Lichtontwerper Pelle Herfst

Gepokt en gemazeld. Lichtontwerper Pelle Herfst is sinds 1980, hij was toen een broekie van net zestien, actief in het theater. Maar hij is ook kind aan huis bij (inter)nationaal gereputeerde musea. “Musea zijn belevenisfabrieken geworden. Mijn theaterachtergrond kan ik daar dus naar hartenlust kwijt.”

Zestien was je, en je hing de schooltas vrolijk aan de wilgen?
“Ik ben een ‘coulissenkindje’, kind van ouders die allebei in het theater werkten, ben dus grootgebracht tussen de coulissen. Als vervroegd schoolverlater had ik inderdaad ternauwernood de leerplichtwet achter de kiezen, of ik besloot af te stappen op het Nieuwe de la Mar. Op de bonnefooi. Of ik er misschien aan het werk mocht.

Dat mocht. Het is te danken aan de toenmalige toneelmeester Johan Maaswinkel dat ik me er het vak van allround theatertechnicus eigen heb kunnen maken. Ik ben er begonnen als toneelveger maar gaandeweg mocht ik ook aan de lichtknoppen draaien. Ik voelde trots toen ik op een dag een voorstelling met actrice Mary Dresselhuys mocht bedienen.”

Hoe ging dat destijds toe?
“Daarvan moet je je rond 1980 geen al te grote voorstellingen maken. Er waren toen geen technische eilanden in de zaal voor het bedienen van het licht en AV. De habitat van de lichtbediener beperkte zich toen doorgaans tot een plek die goed was weggestopt tussen de donkere coulissen. Krachtig timmerend op een flinke kast kon je alleen door het overhalen van een hendel een nieuwe lichtstand bereiken. Geen stilzoevende schuivende lichtregelaars toentertijd. Ik heb het vak van lichttechnicus geleerd op wat je noemt een oude fiets: een 24-kanaals ADB met 2 walsen. Lichtontwerpers waren er nog maar heel sporadisch en kwamen veelal uit het buitenland.”

Je hebt je als dus de grondbeginselen van het vak zonder opleiding te volgen eigen gemaakt.
“In mijn begintijd was er geen opleiding voor wat ik wilde zijn: lichtontwerper. Ik ben autodidact, heb inderdaad geen opleiding theatertechniek doorlopen, geen ‘lichtschool’ gevolgd. Wel heb ik op een gegeven moment aanvullende cursussen in Londen gedaan.

Kijk, de lichttechnici van nu weten heel precies hoe ze met welke willekeurige lichttafel dan ook moeten omspringen, hoe ze een gewenst effect tot stand moeten brengen. Ze bedienen die tafels met veel meer gemak dan ik dat zelf kan. Ik zie dat niet als een probleem, en vind het ook geen nadeel. Het gaat erom dat ik in staat moet zijn over te brengen wat ik als ontwerper met mijn lichtplan beoog. Ik ben bezig met licht, niet per se met techniek, die is alleen een heerlijk hulpmiddel om de creativiteit te uiten.

Met anderen praten over licht blijft een lastige aangelegenheid. Natuurlijk bedien je je van jargon. Als ik over een “wash”praat, weet iedereen in mijn nabijheid wat ik daarmee bedoel, maar een opdrachtgever heeft geen idee. Maar ook die moet je kunnen overtuigen. Daarom is het vaak handig om het ontwerp te visualiseren, bijvoorbeeld door programma’s of filmpjes.”

Wat zie jij als zijnde ontwerper als jouw handtekening?
“Dat is eigenlijk moeilijk te zeggen. Het ideale ontwerp is tegelijk ook het meest geëigende ontwerp voor de bedoelde toepassing. Omdat ik lang licht heb gemaakt voor film ben ik een ‘filmische’ aanpak heel mooi gaan vinden. Het heel precies aanlichten, het kadreren. Dat is in het theater soms ook toepasbaar. Maar het zijn en blijven in de kern twee heel verschillende disciplines.”

In bijna dertig jaar heb je het vak snel, fundamenteel en aan den lijve zien veranderen.
“Klopt. Allereerst bracht de lichtcomputer een kentering teweeg. Het aantal lichtstanden kon daardoor opeens ontzettend groeien en gecombineerd met het grote bedieningsgemak zorgde dat voor veel meer dynamiek op de theatervloer. Vervolgens kwamen de ‘moving heads’. Daarmee ontstond meer bewegingsvrijheid, kwamen er meer keuzemogelijkheden, met name met betrekking tot het kleurgebruik en het tot stand brengen van allerlei lichtverschuivingen. Bijkomend voordeel was dat je minder schijnwerpers nodig had en meer effecten kon bereiken.

De laatste grote verandering voltrekt zich op dit moment met de invoering van ledlicht. In technische zin is dat type weliswaar nog volop in ontwikkeling. Maar de laatste jaren zijn grote stappen gezet. Het is ongetwijfeld het licht van de toekomst. Het grootste voordeel is de ongekende mogelijkheden die de theaterled-schijnwerper met zich meebrengt, en dat het kleurgebruik digitaal wordt aangestuurd. Daarnaast zal ledlicht op den duur behoorlijke voordelen aan stroomverbruik opleveren.”

Ledlicht heeft vooralsnog een wat kil en koud imago…
“De voorlopers waren niet altijd oké. Vaak ging het regelrecht om troep. Maar vandaag de dag zijn er prima schijnwerpers op de markt die zijn gebaseerd op een doorontwikkeling van de ledtechniek. Nog altijd doet het licht van een halogeenspot natuurlijker aan, dat is waar. De led heeft het kleurenspectrum nog niet weten te evenaren.

Maar dat moment komt steeds dichterbij. Nog een voordeel: straks ben je van het eeuwige gedoe met kleurenfilters af. Je kunt volstaan met acht schijnwerpers in plaats van zestien voor meerdere totalen. Over vijf jaar is er geen enkel theater te vinden dat het ledlicht niet heeft omarmd. Ledlicht is een groeimarkt.”

Je bent ook de lichtontwerper voor uiteenlopende musea.
“Meer en meer zijn musea oorden waar de beleving voorop staat. Fijn voor mij, want dat ken ik, in het theater is dat immers ook zo. Ik kan op die manier leren van de verschillende genres en disciplines die ik bedien: dat loopt van toneel, dans, opera, musical tot tv, film, en musea. Het is juist de afwisseling die voor mij zo fijn is en productief. Momenteel werk ik aan de verwezenlijking van een lichtplan voor het hoofdkwartier van Nestlé, dat in Vevey in Zwitserland aan een prestigieus museum bouwt. Een groot project. Je merkt dan vaak dat de beschikbare budgetten voor lichtontwerp in het buitenland veel groter zijn dan in Nederland. Hier is het licht nog te vaak een koude sluitpost.

Het aanlichten van schilderijen is een complexe aangelegenheid. Je hebt te maken met kunstwerken, die dienen natuurlijk prachtig belicht te worden. Tegelijkertijd bestaat kans op schade door langdurige blootstelling aan licht. In een vroeg stadium moeten daarom keuzes gemaakt worden over de manier van exposeren en belichten. Omdat we de kunstwerken zo echt en naturel mogelijk willen belichten, moeten we uitgaan van een lichtbron die het complete kleurenspectrum optimaal weergeeft – en daarvan is bij vele led-lichtbronnen nog geen sprake van.

Maar het wordt snel beter, de leds in de duurdere segmenten presteren steeds beter. Het Rijksmuseum, bijvoorbeeld, is duidelijk te vroeg geweest met het gebruik van LED. Jammer.”

Als lichtontwerper moet je het durven om visionair te zijn, ‘maximaal’ te visualiseren.
“In musea proberen we steeds vaker theatertechnieken te introduceren, dat sluit beter aan bij nieuwe wensen van exposeren; musea zijn plekken waar mensen samenkomen, plekken van drama, vermaak en intellectuele uitdaging. Alles komt er dynamisch en gecontroleerd samen, zowel wat het belichten van de collectie en de ruimte betreft, als audiovisuele belevingen. En vooral over de samensmelting van alle disciplines.”

Pal tegenover de bedrijfsruimte van Rapenburg Plaza aan de Westerdoksdijk in Amsterdam gloren aan de overzijde van het IJ de contouren het beroemde Overhoeks-gebouw.
“Die tachtig meter hoge voormalige kantoortoren is in 1966 ontworpen door de Nederlandse architect Arthur Staal in opdracht van Koninklijke Shell. Na een grondige renovatie opent binnenkort daar de A’DAM Toren, een combinatie van kantoren en uitgaansgelegenheden.

Bovenop verrijst een vierkantig observatiepunt, dat straks een ronddraaiend restaurant is. We mogen het gebouw gaan uitlichten en dat is werkelijk top. Vanuit de vier poten waarop het rust gaan we het gebouw theatraal belichten waardoor dit straks tot een landmark van Amsterdam wordt.

kader:
Pelle Herfst
Pelle Herfst is, samen met collega’s Sierk Janszen en Tom Verheijen, eigenaar van Rapenburg Plaza, een bureau voor ‘Lichtontwerp en ShowControl’, gevestigd aan de Westerdoksdijk, aan het IJ, nabij het stadscentrum van Amsterdam. Het bureau is gespecialiseerd in lichtontwerpen voor theater, musea en architectuur. Rapenburg Plaza heeft twaalf personeelsleden in vaste dienst.

Tot zijn opdrachtgevers behoren naast de in het artikel genoemde onder meer Artis (Het Groote Museum), het Scheepvaartmuseum Amsterdam, Dordrechts museum, het Nationaal Militair Museum in Soesterberg, Stadsarchief Amsterdam en Naturalis in Leiden.

Advertenties

Groen licht is niet altijd wit

Led it be

Bijna alle musea in Nederland zoeken halogeenvervangers, lichtfabrikanten gebruiken musea als uithangbord voor hun ledproducten. Maar hoe doen de leds het tussen de kunstwerken? Henk van der Geest, oprichter van Instituut Lichtontwerpen maakte met zes cursisten een rondgang langs vijf Amsterdamse musea. ‘Een groen stempeltje wil iedereen’

Voor al het licht op aarde is de zon de bron en de norm. Toch werken kunstschilders en beeldhouwers zelden in het volle zonlicht. Liever werken ze in een atelier, noorderlicht onder een zaagtanddak. Zo valt er veel daglicht naar binnen. Alleen het indirecte licht, uit het noorden zou voor musea het ideaal moeten zijn. Maar door de architectuur van de museumgebouwen én de noodzaak om de kunstwerken juist te beschermen tegen schade als gevolg van licht, zijn de meeste musea aangewezen op het gebruik van kunstlicht.

Museale collectiebeheerders, conservatoren, tentoonstellingsontwerpers en architecten willen dat kunstwerken natuurgetrouw worden weergegeven, met goed weggestopte, of liever nog onzichtbare armaturen en rails. Het maakt ze niet veel uit of het daarbij gaat om alleen daglicht, alleen kunstlicht of een combinatie daarvan. Wel wordt er van het licht verwacht dat het de werken op elk moment van de dag goed belicht, dat het bijdraagt aan de sfeer, of ‘de beleving’ en dat de bordjes bij de kunstwerken goed te lezen zijn.

Fosfor
Naast de kerntaken, het conserveren en tentoonstellen van de kunstwerken, zoeken musea ook naar mogelijkheden om het energieverbruik te verlagen. Halogeenverlichting vervangen door ledverlichting lijkt daarbij een van de meest aangewezen wegen. Maar niet de makkelijkste. Het licht in een museum moet neutraal wit van kleur zijn. Wit wit. Niet paarsachtig wit.

De belangrijkste factoren in de samenstelling van wit licht zijn de kleurtemperatuur en de kleurweergave. Licht van gloeilampen heeft een ‘binnenhuiselijke’ kleurtemperatuur, en dezelfde briljante kleurweergave-eigenschappen als die van daglicht. Leds komen daar (nog) niet bij in de buurt. Ze stellen de gebruikers zelfs voor veel meer keuzes, van kleurtemperatuur, spectrale verdeling en <flicker>. Het specificeren van de juiste leds is daarmee bijna tot kunst verheven.

De kleurtemperatuur van ledlampen wordt uitgedrukt met de schaal van Kelvin. Hoe hoger, hoe kouder de kleur van de lamp. Van der Geest: ‘2700K is de waarde van een gemiddelde gloeilamp, 3000K is halogeen en wordt neutraal genoemd en 4000K komt in de buurt van daglicht – dat eigenlijk 5600K is.

De huidige witte leds zijn blauwe leds met een laagje fosfor erop. Die fosforlaag zet een deel van het blauwe licht om in geel licht. Dat mengsel van blauw en geel licht wordt ervaren als wit licht, maar de kleur rood ontbreekt er vaak in. Het licht bevat dus niet alle kleuren die in de kunstwerken wel aanwezig zijn. Daardoor komen ze niet altijd even goed tot hun recht en is het licht in door leds verlichte ruimtes vaak nogal flets. Van der Geest: ‘Leds geven kleur niet goed weer als ze niet goed op de Planckcurve zitten, eronder of erboven betekent groener of paarser licht. Dat doet onnatuurlijk aan.’

Meer stoken
Als besluit van de workshop ’Leds kiezen voor musea’ bezochten zes deelnemers onder leiding van Van der Geest vijf verschillende musea in Amsterdam: De Hermitage, het Joods Historisch Museum, het Rembrandthuis, het Rijksmuseum en het Van Gogh Museum. Bij de Hermitage wordt momenteel een van de zalen verbouwd en gereed gemaakt voor uitsluitend ledlicht. Daar loopt nu een expositie over Outsider Art. Straks branden er 50 leds. Of dat voldoende is, lijkt de vraag. Zonder werken en publiek doet de ruimte nu wat donker aan. ‘Maar toch wil de directie, in dit geval de huurder van de expo-ruimte, ledlicht.’

Het Joods Historisch Museum heeft op dit moment alleen de tijdelijke expositie rond Amy Winehouse uitgelicht met leds. Over een tijdje schakelt het gehele museum over op ledlicht.

‘Een groen stempeltje wil iedereen’, zo is de conclusie. Maar wat is groen? Van der Geest: ‘Een museum heeft in de winterdagen verwarming nodig. Voor een deel ontstond die als bijproduct van gloeilampen en halogeenverlichting. Nu die bron gaat wegvallen moet er ’s winters dus méér gestookt gaan worden. Weg milieuwinst.’ Het is de mythe van het moeten, zegt hij.

Het ene museum is verder met de invoering van ledlicht dan het andere. Het Rembrandthuis is een heel eind op streek, maar Het Rijksmuseum is de parel, althans behoort dat te zijn. Toch zijn de zes deelnemers van de workshop niet erg te spreken over de binnenverlichting. Bij de expositie <Van kostuum naar catwalk> merkt Van der Geest op: ‘Het sprankelt niet, het is grijs. En dat ligt toch echt aan het licht’.

Als we oog in oog met <De Nachtwacht> staan vraagt een beveiliger wat we aan het doen zijn. En wat is dat trouwens voor apparaat? Na enige uitleg over de spectrummeter mogen we verder. Hij komt een tweede keer op ons af, maar wij zijn dan al op weg naar de uitgang, richting Van Gogh Museum. Daar mag de bewuste lichtmeter de zaal niet eens in.

‘Van te voren aanmelden’, luidt het credo. Desalniettemin wordt het ledlicht daar als beste gekwalificeerd door de cursisten. Misschien omdat er bijna geen straaltje daglicht binnentreedt. ‘Verreweg het meeste rood’, mompelt een deelnemer. Maar zonder die nu ‘verboden’ spectrummeter kunnen we dat nu niet staven.

Een van de deelnemers doet Van der Geest een suggestie van de hand: ‘Het zou goed zijn een cursus voor museumdirecties en andere leidinggevenden te organiseren. Dan ontdekken zij ook dat een lamp aanschaffen geen simpele aangelegenheid is.’

En daar lijkt veel voor te zeggen. Als er over leds niet meer bekend is dan dat ze zuiniger zijn en ook nog eens langer meegaan, hoeft een directeur er natuurlijk niet lang over na te denken. Hij geeft ook aan dat deze museumtour en de cursus bij Van der Geest hem gescherpt hebben in zijn kennis: ‘Je moet straks wel in staat zijn om het werk van de lichtontwerper te kunnen beoordelen.’

Kader:
Hans Janssen, conservator moderne kunst bij Gemeentemuseum Den Haag:
“Ik ben uit milieutechnisch oogpunt zeer voor ledlicht, maar heb ook kanttekeningen. Toen deze nieuwe techniek in gruwelijk wit licht werd geïntroduceerd waren er vreemde, onverklaarbare, plotseling optredende pieken van UV-emissies. Ik weet niet veel van natuurkunde. Maar wel van kijken, geloof ik. Ik verbaas me in dit jaargetijde altijd weer over het verschil tussen kaarslicht en gewoon kunstlicht, ouderwetse gloeilampen. Wat een ongekende levendigheid kaarslicht heeft! Het brengt de illusie van schilderijen met gemak verder tot leven. Ledlicht, ach, we moeten wel. Milieu. Maar geef mij maar kaarslicht.’

 

Toptoneel én haute cuisine

Schouwburgen omgetoverd  tot ‘Borgen’-burchten

Op niveau smikkelen en smullen in de schouwburg – met liefst z’n 850’en tegelijk. Ondertussen tien uur lang toptoneel. ‘Binge’-kijken in het theater. Het Noord Nederlands Toneel doet het, met Borgen. Zeventig man zijn in touw.

Een volwaardig driesterrenrestaurant op wielen trekt kriskras door het land met een beroemde Deense chef-kok die, figuurlijk, aan de knoppen zit. Achthonderdvijftig warme couverts die moeten worden uitgegeven in een kleine twintig minuten. Met verrijdbare keukeneilanden moet daarom moeiteloos gemanoeuvreerd kunnen worden door ieder nauw, bochtig of hoekig schouwburggangetje of naar welke foyerruimte dan ook.

En dat alles terwijl tussen 1 ‘s middags en 11 ‘s avonds de technische equipe in ploegendiensten is opgeknipt. Wettelijke rusttijden nopen tot het opdelen van vitale functies, die op maat zijn ingepland. Productieleider Antsje van der Zee: “Ons toerschema met onder meer alle benodigde ritten en hotelkamers voor de ongekend grote cast en crew, is enorm.”

Het Noord Nederlands Toneel (NNT) doet het. En Borgen heet de belhamel. Het script beslaat 234 pagina’s, en dan zijn er al zo’n 50 geschrapt – maar net zo goed komen er weer tientallen andere bij. Borgen is veruit de grootste, meest omvangrijke productie uit de geschiedenis van het NNT. Noem het een ‘monsteronderneming’.

Boes Diertens, coördinator techniek bij NNT: “Voor ons”, zegt hij al relativerend in thuishonk De Machinefabriek in Groningen, “is de voorstelling zelf goed te doen – ook al duurt die met tien uur wel erg lang. Nee, met halve keukeneilanden-op-zwenkwielen dwars door twaalf schouwburgen banjeren en daarna in een van de al dan jiet geïmproviseerde foyers voor 850  gerechten warm uitserveren, dat is andere koek”.

Eigenlijk is dat een rucje uit de luchtvaart. NNT heeft de ‘keukenlogistiek’ dan ook grotendeels uitbesteed aan Amaro Creative Industries, dat gewend is met dit bijltje te hakken. Amaro, onder meer bekend van Oerol, tekent voor tal van conceptuele happenings . De Eindhovenaren zorgen dat de gerechten die in de eigen standplaats alvast zijn voorbereid; maar reizen ook zelf met 12 man met iedere voorstelling mee.

Eetfestijn
Dat eetfestijn komt mooi uit want in de gelijknamige Deense tv-serie speelt dat een belangrijke rol. Het staat symbool voor de ontwikkeling die hoofdrolspeelster Birgitte Nyborg (Malou Gorter) doormaakt. Toen bij NNT het idee opkwam om de eerste twee seizoenen van Borgen op het toneel te brengen – noem het ‘binge’-kijken in het theater – was duidelijk dat ook in de theaterversie getafeld moest worden.

Voeg daarbij de samenwerking met Adam Price die naast scenarioschrijver van de originele tv-serie ook deze unieke theaterversie ervan bewerkte. Hij is een bekende Deense chef-kok en runt verschillende toprestaurants in Denemarken. Toen bleek één en één al snel twee te zijn.

Price kwam met een speciaal culinair concept en stelde het menu samen, dat varieert van lekkere tussendoortjes tot een Deense maaltijd om van te watertanden. Eten is dus sterk verweven met de TV-serie en met de voorstelling: Terwijl op het podium over problemen in Afrika wordt gesproken, kringelt de geur van het nagerecht door de hele zaal. Alle zintuigen volledig open. Theater is een totaalbeleving. “Een coproductie”, noemt productieleider Antsje van der Zee het dan ook terecht.

Terra incognita
De kap, de vloer, de trekkenwanden en noem het allemaal maar op: de (on)mogelijkheden van iedere schouwburg kennen ze, zijn geïnventariseerd daar in Groningen, en dan tot in detail.

Diertens: “Klopt. Maar ja, het voorgebouw, dat is voor ons terra incognita”. Vorig jaar werd daarom iedere speelplaats uitgekamd en uitgespeld op maatvoering en mogelijke hinderpalen: van dorpels, deurbreedtes, bochtenwerk, corridorlengtes; tot de inhoud en de beschikbaarheid van goederenliften – als die er al waren. Maar ook werd nagegaan of er gas op het toneel mogelijk was, of de elektriciteitsvoorzieningen op peil waren voor de uitgiftepunten van de gerechten.

Nogmaals Diertens: “Op het achtertoneel, in de eigen keukenvoorzieningen waarover de meeste de schouwburgen wel beschikken, moet plaats zijn voor de meereizende superkeuken van Amaro. Bedenk dat er zeker drie combi-steamers in gebruik zijn van 47 kilowatt elk, en zulke aansluitingen zijn niet overal voorradig”. Ook op het podium wordt trouwens gekookt; er staan daar twee kookeilanden opgesteld. Daarbij wordt gekookt op gas, omringd door publiek. De veiligheidsvoorschriften zijn dus scherp. “En dan: een gasaansluiting op de toneelvloer, kom daar maar eens om. Nog zoiets: Waar laat je al het afval, de disposables? Zijn er wel voldoende containers?”

Decor
Een decorontwerp dat tien uur lang beklijft, moet boeien en dienen: hoe doe je dat? “Daar is geen recept voor, je moet het proefondervindelijk ervaren. Bindend element is in ieder geval die premier. Je moet met haar begaan raken, je met haar engageren, meeleven”. Het kostuumontwerp draagt daar aan bij: “Nyborg is gevat in kleurtinten, de anderen om haar zijn gaan gekleed in zwart-wit of grijst”. Belangrijk in het toneelbeeld en in de aankleding van de speelplekken is dat het oorspronkelijke TV-gevoel van de serie wordt vastgehouden.

“Uitgangspunt voor het decorontwerp”, zegt André Joosten, die met deze productie de samenwerking met Mafalaani na twintig jaar bekroont, “is dat premier Nyborg in het centrum van de macht opereert. Zij staat in het brandpunt. Alles en iedereen cirkelt om haar heen. Dat beeld heb ik letterlijk genomen.”

Stralend middelpunt is daarom een kroonluchter van bijna 10 meter doorsnede, die aan speciaal daartoe geconstrueerde ronde trussen is bevestigd, bestaande uit drie houten schijven, watergesneden, ongeveer zoals de kringen uit de leader van het NOS Journaal. De diameter van de drie schijven loopt onderling terug. De schijven moeten, terwijl ze in de lucht hangen, onafhankelijk van elkaar kunnen kantelen. Maar ook vanuit de hoogte op de vloer neerdalen. De delen beslaan dan een groot deel van de toneelvloer. De kroonluchter verandert in een soort van ronde vergadertafel, conferentietafel.

“Een symbolisering bij uitstek van het begrip democratie”, noemt Joosten het, “maar die nu en dan ook dienst doet als eettafel”. Al om die kringen, die tafels heen, is Nyborgs buitenwereld zichtbaar, het conglomeraat van pers en politici en buitenlui, dat ook aan het Binnenhof gewoonweg door elkaar heen loopt. Joosten: “Noem het de wandelgangen”. Daarnaast is een stellage gebouwd waarop, bijvoorbeeld, de Eef van Breen Group live kan musiceren.

Boes Diertens, nuchter: “Alles boven de vloer nemen we zelf mee. En dan moet in twee trailers passen”.

VectorWorks
Joosten heeft tijdens Borgen een beroep kunnen doen op assistentie van Hendrik Walther. Hij deed de opleiding Techniek en Theater aan de Theaterschool Amsterdam en liep in 2013 stage bij het NNT, bij Fellini. “Ik kom hier alleen uitdagingen tegen”, grapt hij goedgemutst.

Maar soms draaien die uit op hoofdpijnklussen: “Klopt het wel allemaal?,” maalt het dan door zijn hoofd. Walther heeft over de maquette die voor Borgen werd gemaakt de CAD-software van VectorWorks gelegd, digitaal overgetekend als het ware.

“Als dat klusje eenmaal geklaard is kun je in een oogwenk de zichtlijnen checken en het lichtontwerp gaan voorbereiden”. De digitale versie van het decorplan, wordt daarna getoetst aan CAD-tekeningen van de Stichting Tekening. Die bezit een digitale bibliotheek van plattegronden en technische gegevens van zo’n vierhonderd theaters in Nederland.

Ook het trekkenplan (Walther: “We hebben daar een speciale operator voor”) kan daarna al tot in detail voorbereid worden. Kloosterboer Decor, gespecialiseerd in het vormgeven en ook de bouw van interieurs en decors voor theater, televisie en film bouwt het ontwerp vervolgens ‘fysiek’.

In het ouderwetse kruip-door-sluip-door van Theater De Machinefabriek wordt gerepeteerd in een zo compleet mogelijke decorsetting. Bij NNT geldt: Eerst in huis perfect maken, daarna elders bekijken middels een proefbouw. Een maand voor de première wordt daarom in de Stadsschouwburg Groningen de opstelling bekeken en waar nodig bijgeschaafd. Regisseur Ola Mafaalani wil altijd graag tot op laatste moment flexibel blijven in haar wensen, zo leggen ze geduldig uit bij NNT. En ze werkt niet zonder lichtstanden, zelfs niet tijdens de repetities. De regieassistent schrijft daarom ieder lichtstandje mee.

De zendmicrofoons en de in-ear monitoring, ja, dat is een waar kunststukje. Er is nu gekozen om het aantal te beperken tot 20 setjes, waardoor backstage veel wisselingen nodig zijn, die tijdens de voorstelling stuk voor stuk smooth moeten verlopen en de spelers daarom heel wat hoofdbrekens kosten en discipline vergen. “Maar daardoor valt wel het frequentiemanagement mee”.

“Nogmaals”, zo benadrukt Diertens: “Borgen is voor ons goed te doen. Alleen de catering, de logistiek en het stroomverbruik daaromtrent, die zijn van een hogere kookkunde. Ongerust? Nee hoor. Natuurlijk, er zijn risicofactoren, maar alleen de 3’40 meter hoge trap kan nog een factor zijn. Alles wat zich op een verhoging afspeelt vormt altijd een risico. Maar die verhoging is door een ingenieursbureau doorgerekend. Ik heb dus geen angstvisioenen. En ee hebben een goeie ploeg die dit kan draaien”.

Daarnet komt Mafaalani’s nieuwste verzoek binnen: zwarte confetti. Diertens: “We kunnen wat soorten aanbieden: een klein straaltje, wat meer, of over de hele vloer. We gaan vrienden maken”.

kader
Borgen: de TV-serie
Borgen is een Deens politiek televisiedrama. De naam (De burcht) verwijst naar het regeringscentrum Christiansborg in Kopenhagen, waar het Deense parlement (Folketinget) en het departement (Statsministeriet) van de premier zetelen.

Borgen is het verhaal van Birgitte Nyborg die als premier van Denemarken dagelijks keuzes moet maken tussen idealen en de harde, soms nietsontziende politieke werkelijkheid. Gaandeweg lukt het haar steeds moeilijker om het gezinsleven overeind te houden.
Borgen won in 2010 de Prix Italia en in 2012 de BAFTA Award voor beste internationale televisiedrama. Ook in Nederland is de serie, uitgezonden door de VARA, ongekend populair.

De drie seizoenen, van elk tien afleveringen werden uitgezonden in 2010, 2011 en 2013. De theaterversie beperkt zich tot de eerste twee delen en wordt gespeeld in blokken van ongeveer een haf uur met steeds een korte pauze daartussen.

kader:
Noord Nederlands Toneel & de toekomst
De nieuwe kunstenplanperiode 2017-2020 staat voor het Noord Nederlands Toneel in het teken van veranderingen in de leiding. Guy Weizman (Club Guy & Roni) en Julie Van den Berghe (regisseur) nemen als duo het stokje van artistiek directeur Ola Mafalaani over. Zijzelf neemt in het najaar van 2016 met haar vaste ensemble afscheid van het publiek met de voorstelling All Inclusive.

NNT: Borgen. Première: maart 2016, Groningen.

Citeren uit eigen werk

Van Waveren na 17 jaar het laatste ontwerp van Thomas Rupert voor Ro/Zandwijk

Decorontwerper Thomas Rupert en regisseur Alize Zandwijk vervolgen na 17 Ro Theater-jaren hun weg voortaan bij Theater Bremen. In hun ‘afscheidsvoorstelling’ citeert Rupert uit eigen werk.

Daar waar verbeelding en werkelijkheid elkaar raken. Met deze slogan gaat het Ro Theater dit theaterseizoen te lijf, slaat het de piketpaaltjes van haar repertoire. Maar die is net zo goed van toepassing, meer nog: op het lijf geschreven van Thomas Rupert.

Na zeventien intense jaren in een lange reeks van 35 producties, uitroepteken, die hij met de in Rotterdam terugtredend artistiek leider en regisseur Alize Zandwijk maakte, doet de decorontwerper er de deur achter zich dicht. Met Van Waveren, de allerlaatste grotezaalvoorstelling van Zandwijk bij het Ro Theater. En van Thomas Rupert dus.

In ‘hun’ afscheidsproductie, een verslag van én familiekroniek over de ondergang van een oer-Hollandse ondernemers- en bollenkwekersfamilie, schotelt hij een decor voor dat bestaat uit bestanddelen van voorstellingen die hij sinds 1998 met een vaste regelmaat van zo’n twee a drie per jaar voor Zandwijk bij het Ro Theater maakte.

Als het ware recyclet hij – noem het citaten – decorelementen uit Vuurvrouwen (2014), Bruiloft (2003), Leonce en Lena ( 2001), Hondsdagen (2010), Nachtasiel (1998), Onschuld (2007), Laatste Vuur (2009), Baal (2008), Vreugdetranen drogen snel (2013) en Kust (2012).

Maar van een ‘best of’ wil hij daarmee niet spreken: “Het gaat erom een toneelbeeld te maken dat werkt, dat klopt. Het moet functioneel zijn. Sommige decorelementen zijn zó sterk aan een specifieke productie uit het verleden verbonden dat het een statement zou zijn om die in Van Waveren terug te laten komen. Dat zou verstorend werken. Ja, ik citeer uit eigen werk, dat is waar. Maar niet uit nostalgisch oogpunt. En het moet zeker geen zoekplaatje zijn”.

Thomas Rupert wil dat zijn decors léven, een ‘ziel’ hebben. Wijzend op een scènefoto uit de productie Portia: “Zoals de ‘zoutlijn’ die met verf werd opgebracht op een echte houten boomstam. Die keert dus in Van Waveren terug. Die staat voor Holland, opgedroogd zeewater dat geweken is”.

Hij is na zo’n lange tijd van intensief samenwerken verknocht geraakt aan de samenwerking met Zandwijk. Hij weet: “Ze wil graag zo min mogelijke noviteiten, geen verrassingen. Een min of meer vaste opstelling werkt voor haar het beste. Ze beperkt graag haar eigen speelruimte, wil niet na hoeven denken over de plaats vanwaar een acteur opkomt”.

Op een gegeven moment is hij er met de technische ploeg van het Ro Theater ertoe overgegaan een vast ‘Alize-vak’ te construeren dat steeds opnieuw wordt gebruikt. De oude wanden van Macbeth dienden als basis. “Het is een opstelling waarvan ik weet dat Alize die prettig vindt, bijvoorbeeld door de vaste verhouding tussen vloer en wandpanelen, door de oversized deur die er een vaste plaats heeft. Het schept helderheid, ook voor mijzelf. Ik vind dat fijn. De uitdaging is om het spannend te houden”.

Recycling
De voorkeur voor recycling van materialen, panelen, rekwisieten komt niet uit de lucht vallen. “Daar zijn we al jaren mee bezig”. Het is niet louter een statement, want het handgemaakt vervaardigen van een decorbeeld is onnoemelijk duur geworden. In de theaterzaal aan de William Boothlaan wijst hij op het vloerdoek dat uitgevouwen en opgespijkerd klaarligt voor de repetities van Van Waveren.

“Overgeschilderd, met de hand bewerkt, dat zie je nog zelden. Toch effe anders. Tegenwoordig wordt bijna alles geprint, ook achterdoeken. Dat zie je. En door steeds ‘dezelfde’ vloer te leggen creëer je eenheid in het toneelbeeld: ‘Alize-producties’. Want deze vloer zie je dus telkens weer terug in haar stukken”.

Hij heeft het ontwerpwerk zienderogen zien veranderen. Geen punt, maar: “Een trailer door het land sturen is duur. Twee kan überhaupt niet meer. Eén bouwdag kan, twee niet. Dus moet je compact ontwerpen. Er zijn strenge arbo-eisen verbonden aan de vervaardiging en het reizen. Changementen ja of nee. In ieder geval  weiger ik een opdracht als een productie met een ‘boedelbak’ door het land moet”.

Veelzijdig
Rupert is wat je een veelzijdig scenograaf noemt: van opera tot jeugdtheater en dans tot toneel. “Iedere samenwerking is weer anders, ieder genre heeft zijn eigen productieproces, ieder land zijn eigen mores. In Duitsland mag ik het vloerdoek niet eens áánraken”. Opvallend zijn zijn ontwerpen voor Conny Janssen Danst: vaak een veredeld soort hindernisbanen voor dansers, vloeren vol obstakels, bijvoorbeeld 30m3 papier, of een formatie touwen  boven de speelvloer die de choreografie stuurt of beperkt. “Het daagt Conny uit, beperkingen zorgen voor inspiratie bij haar”.

De vertaalslag van toneeltekst naar voorstelling evenwel, of beter: naar toneelbeeld, dat is voor hem nog altijd geen eenvoudige stap. “Mijn vriendin, Conny Janssen, laat ik vaak hardop de tekst van een toneelstuk voorlezen. Vaak krijg ik er dan gelijk een beeld bij. In de beslotenheid van jezelf een toneeltekst lezen werkt niet half zo goed”.

Signatuur
Van een eigen ontwerpsignatuur wil, kán hij niet spreken. Hij is geen autonoom kunstenaar, hoor. Wel een kameleon, die op zijn eigen manier ontwerpt. Of toch: “Mijn signatuur is de diversiteit.

Denken vanuit de dramaturgie, niet vanuit de esthetiek.

Mijn decors zijn in ieder geval geen ‘Versweyvelds’. Dierbaar zijn hem met name de decors van Bruiloft (‘uitpakken!’), Branden (‘de mooiste, ik heb erbij zitten janken’) en Leonce en Lena (‘Mijn meest doordachte decor’).

Uniek
Hannover, Bremen, Düsseldorf, Berlijn, Rotterdam, Arnhem, Den Haag, Amsterdam: decorontwerper Thomas Rupert is er kind aan huis. Introdans, Orkater, Nationale Toneel, Toneelgroep Amsterdam, Het Toneel Speelt, BuhneBilder bij onze oosterburen – hij draait er zijn hand niet voor om. Maar mét voorkeuren: zowel Conny Janssen Danst als het Ro Theater zijn hem heilig.

“Het Ro Theater voelt als een familiebedrijf. Het fijne vind ik de teamprestatie. Ik kan hier echt met iedereen lezen en schrijven. Maar verandering is goed, niet alleen voor het Ro maar ook voor mijzelf. Ik ben met Alize nu aan de slag bij Theater Bremen, Schauspielhaus Zürich en het Deutsches Theater Berlijn. Plekken en oorden om naar uit te kijken. En Alize? Zij is uniek om mee samen te werken. Met trots werpt hij een denkbeeldige blik op hun verleden. “Ik vind wel dat we een oeuvre hebben gevestigd”.

In het Ro-thuishonk aan de William Boothlaan wordt intussen verder gewerkt en gebouwd aan Van Waveren. Hoofd techniek John Thijssen werkt aan een uit aluminium opgetrokken Panamarenko-achtig, haast Joost Conijn-achtig, vliegtuigje dat het toneelbeeld van Van Waveren gaat sieren. Er moeten nog wat propellertjes op de vleugels. Maar hoe?

Ro Theater: Van Wabveren. Première: oktober 2015, Rotterdam.

Dubbele remmen

Help Hijsen

“Uiterst tevreden”, aldus een ‘spinnende’ Vivienne Ypma, leidsvrouwe van De Kleine Komedie in Amsterdam. Door een in jaren opgebouwd eigen spaarpotje en ruim  tachtigduizend euro aan gerealiseerde groepsfinanciering via website voordekunst.nl is het haar deze zomer gelukt de afgeschreven  trekkenwand voor een broodnodig en belangrijk deel te vervangen. “We moesten nog  79 duizend euro verzamelen. En dat is gelukt”.

Een huzarenstukje want niet bepaald een ‘sexy’ voorziening. Niet bij sponsors in ieder geval. Onzichtbaar maar wel onmisbaar. “We zijn eerst de haalbaarheid van onder meer een veiling of een benefietavond nagegaan, maar besloten over te gaan tot crowdfunding. Waarom? We kunnen bogen op een trouw bezoekerspubliek en onze bespelers zijn zeer betrokken. We hadden  tot nog toe geen ervaring met deze wijze van financiering. Maar uiteindelijk hebben we in twee maanden tijd het benodigde bedrag bijeen weten te verzamelen. Moet ook niet veel langer duren trouwens, want potentiële schenkers moet je in korte tijd zien te interesseren, als je hen te vaak en te lang informeert raken ze geïrriteerd en werkt het initiatief averechts. ”.

Ypma heeft meer tips te delen. “Denk vooraf goed na aan wie je wat vraagt. Schiet met scherp. En bezin op de tegenprestaties. Iedereen die ons een warm hart toedraagt kon mee helpen hijsen door een stukje van de Trekkenwand te financieren. Deelnemers konden al meedoen vanaf €25 voor een lot waarmee ze kans maakten op een Gouden Ticket, een passe-partout voor twee personen voor alle programma’s van het seizoen 2015-2016”.

Wat is er in De Kleine Komedie gebeurd?
Volgens de nieuwe Machinerichtlijn en de bestaande Arbowet moest de trekkenwand aangepast worden. De aandrijvingen van de decortrekken hadden een enkele mechanische bedrijfsrem. Die werden vervangen door dubbele remmen. Het elektronische besturingssysteem en een deel van de mechanica werd vervangen. “De ouwe trekkenwand moest vervangen worden . Met deze aanpassingen kunnen we weer zonder risico en volgens de regels boven de hoofden van de bespelers decors changeren”, zegt Thom Hannessen van De Kleine Komedie. “We zijn omgebouwd  van Stakebrand Stalogic naar Trekwerk TNM (The New Machine). Alle elektronica, regelaars en computers van Stalogic werden vervangen door computers van TNM. De motoren zijn gebleven maar werden uitgevoerd met nieuwe dubbele remmen, encoders en een interface voor de lastmeting. Verder werd de gehele bekabeling en infrastructuur vernieuwd. De ombouw heeft vijf weken in beslag genomen. Nu voldoet de besturing aan de norm IEC 61508 SIL 3”.

 

“Dit ballet moet minimaal vijf jaar mee kunnen”

Sieb Posthuma, decor- en kostuumontwerper van een slordige 1,5 miljoen

Met Coppelia bracht Het Nationale Ballet onlangs voor het eerst in dik drie jaar weer eens een avondvullende productie uit die het gezelschap van begin tot eind volledig in eigen huis tot stand bracht. Met een budget van een slordige € 1,5 miljoen, louter aan out of the pocket-kosten, mocht er natuurlijk niets mis gaan. Missie: het grote publiek overtuigen van de houdbaarheid van klassieke dans. Voor het opvallende toneelbeeld, de uitbundige rekwisieten en de cartooneske kostuumontwerpen werd de bekroonde kinderboekenillustrator Sieb – “Ik teken huizen met schoorstenen” – Posthuma ingehuurd.

De eerste brainstormsessies vonden bijna drie jaar geleden plaats in Amsterdam, ten kantore van Het Nationale Ballet, toen choreograaf en artistiek leider Ted Brandsen, dramaturge en librettiste Janine Brogt, kostuumontwerper François-Noël Cherpin en illustrator Sieb Posthuma bijeenkwamen voor het smeden van de eerste plannen. Onderwerp van gesprek was het uitbrengen van een remake van het door kenners wat tuttig beschouwde achttiende-eeuwse ballet Coppelia. Video-opnamen en DVD’s van de oude choreografie werden tevoorschijn gehaald, allerlei films (onder meer van Jacques Tati, Grease, Invasion of the Body Snatchers) bekeken en besproken, de verhaallijn geanalyseerd, en – na enkele sessies – het concept vastgesteld: Coppelia zou een actueel, eigentijds en levenslustig feelgood -ballet worden over de bedrieglijkheid van schone schijn. “Juist in een samenleving die steeds grimmiger wordt is dat heel belangrijk”, licht Brandsen toe. De premièredatum moest ook in dat licht gezien worden: 14 februari, Valentijnsdag.

Posthuma verscheen bij Brandsen voor het eerst op het netvlies toen de illustrator op eigen initiatief met een portfolio onder zijn arm een bezoek bracht aan de artistiek directeur. Maar pas nadat Brandsen een bezoek aan het Diaghilev Festival van 2005 in Groningen had gebracht, was hij ‘om’. Daar werd hij met zijn neus op een immens doek van een slordige duizend vierkante meter geduwd, waarop een tekening van loges vol feestelijk schouwburgpubliek. Was getekend: Sieb Posthuma. Brandsen zag in de illustrator de ideale man voor het toneelbeeld van Coppelia, een productie die hij toen al op de nominatie had staan. Voor Posthuma moet de uitnodiging die erop volgde zoiets zijn geweest als het gevoel van een kind dat voor het eerst met een briefje van tien in een snoepwinkel staat. Als tekenaar is Posthuma’s immers het platte vlak gewend – en als bij toverslag kreeg hij zomaar een derde dimensie op reuzenformaat cadeau. Posthuma: “Het platte vlak is een tamelijk dominant gegeven. Het was verleidelijk om meteen enorm uit te gaan pakken, maar eigenlijk wist ik vrijwel van het begin af aan al dat ik er een levend prentenboek van wilde maken, een soort bewegend pop-up -boek waarin dansers zich evenwel vrijelijk moesten kunnen bewegen. Bovendien wilde ik mijn handelsmerk niet kwijt: een fragiel ogende maar toch stevige en wat grillige, zwarte contourbelijning rond mijn schepsels, waarvan het lijkt alsof die met vulpeninkt en kroontjespen is aangebracht. Dat is de kern van mijn tekenwerk.”

Bambergen, zo heet het pittoreske stadje waar E.T.A. Hoffmann, de Duitse schrijver waarop het oorspronkelijke Coppelia is gebaseerd, woonde. Postuma is er gaan kijken. “Eerst moest ik het feit dat ik een decor mocht ontwerpen, eens goed op me laten inwerken. En al snel daarna ben ik gaan tekenen, tekenen, enorm veel gaan tekenen: drie geheel verschillende aktes, en meer dan honderd kostuums en personages die de vloer zouden bevolken. Mijn opdracht was om naast het toneelbeeld ook leven aan de karakters in te blazen. In mijn boeken ben ik dat ook gewoon.” In het artistieke team werden verhaalconcepten tegen het licht gehouden, schetsen besproken, nieuwe ideeën getoetst, de dramaturgische, logistieke en financiële consequenties getrokken – om daarna opnieuw tekeningen te gaan maken die ten slotte opnieuw weer werden bijgewerkt. “Toch is in alles wat er nu op het podium te zien is, het prille begin van mijn ontwerpen te zien. Daar ben ik wel een beetje trots op”, glimt de kinderboekentekenaar.

Zo’n twee jaar geleden kon Ellen Windhorst, gelegenheidsassistente van Posthuma, een begin kon maken met het vervaardigen van niet één, maar welgeteld liefst drie maquettes – voor iedere akte een – waarin tot in ieder mogelijk detail achter de komma de complete set werd nagebouwd, inclusief opengewerkte kap, trekkenindeling en voorzien van summiere belichtingsmogelijkheden. Toen iedereen na al dat moois wakker schrok, loog het voorlopige eindresultaat er niet om: er moest onder meer een drie meter hoge, op een citruspers gelijkende huisbar komen waarvan het bovendeel echt zou moeten kunnen draaien, een sportschool op miniformaat (toch nog bijna drie meter hoog), een levensgrote kabinetkast – het pièce de résistance (zes meter hoog, zes meter breed en twee meter diep) die tijdens de voorstelling op het podium van zijn plaats verreden zou moeten kunnen worden, en van binnenuit verlichte bomen die tot over zes meter hoogte reikten. Posthuma: “Ik wou graag een ouderwets-futuristische vormgeving. Een beetje zoals de oude Frankenstein-films. Op een gegeven moment heb ik bewust afstand gehouden van de verleidingen die de theatertechniek van tegenwoordig biedt, want dit ballet moet over vijf jaar ook nog mee, al was het maar vanwege de investering.” Toch kriebelde het af en toe bij hem: “Aan de ene kant wilde ik me niet laten verblinden door al het technische potentieel, aan de andere kant zei Ted Brandsen steeds dat ik me niet moest laten weerhouden om te ontwerpen zoals ik het wou. Niets was onmogelijk, zei hij dan. Fantastisch dat ik geheel vrij werd gelaten in mijn keuzes.”

Het decoratelier van Het Nationale Ballet: een onooglijke, enorme grote, grijze blokkendoos in Amsterdam – Zuidoost die het gezelschap deelt met De Nederlandse Opera, zo’n vijf maanden voor de premièredatum. Uit grote kubussen polystyreen, zeg maar piepschuim, worden de stammen voor de zeven, huizenhoge bomen gefiguurzaagd en vanbinnen van een ijzeren frame voorzien. Dat is nodig voor de loodzware kroon van de boom die er straks op komt te rusten. Ondertussen wordt elders in de werkplaats de beschilderde canvas-omspanning van die kroon met behulp van een luchtdrukpistool vastgezet. In nog een ander deel van het pand is inmiddels een sierhekje in elkaar gelast dat later de voet van de boom zal sieren. Op de eerste verdieping trekken intussen op de pc de mogelijkheden – en dus keuzen – voor de trekkenindeling voorbij.

Op zaterdag 3 november is het dan eindelijk zover, er is tijd gemaakt voor een beperkte proefopstelling in Het Muziektheater, die eigenlijk niet meer behelst dan het in aanwezigheid van Brandsen, Posthuma en talloze technici en productielui uittesten van een van de bomen. Dat vindt plaats tegen het decor van de monumentale Romeo en Julia die Het Nationale Ballet ten tijde van de proef in serie speelde. Het levert het surrealistische schouwspel op van typische Posthuma-belijningen in een zwierig en protserig zeventiende-eeuws Verona.

Pas nu worden voor het eerst de enorme omvang en de consequentie zichtbaar die de ontwerptekeningen van Posthuma op de vloer tot gevolg hebben. De stam wordt op zijn plaats gezet, de kroon wordt aan stalen kabels opgehesen, daarna op de boom geplaatst, en aan de boom verankerd. Bekabeling wordt aangesloten, de belichting kan worden uitgeprobeerd. De kleurscrollers in de boom doen voor het eerst hun machtige werk. Van licht oranje naar diep paars, een prachtig gezicht. Het effect wordt met een mobiele telefoon in bewegende beelden gevangen, zodat de in de V.S. woonachtige lichtontwerper James Ingalls een indruk kan worden gegeven van de manier waarop een en ander uitpakt.

Nicholas Sperling, productieleider van Het Nationale Ballet, ziet toe op de test. En zit dan zijn maag met wat gerezen vraagstukken. Want zo te zien moet er nog het nodige worden bijgesteld, en het ziet er volgens hem dan ook naar uit dat er de komende drie maanden nog driftig getimmerd, gelast en geschuurd zal moeten worden – en nog duizenden liters verf moeten worden opgebracht.

Vijf dagen voor de première. Er wordt druk gerepeteerd. Die dag is Coppelia voor het eerst in vol ornaat in Het Muziektheater opgebouwd. Wiebelige parkstoeltjes wachten in het achtertoneel, krullerige bankjes bevolken het zijtoneel, gele puddingpruiken prijken in de coulissen, en een griezelkabinet vol hoofden en ledematen uit papier-maché hangt gezellig griezelig in de kap. Tot aan het laad- en losperron is alles compleet volgestouwd. En dan te weten dat de kabinetkast, de sportschool en de juicebar al op de vloer staan. De achterwand van de eerste akte bestaat uit drie rijen zetvakken van liefst 22 meter breed. Die vormen de contouren van het dorp. Alles wat Posthuma de laatste maanden en jaren heeft getekend, is nu tot in detail op reuzenformaat nagebouwd en op talloze karren gemonteerd. Die kunnen pneumatisch op rollers worden getild, waardoor ze zonder al te veel spierkracht verrijdbaar zijn geworden.

In de coulissen regelt voorstellingleider Margus Spekkers vanaf de inspiciëntenlessenaar de gang van zaken, bepaalt de do’s en don’ts, en instrueert in de coulissen de medewerkers van de Technische Organisatie over de timing van de changementen. Na een keer of wat loopt alles waarschijnlijk gesmeerd, maar nu is er nog veel af te stemmen. Op de vloer ziet Ted Brandsen voor het eerst real time hoe zijn voorstelling eruit komt te zien, terwijl de dansers zich in hun kleurrijke en soms buitenissige kostuums hijsen, warmen ander zich op of zijn aan het spacen.

In de zaal draait ontwerper James Ingalls druk aan de knoppen van de lichtcomputer. Hij is pas een dag eerder gearriveerd en heeft zich tot nu toe eigenlijk alleen met behulp van gemailde foto’s en de eerder ter sprake gebrachte opnamen een beeld kunnen vormen van het te vormen toneelbeeld. Hij wordt evenwel geacht in niet meer dan vijf repetitiedagen een betoverend ontwerp tot stand te brengen.

Voor productieleider Nicholas Sperling breekt nu een nog hectischer periode dan vooreerst aan. Na drie jaar voorbereidingstijd en een budget van 1,3 miljoen euro mag er absoluut niets mis gaan. Na de wijzigingen die als gevolg van de testopstelling in november zijn doorgevoerd, is de rek er inmiddels uit. Sperling: “Er zijn in de tussentijd bijvoorbeeld nieuwe, wat ruwer en rafeliger uitziende hekjes in elkaar gelast die de tekenlijn van Posthuma beter tot uitdrukking brengen. Daarna zijn ze nog eens omzwachteld met zwart tape, waardoor optische verdikkingen rond de staven zijn ontstaan.” De bomen zelf zijn eveneens onder handen genomen. De uit twee delen bestaande gevaarten werden aanvankelijk op elkaar gemonteerd. “Uit veiligheidsoogpunt werd dat te labiel geacht voor zo’n bijna een ton wegend decorelement. Er is voor gekozen om de kroon vanuit de kap te laten neerdalen op een zoeker. De kroon duwt nu niet meer met zijn volle, lompe gewicht op de stam, maar hangt aan aluminium staanders, en die zijn op hun beurt aan een van de trekken zijn bevestigd. Er is nu wel kans op heel lichtjes heen en weer zwiepen van de kroon tijdens de voorstelling door het springen van de dansers, maar de constructie is zo wel veel veiliger. Voor dansers en technici.”

Een delicaat punt bleek ook de wijze waarop de bomen van binnenuit werden aangelicht. De kroon van de boom is een platte, zo’n dertig centimeter diepe kast met een opstaande rand, die is omsloten door een canvas doek. De kleurscrollers in de boom veroorzaakten een teveel aan warmte. Eerder werden led’s geprobeerd, maar die bleken te kwetsbaar. De oplossing is gevonden in het gebruik van in serie geschakelde kopspiegellampen. “De kroon van de boom kan echter niet meer van iedere gewenste kleur verschieten, want de achterwand van de kast is hierin bepalend geworden”, aldus Sperling. Eerder had Posthuma al af moeten zien van zijn plan om voor de kroon van de bomen lampionnen te gebruiken. Ze zouden eenvoudigweg te breed zijn aan de trekken, en zouden niet de kap in gehesen kunnen worden. Posthuma: “En ik realiseerde me al snel dat iets dergelijks niet zou passen in het tweedimensionale beeld dat mij voor ogen stond’. Ook heeft Posthuma een projectie geschrapt. “Ik wilde aan de hand van filmbeelden tonen hoe personages uit Coppelia een make-over ondergingen. Die realiteit verhoudt zich echter wat lastig ten opzichte van de tekenwereld die ik had opgebouwd.” En hij verzucht: “Soms is het echt kill your darlings.”

Nog twee dagen te gaan. Posthuma heeft plaatsgenomen in de zaal, vlakbij Ingalls, omringd door enkele medewerkers van de Technische Organisatie. Hij wil graag dat de megalomane kabinetkast wordt overgeschilderd, want die ziet er niet uit zoals hem het ooit voor ogen stond. Met in totaal slechts vijf stage-dagen en na bijna drie jaar van voorbereidingen treffen schiet de stressmeter bij vrijwel alle betrokkenen nu toch wel in het rood. Niettemin wordt alles gefikst.

De dag erna vallen alle puzzelstukjes keurig in elkaar. Voor het eerst wordt er gerepeteerd met live muziek, waarvoor een compleet symfonieorkest is besteld: Holland Symfonia onder leiding van dirigent Boris Gruzin. Pas na die voorgenerale kan het artistieke team pas echt bepalen of hun onderneming als geslaagd kan worden geboekstaafd. Na afloop zijn de gezichten van de betrokkenen opgeklaard. Alles is naar wens verlopen. Het wachten is slechts op de première.

Trotse gezichten, glimmende pakken, luchtballonnen in de foyer: het is Valentijnsdag, de première van deze voorstelling vol schone schijn en echte liefde is nakende. Posthuma toont zich vooraf al in zijn nopjes met het geheel: “Vrijwel alles is precies zo uitgepakt zoals ik het bij het begin ooit in mijn hoofd had. Ik heb als het ware mijn handschrift in handen van de technische ploeg van Het Nationale Ballet gegeven en het had eigenlijk nauwelijks beter kunnen uitpakken.” De première verloopt gladjes. Iedereen is opgetogen. Behalve de technici van Het Muziektheater: al een dag later moet Kat’a Kabanova van De Nederlandse Opera alweer in volle glorie te zien zijn. Weer een prestatie van formaat.

kaders

Coppelia
Voor het eerst na bijna dertig jaar was het zeventiende-eeuwse ballet Coppelia van danslegende Marius Petipa en Arthur Saint-Léon weer in Nederland te zien. In februari van dit jaar bracht Het Nationale Ballet de choreografie op muziek van Léo Delibes in première in Het Muziektheater te Amsterdam, de thuisbasis van het grootste dansgezelschap van Nederland, een huis dat het deelt met De Nederlandse Opera.

De aloude komedie Coppelia is het verhaal over een dorpsjongen (Franz) en –meisje (Swanhilda), die op het punt van trouwen staan met elkaar. De plotselinge verschijning van de mooie Coppelia brengt Franz uit evenwicht. Coppelia is zo mooi dat ze Franz een dag voor zijn huwelijk weet te verleiden tot een heimelijk bezoek. Haar woning blijkt een laboratorium waar de sinistere Dr. Coppelius huist. Swanhilda heeft inmiddels lucht gekregen van Franz’ escapade en is hem gaan zoeken. In het lab van de dokter aangekomen ontdekt ze dat Coppelia een mechanische pop is, en dat de dokter op het punt staat om Franz te bedwelmen. Daar weet ze een stokje voor te steken – en Franz te redden. Eind goed, al goed. De bruiloft kan gelukkig doorgang vinden.

Waar het oorspronkelijke verhaal als commentaar bedoeld is op de mechanisering van het wereldbeeld (industrialisatie, trein) die in die ontstaansperiode van dit ballet hevig doorzette, is Coppelia bij Het Nationale Ballet een verhaal over schone schijn en echte liefde, ware liefde en de maakbaarheid van het leven. Het lab is vervangen door een kliniek voor total make-over waar botoxbehandelingen, nose jobs en borstvergrotingen worden uitgevoerd. Betekenisvol is die kliniek, want die staat voor de moderne tijd. Het toneelbeeld geeft dan ook niet langer een lieflijk, folkloristisch dorpstafereel te zien, maar een stripboek met oversizede decorelementen en personages die zo uit een stripboek zouden kunnen komen.

Met de voorstelling werpt choreograaf Ted Brandsen de vraag op of en in hoeverre plastische chirurgie goed te praten is. “De wens om altijd aantrekkelijk, jeugdig en energiek te zijn en te blijven is in onze wereld heel belangrijk geworden”, zegt Brandsen, “en schept een markt. Wie die markt weet te bespelen is verzekerd van succes. Het is de vraag of die commerciële benadering niet in de weg staat van integriteit en blijvend geluk.” Afgezien van enkele dramaturgische aanpassingen is het verhaal in grote lijnen overeind gebleven.

Biografie Sieb Posthuma
Sieb Posthuma studeerde af aan de Rietveld Academie in Amsterdam. Hoewel zijn werk uiteenlopende gebieden bestrijkt, dankt hij zijn bekendheid vooral aan zijn werk als kinderboekenschrijver en -illustrator.
Zijn eerste opdrachten waren echter voornamelijk gericht op volwassenen:
Posthuma tekende tien jaar lang een wekelijkse politieke prent voor NRC
Handelsblad, werkte voor HP / De Tijd, maakte boekomslagen en ontwierp deKinderpostzegels 2000.
In 2001 kwam zijn eerste, zelfgeschreven en geïllustreerde prentenboek
Rintje uit, waarvoor zijn eigen – gelijknamige – hond model stond. Het
boek werd bekroond met een Vlag en Wimpel en vertaald in het Engels,
Spaans, Japans en Italiaans. Inmiddels telt de Rintje-reeks vijf boeken,
heeft de hond een eigen kaartenlijn en schrijft Posthuma wekelijks een
Rintje-verhaal in NRC Handelsblad. Een animatieserie voor televisie is in
voorbereiding.
Ook schreef en illustreerde Posthuma het prentenboek Mannetje Jas –
waarvan een ‘visuele muziekvoorstelling’ gepland staat voor het
theaterseizoen 2009 – 2010; en het gelegenheidsboek Tippie, de
verhalenvangster
, dat hij maakte voor de opening van de nieuwe Openbare Bibliotheek in Amsterdam.
Daarnaast illustreerde hij met veel succes teksten van andere auteurs. Zo
won hij onder meer een Vlag en Wimpel voor zijn illustraties in het
prentenboekje-met-cd Peter en de Wolf (2005) en kreeg hij vorig jaar een
Zilveren Penseel voor zijn tekeningen bij Feodoor heeft zeven zussen van
kinderboekenschrijfster Marjet Huiberts.
In 2005 maakte Posthuma zijn eerste decorontwerp, voor het Diaghilev
Festival in Groningen. Dit ontwerp was – naast zijn kinderboeken –
aanleiding voor Ted Brandsen om hem te vragen de vormgeving van Coppelia voor zijn rekening te nemen.

www.rintje.nl

De radiografisch bestuurde kast
De radiografisch bestuurde, bijna zes meter hoge en brede kabinetkast uit Coppelia rijdt en roteert tijdens de voorstelling live op het podium. Technicus / uitvinder Ruud Sloos legt uit: “De kast staat op vier zwenkwielen en twee wielnaaf-motoren van Alpatech, die elektrisch worden aangedreven. De wielnaven hebben we eerst in een planetaire bak gezet en dat geheel vervolgens op een draaikrans gemonteerd. Daaromheen is een ketting aangebracht. Die ketting wordt aangedreven door een traploze, geruisloze elektromotor van 24-volts gelijkstroom. De radiografische besturing gebeurt met behulp van een 40 MHz Futaba afstandsbediening, feitelijk een huis-tuin- en keuken –apparaatje, zoals je dat ook wel ziet bij modelautootjes of -vliegtuigjes. Door de joysticks van de afstandsbediening te bewegen kan ik de kast krijgen waar ik die maar hebben wil, in iedere gewenste snelheid. Het parkoers luistert erg nauw ja, want voortdurend bewegen dansers langs en om de kast heen, en je hebt te maken met de specifieke eigenschappen van een balletvloer. Als ik ziek word? Tja, dat is pech, maar dan moet ik toch echt komen opdraven, weer of geen weer. Het vergt namelijk wat ervaring voordat je met dit geheel overweg kunt.”

Fact & figures Coppelia
In de 7 bomen zitten 650 stuks 60 wattkopspiegellampen. De grootste van de bomen slurpt 8,5 kW op, daarom wordt deze gevoed door een 10 kW-kabel. In de zetvakken die de huizenrij verbeelden zitten 150 lampjes in 25 watt mat. In de gehele productie is 500 meter aan prikkabel gebruikt, en zijn er ongeveer 800 fittingen verwerkt. In het prieel dat in de derde akte wordt gebruikt, zit 60 meter aan led-strengen, met om de 4 centimeter een lampje.
In de immense Coppelia-kast zitten 32 led-strippen van 1.70 meter lang, en ook daar om de 4 centimeter een lampje. Verder wordt er gebruik gemaakt van de belichtingsmogelijkheden die Het Muziektheater standaard in huis heeft. Voor Coppelia worden daarvan zo’n 500 lampen ingezet, met onder meer bewegend licht en zo’n 150 kleurscrollers.
Van de om en bij 95 trekken in Het Muziektheater waren er dik 50 in gebruik voor Coppelia.

Het Nationale Ballet
Het instandhouden van werken uit het klassiek-romantische repertoire is een van de kerntaken van Het Nationale Ballet. Giselle, La Sylphide, The Sleeping Beauty, Notenkraker en Het Zwanenmeer zijn daar voorbeelden van. Vaak gaat het hierbij om aangekochte producties: decors en kostuums zijn al ontworpen en de choreografie staat vast. In huis hoeft er dus niet veel te gebeuren. Het uitbrengen van een geheel eigen versie houdt in dat het gehele productieproces in eigen huis gebeurt. Een kostbare zaak, gezien het feit dat Het Nationale Ballet zo’n tachtig dansers in het tableau heeft, en de vloer van Het Muziektheater tot de grootste van Europa behoort.
Naast klassiek-romantische werken brengt Het Nationale Ballet overigens ook werken uit de vorige eeuw (Balanchine, Les Ballets Russes) en er staan er geregeld premières van hedendaagse dansmakers op het programma: Ratmansky, Forsythe, Schläpfer, Van Manen.

© Eric Korsten