Brandpunt van de dans

Met het driemanschap Christopher Wheeldon, Wayne McGregor en David Dawson treedt met Cool Britannia het neusje van de zalm aan van het Britse ballet. Ook artistiek leider van het NDT, Paul Lightfoot, en NDT-gastchoreograaf Hofesh Shechter, hebben Engeland als geboortegrond. Engeland geeft in Europa mede de toon aan als het gaat om vernieuwing van de academische dans. Wat maakt Engeland tot een van de brandpunten in de moderne dans?

Met de bekendmaking van de nominaties voor de jaarlijkse National Dance Awards blijkt de omvang van de Britse danswereld pas echt. Liefst 50 recensenten dienden per categorie vijf namen in. Kom daar hier in ons kikkerlandje maar eens om: hier wordt het überhaupt nog even zoeken naar het dat aantal, dan wel kenners die uit journalistieke motieven en met autoriteit over dans kunnen oordelen.

In tegenstelling tot Nederland is in Engeland liefde en deskundigheid voor ballet en dans niet een zaak van vandaag of gisteren. Sterker: Het land kent een eeuwenlange traditie die, net als in Frankrijk en Italië, terug gaat tot de zeventiende eeuw. Doordat in de negentiende eeuw danspedagogen uit allerlei landen balletstudio’s in Londen leidden, konden Britse danskunstenaars in verschillende stijlen worden geschoold. Aldus is de Engelse balletstijl ontstaan uit een smeltkroes van Franse, Deense, Frans-Russische en Italiaanse danstechnieken, zo is te lezen in Van hofballet tot postmoderne dans, Luuk Utrechts (on)volprezen bijbel van de dans. Volgens hem kenmerkt de Engelse stijl zich door grote nadruk op helderheid en zuiverheid ten aanzien van vorm én inhoud. De vereiste precisie die een danser aan de dag moest leggen werd naast een meetlat gelegd – en ook vandaag de dag wil dat nog wel eens gebeuren.

Voedingsbodem
Deze als eigenzinnig te omschrijven benadering van ballet ten spijt, en ondanks een trits beroemde grondleggers en choreografen die aldaar in de twintigste eeuw opstond, zoals Ninette de Valois, Marie Rambert, Frederick Ashton, John Cranko en Kenneth MacMillan, stond Engeland niet a priori te boek als ‘gidsland’ voor vernieuwingsontwikkeling. Pas de laatste paar decennia is Engeland tot een bloeiende voedingsbodem uitgegroeid voor het doorontwikkelen van ballet en moderne dans. Hoe dat komt? Als we ons bepekerken tot Nederland: Terwijl hier dans als vak in het basis- en voortgezet onderwijs in de kinderschoenen staat is in Engeland dansonderwijs – evenals muziekonderwijs, maar dat terzijde – sinds 1988 opgenomen in het verplichte onderwijssysteem.

Invulling
In Engeland heeft iedere basisschool de mogelijkheid om zelf te bepalen hoe zij het dansvak invult. Dansles betekent hier niet alleen dat een dansdocent pasjes voordoet en dat leerlingen die nadoen, want volleerde theoretici en experts met praktijkervaring hebben zich over het fenomeen ‘dansles’ gebogen. Dat heeft niet alleen tot nieuwe onderwijsvormen geleid, maar ook tot meer variatie in dansstijlen die onderwezen worden. De meerderheid, met name de basisscholen, hebben het presenteren van dansvoorstellingen in het schoolprogramma opgenomen. Toch is deze positie van dans, lees: de gymlessen, niet onomstreden. Want al jaren woedt de discussie of dans een fysieke is, dan wel een esthetische, kunstzinnige, culturele activiteit. De kritiek is dat door dans expliciet onder het vakgebied van de lichamelijke opvoeding te plaatsen de creativiteit en de artistieke waarde van dans intrinsiek wordt ontkend. Langs die lijn van rekkelijk- en preciesheid stellen tegenwoordig de voor- en tegenstanders in Engeland zich tegenover elkaar op.

National Primary Curriculum
Het National Primary Curriculum is een vast onderdeel van de lessen lichamelijke opvoeding op basisscholen. Liefst 96 procent van alle Engelse scholen in het primair en voortgezet onderwijs biedt dans aan, na voetbal de meest populaire activiteit, zo blijkt uit onderzoek. Als zoveel jonge mensen binnen en buiten school met dans in aanraking worden gebracht dan kan het niet anders dan dat de vraag naar dans toeneemt, door makers én belangstellenden. Dat betekent dat daardoor ook meer mogelijkheden ontstaan voor jongeren die van dans graag hun beroep maken.

The Royal Ballet School
De gekweekte belangstelling voor dans straalt ook af op balletscholen en, op getrapt wijze, vervolgens ook op onder meer The Royal Ballet School, als een van de vlaggenschepen van de dans. Aan concurrentie bij The Royal Ballet School totaal geen gebrek. Meer dan tweeduizen0d kandidaten deed er in 2013 auditie. En bijna duizend studenten namen deel aan de verschillende trainingsprogramma’s bij The Royal Ballet School, verspreid over geheel Engeland. Nog eens 928 junioren deden dat ook. Daarbovenop werden 1800 geïnteresseerden door The Royal Ballet School bereikt in talentontwikkelingsprogramma’s. En van de dansers die zijn verbonden aan The Royal Ballet is zeventig procent afkomstig van de eigen school.

Het kan niet anders dan dat bij zulke getallen en het schoolsysteem het talent als bijna ‘vanzelf’ komt bovendrijven. Dat is te kort door de bocht: natuurlijk moet iedere danser en iedere choreograaf nauwlettend in diens ontwikkeling worden gecoacht, voortdurend worden begeleid. En dan komen er pareltjes uit de oester. En dan te bedenken dat ook het muziekonderwijs in Engeland op een zelfde leest is geschoeid.

Kader:
Cool Britannia
Choreografen Christopher Wheeldon en David Dawson creëren ieder een nieuw werk voor Cool Britannia. Christopher Wheeldon nam de uitnodiging aan vanwege de speciale band die hij voelt met Het Nationale Ballet. Hij geldt als een van ’s werelds meest gevraagde choreografen van dit moment. David Dawson zoekt in Cool Britannia opnieuw de samenwerking op met componist Greg Haines. Het Nationale Ballet verleent hem daartoe een compositie-opdracht. Wayne McGregor maakt in dit programma zijn debuut bij Het Nationale Ballet. Van hem staat Chroma op het programma, dat hij in 2006 creëerde voor het Royal Ballet.

Kader:
Associate Artist David Dawson
David Dawson is met ingang van 2015 Associate Artist van Het Nationale Ballet. Dawson, internationaal geroemd als een van de belangrijkste vernieuwers van het klassieke ballet, zal de aankomende jaren exclusief voor Het Nationale Ballet een aantal nieuwe balletten creëren.

Ted Brandsen, directeur van Het Nationale Ballet: “David maakte zijn allereerste ballet in 1997 bij Het Nationale Ballet. Hij heeft hier zijn choreografisch talent tot ontwikkeling gebracht. Zijn talent is nu tot volle bloei gekomen en gezelschappen van over de hele wereld hebben werk van hem op het repertoire. Er is er altijd een samenwerking tussen ons geweest. Ik vind het belangrijk om een topchoreograaf als David Dawson, die inspireert en innoveert, een huis te bieden en vaster aan ons gezelschap te verbinden.”

Kader:
Sterke band
Het Nationale Ballet koestert vanaf de oprichting een sterke band met Engeland. Zo staat Sir Peter Wright’s versie van The Sleeping Beauty nog altijd op het repertoire en danste het gezelschap recentelijk nog Frederic Ashton’s Midzomernachtsdroom.

Andersom is er ook een relatie: Hans van Manen creëerde Four Schumann Pieces (1975) voor The Royal Ballet; en werk van huischoreograaf Krzystof Pastor wordt veelvuldig in Engeland uitgevoerd, onder meer bij het Northern Ballet en Birmingham Royal Ballet. Het Nationale Ballet gaat regelmatig op tournee naar Engeland. De Junior Company was eind mei 2014 en ook in juni 2015 in Londen te gast, terwijl het ‘grote’ gezelschap in een lange reeks optredens nog in 2011 en 2006 deze miljoenenstad aandeed. Omgekeerd waren in Nationale Opera & Ballet altijd veel Engelse dansgezelschappen te zien.

Van de dansers op het tableau van Het Nationale Ballet hebben de volgende een opleiding in Engeland gevolgd of daar gedanst: Matthew Golding, Igone de Jong, Maia Makhatelli, Vito Mazzeo, Anu Viheriäranta, (eerste solisten), Sasha Mukhamedov, James Stout, (tweede solisten), Peter Leung (coryphée), Skyler Martin, (corps de ballet), Maria Andrés Betoret (gast).

 

Advertentie

Swinging Bach

Was Bach zelf een danser? Bach swingt, klinkt het geregeld in danskringen. In Back to Bach laten de choreografen Hans van Manen, Krzysztof Pastor, David Dawson en Ernst Meisner zien hoe dat in zijn werk gaat. Maar zijn muziek wordt ook als heilig beschouwd. Wat maakt de muziek van Bach dan zo aantrekkelijk voor choreografen? Was Bach zelf soms een danser?

“De essentie is”, zegt Matthew Rowe met een geconcentreerde, lichtelijk hemelwaarts gerichte blik in de ogen, “dat de muziek van Johann Sebastian Bach rechtstreeks is afgeleid van dansvormen die toen in zwang waren”. De muzikaal leider van Het Nationale Ballet en chef-dirigent van Holland Symfonia vervolgt: “En van die dansen waren er nogal wat in de mode, met name in hofkringen ten tijde van de barok: allemandes, courantes, gavottes, bourrees, polonaises, gigues, sarabandes, menuetten. Al die vormen zijn regelmatig te beluisteren in composities van de grote Bach”. Johann Sebastian Bach (1685-1750) heeft nooit muziek specifiek voor dans geschreven. Maar veel van zijn composities zijn uitermate ‘dansant’. Vanwege het heldere ritme, de muzikale rijkdom, de emotionele gelaagdheid én de tijdloze vitaliteit. ‘Bach swingt’, weten veel choreografen.

Velen noemen Bachs muziek zwaar of ingewikkeld. Maar even zo vaak klinkt zijn muziek ritmisch en opgewekt. In het boekwerk Dansen met Bach belicht Wim Faas een andere, lichtere kant van Bach.Faas brengt naar voren dat vele van Bachs composities zijn gestoeld op traditionele vormen van en motieven uit volksdansen. Die werden door hem omgevormd tot concertdelen die alleen nog een losse band hadden met de oorspronkelijke dansen. De dansvormen zijn te herkennen in vele, vele van zijn suites en partita’s maar ook in diens orgelmuziek, cantates en zelfs passiemuziek – de slotkoren van de Matthäus en de Johannes Passion zijn in de kern sarabandes. Alreeds in Bachs tijd was het zo dat het spelen of het dansen van een allemande als hemel en aarde van elkaar verschilden, zo is bekend uit verschillende bronnen. Dat komt doordat Bachs dansmuziek wel is geinspireerd op de dansen uit hofkringen rond Lodewijk de Veertiende, de Zonnekoning, maar niet meer geschreven is om daadwerkelijk op te dansen.

Lodewijk stichtte in 1661 de Académie Royale de la Danse, een verbond van dertien dansmeesters uit Frankrijk. Zij legden in handboeken de basisprincipes van het klassieke ballet vast. Rond 1653 ontstond onder leiding van Lodewijk het ‘ballet de cour’, een totaalspektakel. Dansmeesters, vaak componisten of musici, werden aangesteld voor het aanleren. Was het dansen in eerste instantie om naar te kijken en de uitvoering voorbehouden aan geschoolde dansers en danseressen, algauw wilden de hofdames en -heren zelf dansen. Er werd aan het hof natuurlijk niet gevolksdanst. De gebruikte dansen sproten voort uit volksdansen maar de pasjes en bewegingen werden ontwikkeld vanuit de balletkunst.

Faas: ‘Tijdens Bachs leven was wat we nu Duitsland noemen in wederopbouw na een desastreus verlopen dertigjarige oorlog. De Duitse adel spiegelde zich in die periode aan de grandeur van het hof van Versailles. Franse invloeden verspreidden zich zo over de talloze vorstendommetjes’. Muziek, dans en ballet dienden de grootsheid van Lodewijk te onderstrepen maar ook om de adel bezig te houden. Franse dansmeesters waren kind aan huis aan Duitse hoven, onder wie Thomas de la Celle, een leerling van Jean Baptiste Lully, evenals Jean Baptiste Volumier. Bachs dansmuziek is daardoor geënt op de statige Franse stijl van Lully, maar hij maakte er dan wel compleet zijn eigen muziek van. En dat niet alleen. Rowe: “Voor choreografen is de muziek van Bach erg dankbaar in het gebruik. Want Bach legde vaak een verband tussen twee of meer ‘stemmen’. Dat verleent choreografen de mogelijkheid om gelijktijdig twee of meer verschillende verhalen, lees: bewegingen, te vertellen. En dus ook om twee dansers of twee koppels dansers in te zetten.”

Volgens Rowe zijn Bachs composities ook hierom ‘handig’ voor choreografen: “Tellen”. In de zeventiende eeuw werd de belangstelling voor meetkunde allengs groter en gewichtiger, en dat had invloed op de ontwikkeling van het klassieke ballet. Een choreografie weerspiegelde vaak de belangstelling voor perspectivische lijnen en geometrie. Zo’n ‘horizontale’ of ‘geometrische’ dans werd uitgevoerd door een relatief grote groep dansers, die geometrische figuren op de dansvloer beschreven. Barokmuziek kent een ritme van 60 tot 64 tellen per minuut, hetzelfde ritme van onze hartslag. Door deze muziek te horen gaan de hersenen op dit ritme werken, waardoor ze in een ‘alfastaat’ komen. In die staat kunnen mensen tot vijf keer zo snel leren.

Deskundigen menen bovendien dat al de muziek van Bach gecomponeerd is aan de hand van een verborgen getallensymboliek. Een componist moest indertijd zijn muziek baseren op een van tevoren aan de hand van getallen bepaald patroon, precies zoals God het heelal had ‘geconstrueerd’. Of, zoals Matthew Rowe het uitdrukt: “Bachs muziek, die vaak als heilig wordt beschouwd, dat is er een van tellen. Dansen is in de kern hetzelfde”. De vraag lijkt gewettigd: Heeft Bach zelf gedanst? Was Bach zelf een danser?

Uit Faas’ werk: ‘We kunnen het bij zijn statige verschijning – zijn beeltenis met pruik op het hoofd – bijna niet voorstellen. In de literatuur over hem komt een letterlijk dansende Bach niet voor. Maar het is niet onmogelijk dat hij een dansje kan hebben gemaakt. In zijn kinderjaren bijvoorbeeld, met zijn vrouw misschien. Een menuetje of zo misschien.’ Kan best kloppen dus. Zijn Notenbuchlein fur Anna Magdalena, zijn tweede vrouw,staat immers vol met eenvoudige menuetten en polonaises.

KADER
Choreografen over Bach
‘Waarom gaan Hans van Manen en Bach zo goed samen? Misschien omdat Van Manen precies weet hoe lang zijn dansers over elkaars armen mogen strijken wanneer Bach een akkoord even laat uitklinken, aldus recensente Annette Embrechts. Van Manen zelf: “Bach is geweldig muzikaal, het zijn geweldige composities. Het ritme dat hij kiest, de speciale melodieën. Zijn muziek dwingt me ertoe zuinig om te gaan met bewegingen en juist stelling te nemen tegen decoratie.” Voor zijn nieuwe werk maakt Van Manen een assemblage van bestaande choreografieën op muziek van Bach.

“Barokdansen inspireren mij”, licht Krzysztof Pastor toe, “maar natuurlijk blijft In Light and Shadow míjn fantasie en míjn dansidioom. Pastor gaat uit van twee integrale composities van Bach. “Ik houd er niet van om muziek te bewerken door erin te knippen en haar te vervormen. Bach schreef zijn muziek in glorie van god, maar ook van zijn opdrachtgevers. En daarmee in glorie van de mens.” Pastor is van mening dat de tijdgeest van de barok vergelijkbaar is met onze tijd. “Het eclectische dat de barok kenmerkt, is terug te zien in allerlei vormen van hedendaagse kunst. In de barokmuziek was improvisatie erg populair. Van Bach met zijn mathematische discipline weten we dat hij dol was op improvisatie.”

“Bach is voor mij de ultieme componist”, zegt David Dawson. “Bach werkt met thema’s die steeds terugkeren. In deze choreografie werk ik met hetzelfde principe. In het Pianoconcert nr. 1 keert hij terug naar een bepaald moment en komt daar anders weer vandaan. Dat wilde ik ook bereiken met deze choreografie. De dansers moeten als het ware de muziek imiteren en één worden, als een visualisatie van de muziek door beweging.”

Ernst Meisner gaat voor het eerst in zijn carrière als choreograaf de strijd aan met de muziek van Bach. “De gelaagdheid van zijn composities spreekt me erg aan. Ik heb nooit eerder wat op Bach gemaakt, dus het is voor mij een verrassing wat er gaat gebeuren. Noem het een uitdaging.”

Het is niet voor het eerst dat Het Nationale Ballet een Bach-programma danst. Eerder was er in het jaar 2000 een dergelijk programma, met onder meer In Light and Shadow en A Million Kisses to my Skin.

Het programma Back to Bach door Het Nationale Ballet is van 11 tot en met 19 oktober 2014 te zien in Nationale Opera & Ballet te Amsterdam. Meer informatie op http://www.operaballet.nl.

Dansen met Bach (2013) van Wim Faas is een uitgave van Uitgeverij Aspekt.

Een naadloze ronde hoek

Pieter Huijgen, adjunct-hoofd van de belichtingsdienst van Het Muziektheater Amsterdam, is met zijn afdeling verantwoordelijk voor de technisch razend ingewikkelde videoprojecties die de Duitse ontwerper Eno Henze maakte voor Dawsons werk timelapse/Mnemosyne.

“De ronde hoeken”, antwoordt Pieter Huijgen (28) zonder omwegen op de vraag waar volgens hem de kneep zit. Enthousiast pakt hij er meteen pen en papier bij, en tekent hij uit het hoofd de decoropstelling van timelapse/(Mnemosyne), de nieuwe choreografie die David Dawson bij Het Nationale Ballet maakt.

De opstelling die Pieter schetsmatig aan het papier toevertrouwt, toont de plaatsing van liefst zeven zestig kilo elk wegende projectoren – “noem het vooral geen ‘beamers’” – die straks op manshoge steigers in de coulissen staan. De projectoren belichten vanaf verschillende posities negen meter hoge, met canvas bespannen panelen, die – afgezien van uitsparingen voor opkomsten en afgangen, en met uitzondering van de zaalzijde – de speelvloer van Het Muziektheater in zijn geheel rondom omvatten. “Die hoeken”, vertelt Pieter, “zijn namelijk niet haaks, maar lopen rond”.

En dat is dus lastig, aldus de als technisch bedrijfskundige in Utrecht afgestudeerde Huijgen. “Eenzelfde hoek moet door die ronding namelijk gelijktijdig door twee projectoren bestreken worden, anders loopt de beeldprojectie niet naadloos door. Aan de andere kant willen we niet dat de ene plek feller oplicht of een contrastrijker beeld laat zien dan op welke willekeurig andere plek op de panelen dan ook. En evenmin willen we aan beeldscherpte verliezen,” licht Pieter toe. “En dus is, door de overlap van beeld die in de hoeken ontstaat, een haarfijne, tot op de uiterste millimeter nauwkeurige afstelling van de projecties en de projectoren noodzakelijk.” En dan te weten dat het niet om statisch, maar bewegend beeld gaat.

Pieter: “De truc is dat we in de hoeken het beeld van twee projectoren laten overlappen en qua intensiteit laten aflopen waardoor een naadloze ‘softedge’ ontstaat. Daarnaast moet het beeld op die plek ook iets vervormen zodat de ronde hoeken van het decor exact gevolgd worden.”

Klink best logisch allemaal. Maar, zoals vaker, is de praktijk ingewikkelder en weerbarstiger dan op het eerste goedwillende lekenoog lijkt. In slechts dertig minuten bouwtijd moet een en ander namelijk perfect opgebouwd en ‘gesteld’ zijn. De opstelling van de projectoren is cruciaal. Precisiewerkje. Pieter: “Daar komt bij dat de zogeheten mediaserver – die wel acht beeldlagen in HD tegelijk kan weergeven – de verschillende beelden opbouwt en de zeven projecties aaneenplakt tot een enkele, levensgrote projectie, uiterst precies moet worden ingesteld en ingeregeld. We werken daarbij op de pixel nauwkeurig”, aldus Pieter.

Teneinde een en ander zo gemakkelijk, simpel en eenduidig mogelijk aan te sturen is er voor gekozen om de bediening van de mediaserver en de aansturing van de projectoren te koppelen aan de lichtcomputer. “Dat heeft als voordeel dat alles vanuit één plek te bedienen is, waarbij in dit geval alle licht- en videocues direct gekoppeld zijn aan de muziek.” Niet te onderschatten trouwens, dat voordeel van één enkel aanstuurpunt, want de projecties moeten nauwkeurig uitgebalanceerd worden met het lichtontwerp van Bert Dalhuijsen. “Video is leading. Anders zie je de projecties straks niet eens.” Onderschat ook niet de gevaren van een mogelijke schaduwvorming op het doek die van de dansers uitgaat. “Als ze te dichtbij het doek komen, dan werpt dat een schaduw op het projectievlak. Daar moet tijdens de balletrepetities al rekening mee gehouden worden. Alles moet dus heel precies passen,” besluit Pieter. “Gelukkig kan de week voorafgaand aan de toneelperiode al met alle techniek gerepeteerd worden in de voorbereidingsruimte van de toneel-, licht- en video-operators.”

 

‘Hoe ver silhouet kun je gaan?’

Bert Dalhuysen ontwierp het licht voor Reverence van choreograaf David Dawson. Het werk maakt deel uit van Theme & Variations, dat op woensdag 7 april in première gaat.

Zijn streven is gericht op ‘hoogstens één zichtbare schaduw’. Bert Dalhuysen, lighting supervisor bij de TOM, streeft naar een zekere natuurlijkheid in zijn lichtontwerpen. ‘Hoe ver silhouet kun je gaan’, vraagt de van huis uit professioneel fotograaf zich daarbij aldoor af. Het heeft hem een beetje de naam opgeleverd een ‘donkere’ Lichtontwerper te zijn. Dalhuysen: ‘Het gaat er om het publiek te laten focussen, je wilt concentratie oproepen, spanning aanbrengen. En dat alles ten dienste staat van een mooie, goeie productie. Als alleen het licht, het decor of de choreografie wordt geprezen, dan is het geheel kennelijk niet goed in balans geweest.’

Dalhuysen is vanaf het prille begin van Dawsons stappen als choreograaf diens vaste lichtontwerper. Vanaf Psychic Whack in het workshopprogramma van 1996 heeft hij eigenlijk steeds voor Dawsons choreografieën het licht gedaan. Dalhuysen: ‘Natuurlijk gaan er gesprekken met de choreograaf vooraf aan een lichtontwerp. Daarna analyseer ik de muziek in termen van pieken en dalen. En na een repetitie vertelt Dawson welke lichtstanden hem al dan niet bevallen.’ De samenwerking verloopt steeds vlotter: ‘Hoe meer je met elkaar werkt, hoe beter je elkaar begrijpt. Tegenwoordig hebben we aan een half woord genoeg. Ik weet zijn begrippen beter dan vroeger te vertalen in beeld, in licht.’

Reverence is in 2005 op uitnodiging van het in het Kirov Ballet te Sint Petersburg gemaakt, waar Dawson als eerste ‘buitenstaander’ met de dansers van het balletgezelschap mocht werken. Dalhuysen was erbij. ‘Twee dagen voor de première bleek dat er geen decordoeken waren gemaakt. De directie besloot daarop de decorschilders 24 uur lang min of meer in gijzeling te houden. Uiteindelijk hingen de doeken, nat als een dweil. Een debacle. Pas daarna kon ik met het belichten beginnen.’

 

Inmiddels is de choreografie ook elders uitgevoerd. ‘In Dresden lag er een groene zweem over het doek. Pas nu, hier in Amsterdam, heb ik goede hoop dat ze er uitzien zoals we dat voor ogen hadden. Nou ja, het is ook geen eenvoudige klus om een detail uit een snapshot, met daarop de lichtspiegeling van een motorkap op doeken te beschilderen van in totaal 36 meter breed en 11 meter hoog’, aldus de man die ook veel balletten van Hans van Manen in het licht zette.

Bert is sedert het begin in 1986 in dienst bij de TOM. Sinds verleden jaar is hij halftijd gaan werken. De andere helft is hij werkzaam als freelancer. De laatste tijd is hij veelvuldig in Warschau, waar artistiek directeur Krzysztof Pastor graag met hem werkt. ‘Lekker druk, maar uiterst bevredigend’, zo schetst hij zijn werk. ‘En nu heb ik bovendien meer tijd voor mezelf.’