De Parade bespeelt alle zintuigen

Rondreizend festival  is er ook in 2019 voor iedereen, en ook voor kids

De Parade strijkt wederom neer in Den Haag. Met veel theater van Haagse makelij op het programma en met voorstellingen voor jong en oud. Het Westbroekpark is tien dagen waarlijk een epicentrum.

In de late middeleeuwen werd alhier theater gespeeld in de kerk, en wegens succes later op het (kerk)plein. Voorstellingen vonden plaats op podia en op wagens. Duivels maakten veel kabaal en slingerden vuur en rook in het rond, engelen vlogen door de lucht en er was muziek. Het publiek genoot van dat kunst- en vliegwerk. Het werd een kermis, vaak ter gelegenheid van een kerkelijk feest of een betekenisvolle plaatselijke gebeurtenis: het concept ‘festival’ was geboren, al vierden de oude Grieken theaterfeesten al ver voor het begin van onze jaartelling.

Anno nu is het reizende theatergezelschap van de Parade een voortzetting van dat antieke idee, zij het dat in vergelijking met toen nu de vondst van elektriciteit is toegevoegd. Voor het overige is de Parade bijna een tijdmachine. De vermakelijke karavaan van Vreemdelingenverkeer en sjofele theatertenten plus bijbehorend Paradevolkje van kunstenaars en theatermakers meandert zich jaar op jaar door Randstedelijk Nederland, van Rotterdam via Den Haag naar Utrecht en Amsterdam.  De formule: korte, dertig à veertig minuten durende theaterachtige voorstellingen omlijst door horecavoorzieningen.

Bekende namen en onbekend talent wisselen elkaar beurtelings af, en er zijn tal van gelegenheidscollectiefjes – en zo heeft de Parade zich het voorbije decennium opgeworpen als broedplaats op het gebied van theater en muziek.

Op de Haagse Parade zijn de meer bekende namen dit jaar: Vrijdag & Sandifort, Ellen ten Damme en begeleidingsband, het Rosa Ensemble presenteert Hans Dagelet als dwarse muzikant Captain Beefheart, en vaste waarde op de Parade, Toneelgroep Oostpool, gaat op de romantische toer met ‘Alles wat liefde is’. Een lustopwekkende ‘romcom’ aan de hand van beroemde filmscènes die door drie schmierende acteurs met veel gevoel voor pastiche worden nagespeeld. In vogelvlucht komen  liefdesopvattingen voorbij. Is liefde vooral lijden, een vorm van opofferen, van vgriendschap, van sex? Of nog anders? Oostpool maakt er een blockbuster van.

Een kleinood diametraal daartegenover is ‘Slumberland’ van Stan Vreeken & Jorn Heijdenrijk en hun Tijdelijke Samenscholing. Het is een prachtige, droefgeestige verzameling van prachtige wiegeliedje die richting sluimerland gaan. Barbapapa, de Vergetelheid en de Dood ontpoppen zich als onvermoede insluipers.

Ook zijn  er nieuwsgierigmakende voorstellingen van onder meer Young Gangsters i.s.m. DOX, Club Guy & Roni dat een adrenaline-rush belooft, en Servaes Nelissen speelt een hilarisch deel uit zijn voortreffelijke theatervoorstelling ‘Beefteefjes’,

Haagse makers
Vanouds spreekt Den Haag een woordje mee als stad van makers. Zo is Zaal 4 een voortzetting van Zaal 3, buurttheater en plek voor talentontwikkeling – dat op zichzelf dan weer deel uitmaakt van Het Nationale Theater. Dit jaar biedt Zaal 4 wederom plaats aan De Poezieboys. Het duo Jos Nargy en Joep Hendrikx maakt voor kinderen een ‘Bonte Aevond’ (6+) en voor volwassenen is er de Paradeversie van ‘Selfkicker’. Het is een ode aan en terugblik op de tijd(geest) van Johnny van Doorn, alias Johnny The Selfkicker. Verder biedt Zaal 4 speeltijd aan nieuwelingen Anna Luka da Silva & Nora Ramakers met ‘Songs in languages I don’t understand’. Daarin neemt paradijsvogel van het zuidelijk halfrond Pri Pri je mee in wat ‘een hypnotiserende trip naar een parallel universum’ heet.

Ook Lonneke van Leth is weer van de partij. Haar ‘Olympische Spelshow’ (4+) was eerder dit jaar in de theaterzaal een vlotte en aansprekende voorstelling over beweging en voeding. De Haagse choreografe heeft met vier dansers die door een quizmaster aan het werk worden gezet, een humoristische dansvoorstelling gemaakt voor jong en oud. Nu dus in de setting van een van de theatertenten op de Parade.

De Haagse cabaretier Tom Lash timmert flink aan de weg. Zo schuift hij regelmatig als columnist aan in ‘De Nieuws BV’ op NPO Radio 1. In het Parade-programma ‘De Columnisten van Catan’
komen Zwarte Piet, klimaat, vluchtelingen en Thierry Baudet op de proppen in een poging onze meningenmaatschappij gevat onder loep te nemen. Voor het maken van deze voorstelling werkte hij samen met schrijver en collega-columnist Ronald Giphart.

Ten slotte is de band rond Nik van de Berg, Niko, die twee avondjes te gast is met de herkenbare, ruwe klanken van het viertal, als onderdeel van een brede muziekprogrammering op de Parade.

Natuurlijk en vanouds is de afdeling spijzen en dranken goed vertegenwoordigd op de Parade. Van driegangenmenu tot flammkuchen, er is een taco- en burritobar, Aziatische eten, het poffertjespaleis van Au Gwen Marie is weer present. Ook is er een Appelfiets waar het appelmeisje speciaal voor jou het lekkerste appeltje van de wereld schilt. Aan duurzaamheid is gedacht: van bio-industrievrij eten en drinken, borden van porselein, echt bestel en herbruikbare glazen. Afval wordt apart ingezameld. Voor iedere petfles biologische huiswijn belooft de Parade een boom te planten. Er zijn watertappunten ingericht. Daar kunnen de Middeleeuwers nog een puntje aan zuigen. De Parade is nu een geheel zelfvoorzienend dorpje, zo roept de organisatie trots.

Winstwaarschuwing: Kijk de programmagids goed na, want de meeste programma-onderdelen zijn slechts tijdelijk te zien!

 

Advertenties

Naar de hemel reiken

Amadeus is een buitengewone ervaring

In Amadeus is de tweestrijd tussen Mozart en Salieri waarlijk een slagveld. Regisseur Theu Boermans voegde bij Het Nationale Theater aan het origineel van Peter Shaffer karrenvrachten humor, actualiteit, subliem toneelspel – en vooral in goud uitgevoerde muziek.

Een Weens wespennest. ‘Me too. Toch nog,’ verzucht Salieri en verkneukelt zich alvast nu Constance, de volkse jonge eega van Mozart zich, na een eerste verkennende benadering, ten tweeden male bij de ‘componist des vaderlands’ vervoegt, om buiten het medeweten van haar echtgenoot in te willen gaan op diens eerdere ruilvoorstel. Dat bestaat eruit dat hij bereid is een goed woordje voor de jonge componist te doen bij de keizer – dat heet: voor zover zij zich tenminste bij hem bereidwillig toont. In natura.

Om gek van te worden, zo goed als hij was. Onbekende klankclusters. Antonio Salieri – volgens keizer Jozef II ‘creator van gelegenheidsdeuntjes’ – herkent onmiddellijk Mozarts naar de hemel reikende muzikale talent. Zijn roem was de jonge componist die heel Europa en ook Nederland al van kindsbeen af had platgespeeld, vooruitgesneld. Hij realiseert zich onmiddellijk op het moment dat Mozart zijn opwachting in Wenen maakt, dat dit ‘verbluffende virtuoosje’ zijn eigen middelmatige talent zal ontmaskeren. Hij werpt de blaam op god, met wie hij immers en zeer devoot een contract als zijn vertolker afsloot.

Laat deze zelfde god hem dan nu in de steek voor zo’n snotneus, een met een anale fixatie en overdadige vaderliefde behepte rebel,een flierefluiter die lak heeft aan conventies en nota bene op het punt om het te gaan maken? Met de komst van Mozart vreest Salieri voor zijn in lengte van jaren opgebouwde sleutelpositie aan het hof. Ondertussen wekt Mozart, een ongelovige Thomas, zijns ondanks alom wrevel aan het Weense hof, door ideeën rond te strooien die de kunstelite tegen de borst stuiten. ‘Teveel noten, gewoonweg teveel noten’, weet muzikaal onbenul alias keizer Jozef II nadat Mozart zijn nieuwste compositie heeft laat voorspelen.

Mozart versus Salieri. De tweestrijd is al tijden een dankbaar en bekend twistpunt onder musicologen. Dwarsboomde de oude Salieri tot in al zijn vezels de opkomst van Mozart? Of was er ook wederzijds respect? Was het uiteindelijk Salieri die de dood van zijn muzikale rivaal bespoedigde door hem onder onnoemelijke tijdsdruk de opdracht tot het ‘Requiem’ te geven – terwijl Mozart armlastig, doodziek en als een junk geheel in zijn eentje aan het wegkwijnen was?

Feit of fictie? Salieri zorgde rond 1825 feitelijk voor nepnieuws avant-la-lettre door op hoogbejaarde leeftijd officieel een brief na te laten. Daarin maakte hij bekend dat de dood van Mozart op zijn conto geschreven moest worden – en door zo zélf voort te leven. Sir Peter Shaffer maakte er in 1979 een bekroond toneelstuk over, dat in 1984 met medewerking van hemzelf glanzend werd verfilmd door Miloš Forman.

Bij regisseur Theu Boermans is Amadeus een uitermate geestige, bij tijden van humor overlopende vertelling over (en voor) jong en oud, vernieuwing tegenover verstarring, hoge versus lage kunst, en over de troebele verhouding tussen oppervlakkig engagement en een door literaire klassieken ingegeven levensader. Hij mixt al deze ingrediënten op weergaloze wijze en vol wellust met een soms naar overdaad neigende, soms lichtelijk over de top gaand geheel tot een nieuw genre, tot een geheel dat je misschien wel een ‘musicalette’ zou kunnen noemen, een in zijn handen een licht explosief mengsel dat toneel, musical, opera en alles daartussen ‘ontschot’ en anderzijds actualiteit en kunstpolitiek op de hak neemt.

Als er iemand is die deze veelheid aan invalshoeken tot een onderhoudend mengsel weet te creëren is híj het wel, zoals hij dat ook als regisseur van Soldaat van Oranje wist te bereiken. Maar met dit huzarenstukje reikt hij zelf naar de hemel, doet hij zelf zijn magnum opus naar de kroon steken. Het juicht, jeukt en kriebelt alom.

Met een live spelend vijftienkoppig orkestensemble en de bedwelmende sopraan Lucie Chartin van coproducent Opera2Day als diva, en zeker niet een in de laatste plaats de over de hele linie in blakende vorm verkerende spelersgroep van Het Nationale Theater – met onder meer een in bloedvorm verkerende Mark Rietman, een als popster door het leven gaande Mozart door jong talent Sander Plukaard, een onweerstaanbare jonge godin Yela de Koning als volkse Constance, en een lachwekkende Jozef II door Vincent Linthorst (zijn laatste klus bij HNT) – is dit een voorstelling die je onder geen beding wilt missen, want onderhoudend, intelligent, spannend.

Zelfs zo dat de liefde van de makers voor Mozarts muziek tot diep in de poriën bij de kijker weet door te dringen. Misschien is dat nog wel de grootste verdienste van deze machtige productie. Maar ook een machtig decor-, licht- en kostuumontwerp dragen daar veel aan bij.

Het Nationale Toneel is al langer sowieso in goeden doen, want Joris Smit werd verleden week genomineerd voor de beste dragende rol in De wereld volgens John, en Bram Suijker een nominatie voor beste bijdragende rol in We zijn hier voor Robbie, beide regies van Eric de Vroedt (was hij dan de Mozart die Boermans hier bedoelde?).

Theateralliantie met Het Nationale Theater i.s.m Opera2Day, Amadeus, tot en met zaterdag 22 juni 2019 en van dinsdag 24 tot en met zondag 29 september 2019, Koninklijke Schouwburg. Meer informatie: www.hnt.nl

 

Eerlijk delen achter de duinen

‘Een ‘Avondje Armoede’ met Firma MES

Wie ligt anno nu wakker van armoede – ook al ligt die soms om de hoek in de kou te bibberen? De Haagse theatergroep Firma MES houdt een benefietavond en laat die, natuurlijk, danig ontsporen. Over hoe het moet voelen als je leven écht low budget is.

‘Armoedeverzáchting,’ corrigeert Ilse, ‘dus niet: armoedebestríjding.’ Haar zangvereniging houdt een feestelijk bedoelde benefietavond rond ‘stille armoede’. En die derailleert dus, theatraal en finaal.

Armoede is erfelijk. Wie arm wordt geboren, blijft arm wijst de wetenschap uit. Kinderen uit (kans)arme gezinnen doen het gemiddeld slechter op school. Arme mensen leven gemiddeld bijna vier jaar korter. De landelijke bijstandsnorm voor alleenstaanden? Een luttele 996 euro per maand. Oudere werklozen moeten na hun WW met soms met 700 euro per maand toe.

Tja, zie het daarmee maar eens te rooien in de stad van vrede en recht.

Zolang één procent meer dan de helft van de wereldrijkdom bezit en de acht rijkste mensen op deze aardbol samen meer aan vermogen bezitten dan de 3,6 miljard armste mensen bij elkaar, dan is dat minimaal toch schrijnend te noemen. In een welvaartsstaat zoals Nederland dat is, is een inkomen van 52 keer het salaris van de minst verdienende immoreel.

Bij MES – gelukkig – maar weinig van zulk documentair cijferfetisjisme. De theatergroep houdt het vooral oergezellig (type: deze avond kan niet stuk) met muziek, een potpourri aan veelal cabareteske sketches, een exuberante modeshow met vintage kleding en een

kermisachtige tombola die ontaardt in een wat kunstmatig aandoende ruzieachtige sfeer. Natuurlijk komen we er als theaterbezoeker niet zonder kleerscheuren vanaf. Daarvoor zijn de door MES aangehaalde voorbeelden te schrijnend, zoals de scène met een terminaal zieke die haar behandelend medisch specialist een financiële deal voorstelt: ‘U verdient enorm aan mij en mijn lichaam, dan mag ik op mijn beurt toch ook wel verdienen aan u?’ Een schuldhulpverlener gooit roet in het eten van de voedselbank: ‘Mijn medeleven is op.’ Hij pleit voor een radiale oplossing.

In een doorgedraaide wereld die is doordenkt van opgelegd neoliberaal volkskapitalisme, zelfredzaamheid en eigen schuld dikke bult, maakt MES met ‘Een avondje armoede’ een niet mis te verstaan gebaar, zoals het eerder ook deed met bijvoorbeeld ‘Troep’ en een ‘Kledingruil’. De gehanteerde karikaturale ironie doet de aangehaalde praktijkvoorbeelden weliswaar schuren maar maakt ze ook plat. Het had wat mij betreft hoekiger, scherper en bijtender gekund en soms juist genuanceerder.

‘Een avondje armoede’ is een theatercollage op teksten van schrijver en dichter Anton Dautzenberg. In 2016 werd hij uitgeroepen tot Impactmaker van het Jaar voor zijn rol als initiatiefnemer van de armoedeglossy Quiet 500, tegenhanger van de Quote 500.

Bij deze voorstelling is het mogelijk om een kaartje voor een ander te kopen. Dit kaartje gaat naar iemand met een kleine beurs die anders misschien niet snel naar het theater zou kunnen gaan. Het tekent de betrokkenheid van MES.

Woensdag is het de jaarlijkse Internationale dag voor de uitroeiing van armoede, ook wel Wereldarmoededag genoemd. Een uitgelezen kans om dan bij MES een eventueel bezwaard gemoed tegen overlegging van wat dukaten in te wisselen.

Firma MES: ‘Een avondje armoede’. Gezien op zaterdag 6 oktober. Tot en met 24 oktober 2018 in de Lourdeskerk in Scheveningen. Meer informatie: firmames.nl.

Onvervulde verlangens

Hanne Arendzen schittert in ‘Van de koele meren des doods’

Een jonge vrouw verlaat haar welgestelde milieu en gaat leven met een pianist, maar wordt gaandeweg krijgen psychosen de overhand. Niet zonder reden want ze heeft heel wat doorstaan, hoe jong ze met dertig jaar ook is: moeders dood op haar dertiende, twee zelfmoordpogingen, de zelfverkozen dood van haar jeugdliefde omwille van haar, een uit nood geboren vlucht naar het buitenland, en als klap op de vuurpijl een verslaving aan morfine en het noodlottige sterven van haar pasgeboren kindje.

Misschien niet het leukste uitgangspunt voor een onbekommerd, gezellig avondje uit in het theater. Maar in de slimme regie van Ger Thijs bij ‘vrije producent’ Hummelinck Stuurman is Van de koele meren des doods, naar de roman uit 1900 van Frederik van Eeden niet puur en alleen een loodzware avond. En bovenal wordt er puik gespeeld.

In het kielzog van de opkomst en de belangstelling voor psychiatrie aan het einde van de 19de eeuw besloot Van Eeden zich te vestigen als zenuwarts en werd pleitbezorger van psychotherapie en psychoanalyse. Dat hij een carrière als schrijver en psychiater combineerde is minder vreemd dan mag lijken want hij geloofde erg in de kracht van taal als sleutel tot het innerlijke en het psychische.

Zelf noemt Van Eeden Van de koele meren des doods een ‘biografische schets’. Hij putte daarvoor uit voorbeelden, personen en levens uit zijn eigen omgeving. En, zo lijkt het, citeert hij ook uit ‘eigen werk’. Meer dan voordien herkenden mensen om hem heen zich in (elementen van) zijn personage. Natuurlijk werd er schande van gesproken.

Van Eeden doopte zijn romanfiguur, zijn ‘tronie’ met de naam Hedwig Marga de Fontayne – en natuurlijk heet ze bij Ger Thijs ook zo. Hij heeft de oorspronkelijk 250 pagina’s aan tekst bewerkt tot niet minder dan een juweel. Kraakhelder en van een logica om te smullen, van begin tot einde. De lotgevallen van Hedwig passeren de kijker in een vrij lineair tijdsverloop en als een aaneenschakeling van verkeerd uitpakkende keuzes. Daardoor lukt het toekijkers om begrip op te vatten voor haar daden en stappen. Door de fascinerende inkleuring die Hanne Arendzen aan het ‘brandende lijf’ van Hedwig geeft, en zo Renée Soutendijk in de filmrol van destijds zo goed als doet vergeten, dringt uiteindelijk begrip voor Hedwigs besluit door. Je leeft met haar mee.

Op de achtergrond spelen bij de kijker ondertussen vele overwegingen een rol: is Hedwig inderdaad een ‘stenen engel’ of een hoer, is ze een goede vrouw die het moet stellen met ‘onvervulde verlangens?’ Of nog anders: gaat ze zich gedragen navenant de mensen haar bezien?

Prima voorstelling, met ook prima tegenspel aan Arendzen. Gevoegd bij een mooi toneel beeld en een even verassende als adequate belichting is dit een voorstelling waaraan denkelijk veel behoefte is: in begrijpelijk toneel een verhaal vertellen zonder overwoekerende melodramatische opsmuk een kans te geven.
Knap werk, mooi gedaan.

Tournee t/m begin januari 2019. Meer informatie op humelinckstuurman.nl.

Er was eens…

NTjong speelt Robotje

In het eerste hoofdstuk van Ik, Robot van Isaac Asimov (1920-1992) beschrijft de als Rus geboren maar als Amerikaan ter aarde bestelde schrijver de fictieve vriendschap tussen het meisje Gloria en Robbie.

De ouders van Gloria discussiëren over het wegsturen van Robbie, een fijngevoelige robothond, want Gloria’s moeder vreest dat Robbie haar kind ooit letselschade toe zal brengen. Haar man reageert vol onbegrip, zelfs verbolgen: Robbie is immers geprogrammeerd en geproduceerd volgens de Eerste Wet der Robotica? Dan kan er dus gewoonweg helemaal niks misgaan.

Kern: Kan een mens vriendschapsgevoelens voor een robot koesteren en deze vriendschap onderhouden? In een wereld vol oprukkende seksrobots, zorgrobots en sociale robots lijkt het slechts een kwestie van tijd voordat het zover is. Regisseur Noël Fischer van het jubilerende (5 jaar!) NTjong draait in de Robotje dit gegeven een kwartslag door zich af te vragen of een robot in staat is emoties te voelen. En zie: Als haar Robotje in een ver-weg-universum voor het eerst een mens van vlees en bloed ontmoet zet dat de leefwereld van de automaat op z’n kop. Mensen begrijpen wat een knuffel is of een schouderklopje, maar Robotje moet alles nog leren. Je als een mens gedragen blijkt best moeilijk.

Een passage die naar Asimov verwijst is in Robotje, een voorstelling voor zesplussers, niet te vinden. Sterker: er wordt in Robotje geen woord gesproken op één kernachtig zinnetje na: ‘I am human, I come in peace’.

Op het podium zien we een buitenformaat pinda staan, als een ruimteschip (maar dat kan wat mij betreft ook best een onderzeeduikboot voorstellen) op pootjes. Uit dat schip komt met veel vertoon van mist Robotje te voorschijn. Even later duikt vanuit een andere hoek een astronautenfiguur op, die zich aanvankelijk ook in nevelen hult. Het loopt, natuurlijk, op een ontmoeting tussen de twee uit. Vervolgens ontspint zich een heerlijk visueel avontuur, een beeldverhaal dat jong en oud gekluisterd houdt.

De verbazing die Robotje en de astronautenfiguur over elkaar ten deel valt wordt verrassend uitgespeeld. Ze snuffelen aan elkaar, vinden elkaar vreemd, maar ook wel aardig. Er komen aan het eind zelfs (zelfgebouwde) kinderrobotjes aan te pas. Het verhaal eindigt in een gezamenlijk vertrek in de ruimtepinda, op naar samen een nieuwe ontdekking.

Wees niet bang voor iemand die vreemd lijkt, voor avontuur, zo lijkt de boodschap in een pindadop vervat. Bij mij borrelden associaties op met het aloude Evoluon. Ook een tikkeltje vreemd, maar wel lekker. Zoals je dat ook wel overkomt bij eerste beluistering van David Bowie’s ‘Space Oddity’.

Mimers Titus Boonstra en Willemijn Zevenhuijzen hebben met Robotje puik werk geleverd, net als de ‘jarige’ Fischer. Het resultaat is een liefdevolle, vertederende voorstelling over het overwinnen van latende angst voor wat vreemd lijkt.

NTjong: Robotje (6+). Gezien op zaterdag 29 september 2018 in Theater aan het Spui.

Gezocht: aandacht

Soul searchin’ door choreografen Meyer-Chaffaud

Performers zonder publiek? Publiek zonder performers? Woestijnvissen!  Choreografenduo Meyer-Chaffaud maakt het vierluik Soul en confronteert publiek en performer lijfelijk met elkaar.

Exhibitionisten? Aliens? Intermediairs? Openbaar kunstbezit? Lichaamstovenaars? Of gewoon mensen van vlees en bloed? Wat gaat er om in het hoofd van een danser?

In Soul #2 Performers is de danser van zijn voetstuk van ongenaakbaarheid gehaald, uit zijn ivoren toren afgedaald; en, andersom, het publiek tijdelijk ontheven van haar versteende rol als observant, verheven tot co-creator zelfs. ‘U beschikt over een geweldige zittechniek’ zegt een van de performers. Domweg blijven zitten op je stoel is dan eigenlijk geen optie meer.

‘Bij veel eigentijdse dansvoorstellingen rijst de vraag wat het allemaal betekent, wat we ermee moeten. In de meeste gevallen leiden die vragen niet tot bijster veel antwoorden, zodat we op een gegeven moment besluiten vooral te genieten van de performance, van de bewegingen, van de visuele effecten, de muziek – maar geven geen aandacht aan de knagende vragen op de achtergrond die ons vervolgens verwijten dat we het werk onrecht doen – en zo weer een kans op diepgaande kunstzinnige beleving mislopen.’

Aldus schrijver en publicist Christiaan Weijts in het boekje Aanraken a.u.b. over zijn ontmoeting met de Duitse kunstfilosoof Christophe Menke.

Waarom dans je, wat bezielt je als je en public danst, wat beweegt je, wat zijn de gedachten als je aan het dansen bent? Isabelle Chaffaud: ‘We leggen graag de menselijke ziel bloot. Een danser put zich uit voor het publiek dat voor hem of haar zit, in een magisch spel van tijd, ruimte en emoties. Hoe je je zelf ook voelt, je móet performen, je moet hoe dan ook op.’

Soul#2 Performers. Een ervaringsverslag. De zaalopstelling: een carré. Feitelijk een vlakkevloertheater, zo’n tien bij tien meter. Vóór de vier omsluitende wanden staat een dubbele rij stoelen. Op de vloer: zes performers. Claire. Opeens staat ze voor me, steekt haar hand naar me uit, nodigt me uit met haar de toneelvloer op te gaan. En plein public. Naar mij, de in beton gegoten observator! En daar staan we dan tegenover elkaar, de armen gespreid, handen in elkaars handen. Dan strekt ze haar armen, werpt haardos, schouders en hoofd achterover, gelaat naar de hemel gericht. Even lijkt het of ze zweeft. Et Dieu crea la femme, schiet door mijn hoofd.

Zweven doe ik zelf intussen ook, vanbinnen. Eventjes later drukt ze het hoofd met het linkeroor stevig tegen mijn linkerborst. Hartslag. Ik zie mezelf gevleid in een intieme omhelzing. Dan mag ik van haar weer plaatsnemen op mijn stoel.

Een zinsbegoochelende ervaring. Ook al omdat en passant de ‘vierde wand’ in rook is opgegaan en de dansers in Soul letterlijk ‘op je huid’ zitten.

In het de komende jaren te completeren vierluik Soul lichten de choreografen Jerôme Meyer en Isabelle Chaffaud de doopceel van publiek én danser. Op zoek naar de ware aard achter performer en publiek sloopt het choreografenduo de denkbeeldige grens tussen danspodium en toekijker.

Hier maken de toeschouwers in persoon deel uit van de choreografie, en aldus van de voorstelling. In het cabaret usance, vooral als je op de eerste rij plaatsneemt ben je algauw de sigaar, in het dansveld is het uniek, zelfs ‘not done’.

Wat zet een performer in beweging, wat beweegt hem om voor een choreograaf en uit naam van dat ‘hogere’ als ‘de kunsten’ dag in dag uit steeds weer tot het uiterste te gaan en de eigen grenzen voortdurend te verleggen? Is toekijken in het theater een intrinsiek actieve of passieve rol? Waarom doen ze allebei wat ze doen?

Ondertussen vallen in Soul #2 Performers grote woorden over creatie, in het moment zijn, over vrijheid, over ‘blondes have more fun’, over dans als obsessie, als een beweging tussen hemel en aarde, als een medium.

Publiek en performer, een twee-eenheid. Onderzochten choreografen Isabelle Chaffaud en Jerôme Meyer in hun eerdere voorstelling Soul#1 Audience met name (de rol van) het publiek, in deze #2 gaat het vooral om de mens achter, de binnenwereld van de danser. Maar de danser kun je hier niet los zien van het publiek, noch andersom.

Zoals Mulisch in Voer voor psychologen al stelde: ‘Niet de schrijver [lees: choreograaf] maar de lezer [toeschouwer] moet fantasie hebben […] Een artistiek werkstuk wordt het pas door het talent van de lezer.’

Al bij het betreden van de zaal hadden de bezoekers zich op verzoek rond een van de zes performers geschaard, en die leidde hen daarna rond over de speelvloer, liefst met de ogen dicht. Patronen volgen, geïmproviseerde groepssculpturen. Een gevoel van intimiteit wordt opgebouwd en dat wordt versterkt wanneer de performers even later direct oogcontact zoeken met de bezoekers die hen omringen. Indringend moment, temeer daar de voorstelling zich vlak voor je ogen ontrolt. Je zit op huid van de dansers, voelt ze ademen.

Alleen daardoor al is de beleving geheel anders dan de waarneming vanuit het pluche comfort van de theaterstoel. De zaal als parallel universum: de danser vertolkt zijn eigen rol maar het publiek ook, al doet zij dat soms zonder er zelf erg in te hebben. Interactie, het ene publiek is het andere niet, en de ene avond is de andere niet. Het publiek doet alsof het zelf niet bestaat. Maar dat bestaat dus niet.

In Soul#2 Performers worden intussen pareltjes aaneengeregen! In een mix van moderne dans, performance en circus – er is zelfs een duet tussen een danser en een trapezewerker die laag boven de vloer hangend haar acrobatische kunsten vertoont – zijn er prachtige staaltjes te bewonderen, in een ‘bewegingstaal’ die zich moeilijk in woorden laat vatten, door dansers die stuk voor stuk laten zien over persoonlijkheid te beschikken.

Meyer-Chaffaud: Soul #2 Performers. Tournee van eind september tot en met medio oktober 2018. Meer informatie: Meyer-chaffaud.com.

Voor het zingen de kerk uit

Toneelgroep De Appel speelt Decamerone

De apotheose, even onvergetelijk als monumentaal: koningin Restituta sterft aan acute nymfomanie. Net daarvoor nog was ze statig en met pontificale pracht en praal, languit liggend op een draagbaar binnengebracht. Had ze krols en vol ongeduld bevolen: ‘In mij! Ín mij, hoor je! Ik eis het!’. Een ‘ora et labora’.

Maar de bisschop van Rouen moest passen, uit kennelijk onvermogen. Vijfentwintig jaar jonger (een glansrol van Marguerite de Brauw) had ze zich ook al eens moeten verlustigen aan de leuning van haar troon, toen een van haar dienders niet thuisgaf.
Het slotakkoord van ‘Decamerone’ heet bij Toneelgroep De Appel ‘De afwijzing’, en speelt zich af in een vanbinnen onttakelde kerk, pal naast het Appeltheater.  Maar het is, in alles, meteen ook het afscheid van Geert de Jong, ook een monument, die na meer dan veertig jaar bij de groep afzwaait. ‘De afwijzing’ is ook het klapstuk van een avond die in vijf delen wordt opgediend, die nu eens overloopt van absurdistisch jolijt, dan weer van kluchtige onderbroekenlol en soms van uiteenlopende soorten van sadistische genoegens.

Het gaat hier om de vertellingen uit de Decamerone van Boccaccio. In zijn ‘boek der tien dagen’ voeren leven, liefde, lust, list en bedrog de boventoon. Het zijn verhalen die door hem werden opgetekend toen de aristrocratie zich ver buiten de eigen stadspoorten vermeide toen in Florence de pest was uitgebroken. De in de veertiende eeuw opgetekende verhalen zijn kostelijk en smeuiig; ze vergunnen ons bovendien een stiekeme blik in de Italiaanse volksaard en ziel, juist op het moment dat in dat land het pad van de Renaissance werd betreden. Het moment ook dat de clerus na eeuwen van heerschappij voor het eerst het nakijken had.

Van de vijf Decamerone-verhalen die De Appel opdist, krijgt het publiek er op één avond vier voorgeschoteld. De eenakters concentreren zich op vertellingen die de tweede en de vierde dag onder de hovelingen de ronde deden: De bedrieger, Het hart, Het hoofd, Het lijk en dus De afwijzing. Twee van de opgediende vier verhalen waren niet aan mij besteed, wisten uiteindelijk te weinig te boeien, te meer omdat er een climax of pointe aan ontbreekt.

Maar dan is daar halverwege opeens Het hart. En blijkt het gekozen toneelbeeld (hier een moderne design living, halfopen keuken, hockeysticks en iPhone aan de muur) top, en weet dit stuk wél door te dringen. Marguerite de Brauw (opnieuw) speelt er een femme fatale die, onwetend, het hart van haar minnaar als galgenmaal krijgt voorgeschoteld , dat eerst schrokkend verorbert – en daarna kotsend uitspuugt als ze doorkrijgt wat ze at.

De avond wordt zoals gezegd afgesloten met het eerdergenoemde De afwijzing. Exuberant ogende maar toch stijlvolle, strakke kostuums stuwen de acteurs , tot een overtuigende finale. Vilein gespeeld, met veel gevoel voor humor en pathetiek gebracht. Zo is De afwijzing het beste van Boccaccio en De Appel in één.

De appel valt niet ver van de boom. Op de keper beschouwd is de Decamerone van Toneelgroep De Appel deels een herhaling van zetten. Want op de kop af drie jaar geleden bracht regisseur Arie de Mol een bloemlezing van precies dezelfde vijf verhalen bij diens voormalige acteursensemble Toneelgroep Maastricht, toen in een kasteelboerderij. Het Appeltheater is als locatie van een andere orde, al gaat het ook hier om geheiligde grond en muren die een roemrijk verleden ademen. Zoals bekend verkeert De Appel in doodsnood. Zo ziet dat er dus uit: spelen alsof je leven ervan afhangt. Letterlijk. De oproep van acteur Iwan Walhain na het slotapplaus in de kerk kreeg dan ook veel bijval.

Recensie # 2: voor Scènes:

Lust en bedrog bij Toneelgroep De Appel

ORA ET LABORA

Het heet een raamvertelling: tien vrouwen en mannen ontvluchten rond 1350 de stad Florence vanwege een pestepidemie. Tien dagen verblijven ze met elkaar in een villa in de heuvels. Ze doden de tijd met eten, drinken en… verhalen vertellen bij een knapperend kampvuurtje.

Bij elkaar honderd verhalen, die wat je zegt uit het leven zijn gegrepen; over leven liefde lust, list en bedrog. Boccaccio tekende ze op in tussen 1350 en 1360, in een tijd dat Italie als eenheid nog niet bestond, maar wel werd geteisterd door oorlog en hongersnood. Ze lijken recht uit het hart verteld, en zijn zo ook opgetekend. Boccaccio’s vertellingen werpen daardoor een interessante blik op de Italiaanse ziel, juist in een tijd dat de kerk het moest afleggen tegen de opkomende Renaissance.

Zijn ‘boek der tien dagen’ vormt de basis voor een avondvullend Appel-gerecht dat regisseur Arie de Mol opdient bij het Scheveningse gezelschap. Het ensemble leeft momenteel ergens tussen leven en dood, hoop en vrees, schim en schaduw. Want een adviescommissie heeft de stad Den Haag opgeroepen het gezelschap van stichter Erik de Vos in het Kunstenplan 2017-2020 te negeren. Dat is, natuurlijk, reuze tegen de klippen op spelen: en pas in oktober valt het definitieve besluit. In Decamerone wordt er in ieder geval gespeeld dat het een aard heeft, al is dat nu en dan alsof het leven ervan afhangt. Letterlijk.

Uit de honderd heeft De Mol er vijf naar zijn hand gezet, waarvan het publiek er drie te zijn krijgt op een route door het eigen Appeltheater, en eentje in de aanpalende van binnen totaal onttakelde kerk. De Mol heeft de natuurlijke omgeving van Boccaccio dus verlaten, en gekozen voor een andere setting: die van bijvoorbeeld een garage, een modern ingericht appartement of een zandstrand aan zee rond 1900. Dat verandert ook  de lading van die vertallingen.

In twee van de vier verhalen die ik bij De Appel kreeg opgedist, leek het alsof er onwennig gespeeld wordt, alsof de spelersgroep na dik anderhalf jaar nog steeds niet goed raad weet met de sturende regisseurshand van De Mol. Beter gelukt zijn de vertelling Het hart, waarin Marguerite de Brauw het culinair bereide hart van haar minnaar krijgt voorgeschoteld – en dat met veel vertoon kotsend weer uitbraakt; en De afwijzing. Vooral in het laatste stuk is te zien dat De Appel, De Mol en Boccaccio zeker wel tot een machtig hoogtepunt kunnen komen. In de desolaatheid van de gestripte kerk, daar pal naast het Appeltheater, speelt zich een ongewoon en fraai gestileerd kunststukje af, met in de hoofdrollen opnieuw Marguerite de Brauw, Martijn van der Veen en grande dame bij De Appel, de afscheidnemende Geert de Jong. We zien de oude koningin Restituta (De Jong) in conclaaf met de bisschop van Rouen. Zij nodigt hem in haar uit – maar hij kan niet leveren, uit kennelijk onvermogen. Vijfentwintig jaar eerder had Restituta (De Brauw) al eens een page de laan uitgestuurd en zich verlustigd aan de stoelleuning van haar troon.

Maar nu sterft Resituta, resoluut, op de draagbaar waarop ze eerder met veel vertoon van macht was binnengedragen.

Dat zijn enkele prachtige en kostelijke scènes, ook door de keuze van de locatie. Het maakt de avond bijna geheel goed. Voor nu: bid en werk, ora et labora. Maar dat is geen Italiaans.

Toneelgroep De Appel speelt Decamerone tot en met 3 juli in het Appeltheater.