespeeld en gezongen door zes jonge zangers van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag die gekleed gaan in witte pakken en jurken. En zoals dat gaat met koeien bewegen zij zich langzaam, als in een choreografie, een kleine kudde in de wei onder aanvoering van opperkoe alias actrice Olga Zuiderhoek.

Misha Mengelberg (1935) werd geboren in Kiev, maar groeide op in Nederland en studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. In 1967 richtte hij ICP op met drummer Han Bennink, een ensemble dat nu geldt als een van de grondleggers van de Europese geïmproviseerde muziek. De dementerende tachtigjarige werd vorig jaar onthaald op deze heuse ‘opera Misha’ – en die toert nu door Nederland.

In Koeien is veel bij voorbaat niet wat het lijkt te zijn. Zo struint een wonderlijk personage, gespeeld door Pierre Bokma, over het toneel. Peinst voor zich uit, geeft commentaar en sticht – geheel in de geest van de maestro – met duivels genoegen verwarring. Hij doet denken aan de maestro zelf, maar speelt hem niet na. “Hij is geen imitatie van Misha – hij loopt niet lichtelijk voorovergebogen met een sigaretje in een iets te lange trui over het podium. Zijn tekst bestaat volledig uit zinnen die Misha ooit letterlijk in interviews heeft prijsgegeven. Guus kwam laatst nog met een geniaal fragment waarin Misha vertelt dat hij opera maar achterhaalde malligheid vindt,” zo licht Cherry Duyns in het programmaboekje toe.

Smartelijk gehuil
Jazz en opera, da’s een ingewikkelde verhouding, zo leert de muziekgeschiedenis. Maar niet bij Mengelberg/Janssen/Duyns. Zo omvat de muziek in ‘Koeien’ vrije jazz, flauwe liedjes, tango’s, smartelijk gehuil, dodecafonieën, fanfareklanken en een kwezelige ballade, die laatste in stijl opgeworpen door Beppe Costa (‘gelati’) als een Italiaanse ijscoman. Het doet denken aan de jaren dat in de muziek niets uitgesloten was, dat uiteenlopende soorten muziek en maten dwars na en voor en door elkaar heen werden gespeeld. Louter om het plezier van het muziek maken. Het piept, knarst, knettert en trilt in ‘Koeien’. Maar wat een levenslust! Een goddelijke speeltuin, niks geen achterhaalde malligheid, maar Dadaïstisch gekir van plezier. Met boventiteling bovendien. Ga erheen. Trakteer jezelf op een avondje koetjes en kalfjes.

Holland Festival: ‘Koeien – opera Misha’. Op donderdag 26 mei 2016 in de Koninklijke Schouwburg. Meer informatie op ks.nl en hollandfestival.nl. Telefonisch tickets reserveren: 0900-3456789.

Barbie in Disneyland

Buitenissig NTjong zet een punt

Giftigkrijsende zuurstokkleuren. Een tienerkamer die eruit ziet als een über-schreeuwerige kermisattractie. Het is de hardcore piste voor ‘In mijn hoofd ben ik een dun meisje’.

Zo rond het twaalfde levensjaar wordt het bommetje onontkoombaar, voor meisjes nog oneindig veel meer dan voor jonge knapen: je moet er goed uitzien om mee te kunnen, om erbij te horen. In ieder geval niet op te vallen. Merkkleding is een must-have en een licht arrogante houding waaruit een vanzelfsprekende hang naar glamour blijkt, het devies. Het door media voorgespiegelde (westerse) schoonheidsideaal is daarbij het fundament: blank & slank, wespentaille, volle borsten en zo mogelijk een pontificale billenpartij, al dan niet afgetopt met een hoofddoekje.

Als je er fantastisch uitziet, dan moet je wel gelukkig zijn. Toch?

De sardonische lach door de mechanische clown die neonlachend aftrapt, is de voorbode van een weinig zachtzinnig rozepaars theateravontuur dat wacht. Aan de hand van een potpourri, een carrousel aan showy Las Vegas-taferelen zapt een beeld voorbij van de wereldproblemen waarmee de gemiddelde twaalfplusser (V) tegenwoordig kennelijk dagelijks worstelt: Barbie in Disneyland. Of andersom juist: Disney in Barbieland. Hoogtepunt in de voorstelling: dropschoenveters, donuts en yokidrink die samen in een blender tot superdrank worden vermalen. Maar al na een half slokje wordt het goedje uitgebraakt. Maar de rest ervan wordt wel steels, onder de arm, meegenomen.
In een wereld die iedere dag weer meer op seksdrift belust lijkt te zijn – en liefde gereduceerd tot de cohabitatie, met dank aan de hogepriesters van de babyboomers die blij van zin de seksuele revolutie predikten – voor huidige tieners valt geen seconde te verliezen: het devies is Gij zult verleiden of verleid worden.

Buitenissig
Regisseur Noël Fischer haalt met haar voorstelling, net als die blender, veel ondersteboven, achterstevoren en binnenstebuiten, in een knallende en ook een soms knellende voorstelling. De steeds traumatischere beelden, teksten en situaties volgen elkaar snel op. Fischer heeft die gestoken in een exuberante, buitenissige vormentaal, zo ongewoon dat die soms over de hoofden van het publiek, allereerst pubers, heen lijkt te gaan. Het is de vraag of de doelgroep (12+) de vormentaal weet te verstouwen, want niet bedoeld voor al te beschermd opgegroeide tere zieltjes. Wel krijgen hun ouders daarmee een wie weet onthullend kijkje vergund in de doopceel van hun bloedeigen kroost, wezens die ze emotioneel in de verste verte immers allang niet meer hebben kunnen bijbenen, al zijn ze pas twaalf.

Gewaagd
In mijn hoofd ben ik een dun meisje is een gewaagde, persoonlijke en vooral een opmerkelijke voorstelling, bijna een performance, even revolutionair als weerspannig. Die aaneenschakeling en opeenstapeling van beelden kan ook wel irritatie opwekken, of zelfs als gratuit worden ervaren. Want de kunst van het verleiden, ja, die  doet zich al voor sinds de vroegst bekende mensachtigen besloten rechtop te gaan lopen. Niets nieuws onder de zon zou je zeggen.

De boodschap van NTjong reikt echter verder: een statement. Zoek jezelf, wees jezelf. ‘Dikkerdoenerij genoeg, op kantoor en in de kroeg. Als je nou ‘ns geen masker droeg, zou je dat niet beter staan,’ vroegen levende legenden Koot & Bie zich begin jaren zeventig retorisch zingend af. Zouden ze toen al (ook) het schoonheidsmasker voor ogen hebben gehad?
Een belangrijke en moedige voorstelling.

NTjong: ‘In mijn hoofd ben ik een dun meisje’ (12+). Op 23 en 24 april 2016 in Zaal 3 Theater aan het Spui. Tickets via theateraanhetspui.nl. Meer informatie : ntjong.nl.

Een Vrolijk intermezzo

Sjaak Bral fileert moord op Blonde Dolly

Sjaak Bral maakte cabaretdrama van de moord op Blonde Dolly, een Haagse Mata Hari die graag danste op het slappe koord van hoge en lage cultuur.

En daar staat-ie dan te glimmen, de poëtische proleet, straatfilosoof van minstens half De Haag. Middenin zíjn stad, op zijn hoogsteigen ‘Platô’, buik vooruit, stijf samengeknepen turende kijkers boven een afdakje, en met zijn neus die als een niet te missen richtingaanwijzer de weg naar de contreien van de Doubletstraat beduidt. Korte tijd was dat onzedelijk stukje Den Haag het werkterrein van Blonde Dolly. Eigennaam: Sebilla Niemans. Maar ze verlegde haar werkterrein nar de toen compleet verpauperde Nieuwe Haven. Zoals in die dagen trouwens half De Haag vergeven was van de firma matrassenverhuur.

Onder mistige tot op deze dag formeel onopgehelderde omstandigheden werd de 32-jarige in de nacht van 2 op 3 november 1959 in koelen bloede door verwurging om het leven gebracht, terwijl daarbij een fortuin aan gouden tientjes dat voor het grijpen lag, onaangeroerd bleef: Naast aftrekken was ze dus een kei in optellen. Ongeloof en ophef golfde door Den Haag, door heel Nederland, ook omdat in de dagen daarvoor in een peeskamertje verderop Marietje van Es was doodgehamerd. Toen bleek dat Blonde Dolly naast inteeltkoppige patjepeeërs ook societyheren uit de meest welingelichte kringen met haar paradijs aan hun natte droom hielp – van wie zij er in een oogwenk tot geliefde verhief – viel heel Nederland voor haar. Maar dus te laat.

Wie was het dan die Blonde Dolly vermoordde? Een onopgeloste moord blijft leven. Met De moord op Blonde Dolly treedt Sjaak Bral niet alleen in de voetsporen van Diederik van Vleuten (neem ‘Buiten Schot’) maar ook in die van erkende Dolly-vorsers als thrillerschrijver Tomas Ross en journalist Casper Postmaa. Beiden beschreven en detail de toedracht van de moord op Blonde Dolly. Met zijn speurdersneus bracht Postmaa bovendien aan het licht dat de nooit veroordeelde moordenaar nog in leven is – en zocht hem zelfs lijfelijk op. Toen Postmaa Bral op een goede dag wees op diens uiterlijke overeenkomsten met de vermoedelijke dader, raakte Bral gegrepen. En toen daarna ook nog eens bleek dat zijn moeder in haar kinderjaren Dolly had ontmoet, en net als zij in een weeshuis was opgegroeid, besloot Bral het Haags Gemeentearchief te bezoeken, waar het politiearchief over deze zaak ligt opgeborgen. Uiteindelijk bracht hij opgeteld drie weken met Blonde Dolly door; stond met haar op en ging met haar naar bed.

Verbale expositie
Bral is vooral bekend als oudejaarsuitluider en cabaretier. Kan hij dan nu opeens ook toneelspelen? Die vraag is in ‘Wie vermoordde Blonde Dolly?’ handig omzeild. Zeker: hij is het gewend om typetjes ten tonele te voeren, maar een geboren toneelspeler is hij niet. Niet altijd slaagt Bral erin om karakterologische of enige psychologische diepte te verlenen aan de veelal toch uit bordkarton opgetrokken figuren, om ze kortom tot leven te wekken. Maar het is toch allemaal ook zeker niet slecht, met dank aan politiefoto’s en stapels aan verbale getuigenissen die destijds allergeduldigst door dienders op papier werden opgetikt. Hoogtepunten in Brals theaterexposé zijn de aanschouwelijke anatomische les van dr. Zeldenrust en het politieverhoor met de vermeende moordenaar, de tegenwoordige Rijswijker, Gerard V., Dolly’s louche ogende ‘beschermheer’. Handelde V. uit jaloersheid en was het dus een crime passionel; of in goudbetaalde opdracht van hogerhand? V’s ondervraging indertijd werd (moedwillig volgens velen) verkloot, toegedekt. Complottheorie? Misschien. En wie is dan schuldig? Degene die de ‘trekker’ overhaalt of de opdrachtgever? Wie het ook is of is geweest: de

Na een ruime aanloop wordt het allemaal uiteindelijk vakkundig en getrouw in een meeslepende vertelling opgedist. Bral weet tijdens zijn verbale expositie ondertussen fijn te laveren tussen de nodige vrolijke intermezzi en soms wat gekweekt aandoend drama. Voor kitsch is gelukkig geen plaats. En passant verrijst bovendien een aandoenlijk tijdsbeeld dankzij het eenvoudige decor, een nostalgische lantaarnpaal en formicakeuken, fotoprojecties en YouTube-filmpjes van Polygoon-journaals en de stem van Philip Bloemendal.

Dolly was, zogezegd, een dubbeltje, op haar kant. En een dubbeltje groeit, wijd en zijd bekend, vrijwel nooit uit tot een kwartje – tenzij je naam Haagse Harry is. Maar een dubbeltje kan wel tot een stuiver degraderen. In haar geval zelfs tot een grijpstuiver. En daar word je niet Vrolijk van. Gaandeweg richt Bral een monumentje op voor alle ‘gevallen’ vrouwen en in het bijzonder voor deze ene ‘gevallen’ vrouw, een vakvrouw op het gebied van sociaal-erotische dienstverlening. Een kwartier warmte geven, inclusief uit- en aankleden, zo beschreef Ischa Meijer eens in zijn hoerenlopersbijbel Hoeren. En toch onaangeraakt blijven. Totdat je beschermheer je levenslang verneukt. Lullig.

De moord op Blonde Dolly door Sjaak Bral. Gezien op 27 februari 2016 in Theater Diligentia. Meer informatie: gvproductions.nl.

 

Tandeloze tijgers

Nationale Toneel met ‘De gouden draak’

De hoofdingrediënten? Een menselijke snijtand. Een kom soep. En een geval van dikke keukenpech. Een inkijkje op de werkvloer van wereldkeuken De gouden draak.

Is het leed dat veel illegalen treft in de pijnmomenten van u en mij te vergelijken met een op het nippertje gemiste bus of de continue strijd tegen een hardnekkig computervirus? Of niet naar de tandarts durven, want door de eigen bijdrage misschien te duur. Dan wel omdat het systeem van zorgvergoedingen een zoekplaatje is geworden. Maar wát als je geeneens een zorgverzekering kunt, nee: mág afsluiten?

Spitsuur in Thais-Viëtnamees-Chinees restaurant De gouden draak. Terwijl een jonge Chinese drommel het in de keuken uitkermt van de pijn moet de ongenadige doch doeltreffende waterpomptang soelaas bieden. Operatie geslaagd. Maar patiënt overleden. Door een wonderlijke reis vliegt en vliegt de getrokken rechter snijtand door de lucht en komt daarna eerst in een wok en vervolgens in een kom Thaise kippensoep terecht. Nummer Zes, met kokosmelk, Thaise gember, tomaten, champignons citroengras en citroenblaadjes (pittig). En uitgerekend deze nummer Zes wordt direct opgediend, en wel aan twee stewardessen die er net een intercontinentale vlucht naar Chili op hebben zitten. Ondertussen. De bewoners van de flats boven het wokrestaurant zijn onbekend met wat zich in de keuken afspeelt. En weten ook niets van het leven van hun buren, al komen ze er op gezette tijden allemaal wel eens. Geleidelijk wordt het mogelijk in te zoomen op deze microkosmos, en rijst in alle eenvoud een schokkend beeld op.

De Duitse toneelschrijver Roland Schimmelpfenning schreef met Der goldene drache in 2008 het volgens onze oosterburen ‘stuk van het jaar’. In bitterkomische, fragmentarisch opgebouwde scènedeeltjes en soms hardop uitgesproken regieaanwijzingen schetst hij een nacht van mislukte dromen en tranen rond complexe kwesties als globalisering, uitbuiting en illegale immigratie, zonder daarbij te vervallen of te vervelen in sociale kitsch – vederlicht opgedist als was het een film; speels en toch ook poëtisch.

Welbewust onspeelbaar: 41 scènes, 18 (dubbel)rollen, vijf acteurs. Het lijkt slapstick – en dat ís De gouden draak bij tijd en wijle ook. Maar een allereerste, vermeend en broos GTST-vernislaagje craqueleert al snel in de wetenschap dat de jongen om wie het voornamelijk draait in De gouden draak ‘een illegaal’ is, – voor zover een mens tenminste ‘illegaal’ kán zijn. Tandartsbezoek zat er voor hem als ‘ongedocumenteerde’ niet in.

In De gouden draak knallen werelden frontaal op elkaar, krijgt de problematiek van oost west, noord zuid, hoog laag, en man vrouw een verontrustend maar menselijk formaat. ‘n Actueel gegeven in tijden van onbeheersbaar lijkende vluchtelingenvraagstukken en meer.

Ondertussen is Anniek Pheiffer in topvorm, zoals er over de gehele linie goed en met zichtbaar spelplezier wordt geacteerd. Daardoor krijgen de personages van alledag, mensen zonder applaus, een gezicht. En dat alles in een regie (van Casper Vandeputte) die én gloedvol én zeer communicatief is, ook door het opdissen van de parabel rond krekel en mier.

En die tand? Die belandt via de Thaise soep in de mond van een van de stewardessen. Ze neemt hem mee naar huis, sabbelt er wat op, om uiteindelijk in een rivier te belanden. Ondertussen drijft ook de keukenjongen daar ergens. En dat is al met een verstrekkend beeld. Korte pauze. Verstrekkend.

Nationale Toneel: De gouden draak. Nog te zien in Theater aan het Spui van maandag 23 t/m woensdag 25 november 2015. Meer informatie: nationaletoneel.nl.

 

Festivalsfeer mét picknicktas

‘Zie De Appel’ in buitenverblijf Een spannend theateravondje in een allergemoedelijkste setting. Met naar keuze een picknicktas vol lekkernijen erbij. Het is de gemoedelijkheid van Toneelgroep De Appel in het lommerrijke groen rond de Appelloods aan de Laan van Poot, het buitenverblijf van de Scheveningse theatermakers. Met het avondvullende Zie De Appel buiten legt Arie de Mols tableau een verrassende vitaliteit aan de dag. In drie korte stukken mogen de acteurs naar hartenlust zélf de vrije hand nemen. De aftrap is voor Huize Zeezicht, met twee bekende gezichten, die van de ouwedames-wie-weet-met-blauw-bloed, Claudine en Claudette. Het tweetal was vorig jaar al eens op locatie te zien op het Lange Voorhout. Als gevolg van een val ziet Claudette zich inmiddels genoodzaakt haar zus Claudine in verpleeg- en revalidatiecentrum Zeezicht onder te brengen. Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan. Zoiets is Huize Zeezicht, waar aan de hand van korte dialogen en luchtigjes opgedist, een aandoenlijk portret oprijst van zijn vaste bewoners. Maar dat ook navrante rafelrandjes blootlegt. En die kunnen dus aardig pijnlijk schuren. ‘Ik kom hier waarschijnlijk nooit meer weg’, treurt Claudine. ‘Gecremeerd of begraven?’, bluft Claudette op bits-cynische toon. ‘Wou je me helpen dan?’, bijt Claudine ferm terug. En zo zijn er meer causerietjes. Het publiek heeft een koptelefoon op en is vanaf een zitplaats in de tuin van Zeezicht getuige van wat zich tijdens het bezoekuur binnenskamers én in de hoofden van de personages afspeelt. Een prettig miniatuurtje dat bovendien de vraag bovenhaalt: Hoe stelt u zich úw oude dag eigenlijk voor? Door naar Cape Fear, een wonderlijke mengeling tussen het bekende maar toch steeds weer verrassende absurdisme van Beckett (Eerste Liefde) en het Herenleed van Armando en Cherry Duyns, inclusief kenmerkende zandverstuiving en regenbuitje. Twee mannen dingen naar de liefde van ene Ankie. Ook hier veel humor, maar ook gevatte gerijmelarij op ‘Ankie’: ‘Is dat niet de lul van Frankie?’. Een voorstelling onder de noemer: een tikkeltje vreemd, maar wel lekker. Sluitstuk is Motel Detroit, voor een groot deel op het conto te schrijven van Appel-acteur en regisseur David Geysen. In zijn regies heeft hij al eerder pontificaal zijn niet mis te verstane handtekening gezet: Ararat, Messen in hennen, Bacchanten en Schiller opus (Volle maan). Motel Detroit is een beeldende-theatervoorstelling, maar een die ruikt als een kapotgeslagen American Dream waarin de instortende Westerse maatschappij wordt becommentarieerd. Plastic & popcorn. Mistflarden & memorabilia. David Lynch & Charles Bukowski. Maar vooral een enerverende voorstelling die de programmabeschrijving meer dan waarmaakt: de laatste plek op aarde waar iemand zou willen zijn. Vergeleken bij deze lichtelijk hallucinerende voorstelling is een nachtmerrie kinderspel. In een filmische reeks beelden – er wordt tussen de acteurs geen levend woord gewisseld – lijkt dit het voorportaal tot de hel. Personages bewegen zich voort als zombies terwijl de soundscape (Carl Beukman) je meteen in een magnetische slaap drukt. Die soundtrack is opgebouwd uit filmfragmenten, flarden van radioshows en citaten uit reclameslogans, propagandateksten en andere toespraken. Americana. Met Crazy Horse als prominente indianenleider die in het verzet gaat tegen de illegale overname door Amerikaanse kolonisten en goudzoekers van hun geliefde Paha Sapa. Motel Detroit is een voorstelling met een sinistere, bij vlagen lugubere afterglow. Zie De Appel Buiten is tot en met zaterdag 27 juni 2015 te zien in de Appelloods van Toneelgroep De Appel. Meer informatie: www.toneelgroepdeappel.nl.

Op zoek naar expliciete wurgsex

Morbide bewegingsspel in The Dahmer Syndrome

The Milwaukee Cannibal. Zijn naam wordt in de Verenigde Staten steeds in een adem genoemd met begrippen als seriemoord, necrofilie en kannibalisme. Jeffrey Lionel Dahmer (1960) is zijn paspoortnaam. Als slachtoffers koos hij niet-blanken, hoewel daarmee niet gezegd is dat hij een racistische aard had – op de plaatsen delict in zijn woonomgeving kwamen namelijk veelal niet-blanken voor. Het politieoptreden wordt – zoals vaker in de VS de laatste tijd – als racistisch, nalatig en op zijn minst als niet-adequaat beschouwd.

In 1970, tijdens een familiediner met kip op het menu, vroeg de toen tienjarige jongen aan zijn vader, beroepsscheikundige, wat er zou gebeuren als de kippenbotten zouden worden gebleekt. Zijn vader nam deze vraag op als interesse in het scheikundige vak en beantwoordde die door Jeffrey te leren hoe producten chemisch zijn op te lossen.

Later zou Jeffrey Dahmer verwante morbide technieken met groot oplossend vermogen gebruiken voor het letterlijk laten oplossen van zijn menselijke slachtoffers, of ze soms op sterk water zetten. Nog later gebruikte hij uiteenlopende scheikundige toepassingen voor het bereiken van zijn waandenkbeelden: hij drogeerde zijn slachtoffers en boorde enkele van hen een gaatje in hun schedel en goot er daarna onverdund zoutzuur in. Zijn veronderstelling en doel waren om willoze zombies te creëren, fantomen die bereidwillig al zijn eerst latente, maar later erg expliciete seksuele wensen zouden vervullen.

Rond 1990 trok hij wekelijks naar homobars, waar hij onder het gebeuk van discoritmes bij toerbeurt een slachtoffer verleidde met hem mee naar huis te gaan. Na de mannen eerst in een alcoholische of anesthesistische roes te hebben gebracht, doodde hij hen vervolgens, gewetenloos, en ging daarna over tot necrofiele seksuele handelingen. Die liet hij volgen door een gedegen lichaamsontleding. Vaak ging hij ertoe over om afgehakte lichaamsonderdelen te bewaren in zijn koelkast, sommige van zijn slachtoffers begroef hij, soms zette hij delen van de lichamen (bijvoorbeeld de penis) op sterk water, als waren het trofeeën, en zette hij ze voor zichzelf te kijk.

Zeventien jonge mannen kwamen zo, soms terwijl ze nog half bij bewustzijn waren, aan hun weerzinwekkende einde. Ten slotte werd hij opgepakt – maar pas na vele, vele aanwijzingen die aanvankelijk door de politie in de wind werden geslagen – door toedoen van een jongen die zich uit Dahmers klauwen wist te bevrijden en daarna de politie inschakelde.

Dahmer werd in 1992 veroordeeld tot 957 jaar cel en naar de gevangenis van Ohio overgebracht. Daar bekeerde hij zich tot christen. Dik twee jaar na zijn gevangenneming werd hij daar om het leven gebracht. Zijn moeder bepaalde dat zijn hersenen voor later onderzoek geconserveerd mochten worden. Maar zijn vader daagde haar hierom voor het gerecht, teneinde Jeffrey Dahmers wens om gecremeerd te worden, in vervulling te kunnen laten gaan. In 1995, een half jaar na Jeffrey Dahmers dood, werd de vader door een rechter in het gelijk gesteld en daardoor werden Jeffrey Dahmers hersenen vernietigd.

Niet alleen in de Verenigde Staten werd Dahmer verdacht van gruwzaam barbaarse lustmoorden, ook in West-Duitsland, waar hij een tijd als legerrekruut was gestationeerd, is een onopgeloste moord onderwerp van onderzoek geweest. Een overtuigende link werd echter niet gevonden. Misschien is die nabijheid voor de Noorse theatermaker Øystein Johansen wel de trigger geweest om rond Dahmer een bizarre voorstelling te maken: The Dahmer Syndrome.

Indringend. En precies zo begint de voorstelling van Øystein Johansen & Bunnyheadproductions, een voorstelling zilver won op het Fringe Festival van het Theaterfestival 2014, en inmiddels een bescheiden tournee door Nederland maakt.

Een minutenlange (tien? twaalf?) tergende en bijna oorverdovend makende stilte vorm het sinistere begin. Vijf goedgetrainde en -gebouwde jongemannenlijven staren het publiek aanvankelijk wat mechanisch aan, grimlachen af en toe wat flauwtjes of kijken je soms zelfs recht in de ogen aan (not done in het toneel!) en vragen je door een uitdagende, veelbetekenende hoofdknik of je ‘in’ bent. Maar gaandeweg banen ze meer leven in hun lichaam. Een van deze vijf dient zich vervolgens als verteller aan, een Engelstalige tekst die de Noorse theaterschrijver Malmfrid Hovsveen Hallum (1979) in 2014 opstelde voor het Black Box Teater in Oslo.

Vervolgens ontvouwt zich een zestig minuten durend bijna even onthutsende maar uiteraard theatrale verbeelding door Johansen en consorten van hetgeen waartoe Dahmer in staat moet zijn geweest, en zoals dat ook is gebleken uit Dahmers nalatenschap: inbeslaggenomen foto’s en wegrottende attributen van zijn, letterlijk, moordtijd.

Als de ongemakkelijke stilte uiteindelijk wordt verbroken aan de hand van een lekkere discobeat en we Dahmer zijn spel zien voeren, wordt huiveringwekkend duidelijk hoe hij zijn ontvoerde slachtoffers tot weerloze kadavers maakt. In een zinderend bal, een choreografie van de dood, perfect gedanst door vijf ‘mimers’ laat Johansen de mechanismen van wreedheid zien en onderzoekt hij de relatie tussen seksualiteit en perversie, en tussen observatie en voyeurisme. Op het podium zien we aldus vijf mensen gevangen in een glazen huis, weggestopt zoals bladeren in een herbarium of vlinders in een vitrinekast. Een glazen huis bij wijze van een diorama, waarin het universum van Dahmer zich bloedstollend ontrolt.

Regie: Øystein Johansen. Performers: Marius Mensink, Jurrien Remkes, Igor Vrebac, Erwin Dörr, Kajetan Uranitsch. Tekst Malmfrid Hovsveen Hallum. Decorontwerp: Breg Horemans. Dramaturgie: Jonas Rutgeerts. Componist: Hans Kristen Hyrve.

Gezien op dinsdag 12 mei 2015 in Theater aan het Spui. Nog te zien op 21 mei in Generale Oost (Arnhem). Deze voorstelling was in 2014 geprogrammeerd in het kader van Fringe Festival Amsterdam.

Website Fringe Festival 2014