Uiterste houdbaarheid

Han Kerckhoffs in Wie is bang…

George en Martha, legendarisch koppel. Tom Lanoye maakte de zwarte komedie nog een tikkeltje zwarter. Over twee acteurs die over de datum zijn. Han Kerckhoffs speelt een van die twee.

Een ouder acteurskoppel, ook in ‘real life’ een echtpaar, staat al jarenlang avond aan avond tegenover elkaar – in steeds dezelfde rol en hetzelfde stuk dat ze ooit zelf hebben geproduceerd en uit eigen zak betaald. Enkel hun tegenspelers veranderen nu en dan, in dit geval jonge acteurs met een kleurtje – omdat dat subsidie oplevert. Net als hun voorgangers vertrekken de jongelingen met slaande deuren. Daarop besluit het echtpaar de balans op te maken van hun liefde voor elkaar en voor het vak. Met hun pensionering in zicht lijken ze op een eindpunt te zijn beland.

Model voor Wie is bang… staat Who’s afraid of Virginia Woolf? het uit 1963 daterende legendarische, onverwoestbare, iconische toneelstuk in drie bedrijven van de Amerikaanse schrijver Edward Albee. Op zijn eigen onnavolgbare manier heeft Tom Lanoye zich op het meesterwerk rond Martha, George, Nick en Honey gestort.

‘De meest memorabele versie van Who’s afraid… buiten de beroemde film met Elizabeth Taylor en Richard Burton die ik in mijn leven heb gezien,” vertelt Han Kerckhoffs, “is die met Viviane De Muynck als Martha en Kees Hulst als George, van ik denk wel dertig jaar geleden, in een regie van Sam Bogaerts. Zelf heb ik nooit in dit stuk gestaan. Bogaerts gaf toen al een schop tegen het stuk en dat opende mij de ogen voor de manier waarop je klassiekers kon aanvliegen.’

In Wie is bang… zien we een ontredderd acteursechtpaar – na afloop van een voorstelling. Ze staan nog op het toneel en hebben net daarvoor van een slecht bezette zaal een lauw en minzaam applausje geïncasseerd. In het bijzijn van de jonge acteurs komen ze te spreken over het stuk.

“Tom Lanoye bouwt voort op de verhoudingen van het origineel en spiegelt het,” legt Kerckhoffs uit. “Hij volgt met zijn tekst het geraamte van het stuk. Zo is het jonge koppel ook hier katalysator en provocateur. Maar het is wel een heel nieuw stuk.”

Ter voorbereiding op het schrijven voerde Lanoye gesprekken met de vier acteurs. “Zo ook met mij,” zegt Kerckhoffs. “Over mijn carrière, en over wat ik van toneelspelers vind en zo, en zo’n type gesprek heeft hij ook met Els en de anderen gevoerd. Dat materiaal heeft hij in zijn gebruikt en, zoals Tom is, scherp gaan overdrijven. Dus je leest een aantal dingen van jezelf terug, maar dan vijftig keer vergroot. Dat is soms confronterend. We moesten ons echt vasthouden aan de rollen. Of, zoals regisseur Koen de Sutter zei: ‘Dit zijn niet Han en Els.’”

Tijdens de repetitieperiode raakte hij bij toeval in gesprek met collega-acteur Peter De Graef, die in 1995 in het origineel speelde, naast Marie-Louise Stheins.

“Hij vertelde dat het voor hem een zware tijd was, en dat hij in therapie was gegaan. Ik kan goed begrijpen dat het je niet koud laat als je aldoor zo’n verschrikkelijke oorlogsruzie moet spelen. In het begin ging het mij en Els Dottermans, mijn vrouw, niet in de koude kleren zitten. Niet dat we elkaar aan de ontbijttafel thuis in de haren vlogen, maar meer dat het repeteren moeilijk was, omdat we de tekst en het spel vaak te letterlijk namen.”

Al met al een beproeving, en een zware bevalling. “Soms kwamen we miesj thuis van het onder elkaars huid zitten peuren, en vroegen we ons af: moeten we dit zes maanden lang spelen? Maar inmiddels hebben we onze weerzin overwonnen en een manier gevonden om ermee om te gaan. Hoe? Het zijn gewoonweg rollen die we spelen. Slechts een enkele keer vraagt Els na afloop nog wel eens aan me: ‘Meende je dat echt? Was je nou écht kwaad?’”

Is het spelen van dit stuk voor hem een opgave, ook de tournee van in dit geval zes maanden aaneengesloten spelen en reizen valt hem na veertig theaterjaren zwaarder dan voorheen.

“Ik denk dat Tom dat letterlijk bij mij vandaan heeft gehaald, omdat ik al een tijdje denk: ik heb het wel gezien.”

Maar na Wie is bang… is Han Kerkchoffs echt wel aan zijn pensioen toe, zo zegt hij zelf.

Is dit dan zijn zwanenzang?

“Ik beschouw dit als zo’n beetje mijn laatste grote productie – al gaan we volgend jaar Spinoza van Het Zuidelijk Toneel nog hernemen, dus ik ben nog wel tot 2021 bezig hoor. Maar zo’n uitgebreide tournee als nu met Wie is bang… , ja dat is wel de laatste keer voor mij.”

Kader
Han Kerckhoffs is sinds 1980 als acteur werkzaam bij diverse gezelschappen in Vlaanderen en Nederland: Globe, Art en Pro, Toneelgroep Amsterdam, Het Zuidelijk Toneel, Het Nationale Toneel, Het Toneelhuis, NTGent, Malpertuis, De Tijd, Het Arsenaal, Carrousel, Centrum, Walpurgis., Lod, Transparant en Zeeland Nazomer Festival. In 1995 won hij de Arlecchino voor de rol van Thersites in Shakespeare’s Troilus en Cressida bij het Nationale Toneel.

Ook speelde hij in diverse televisieseries en films: Baantjer, Bij Nader Inzien, Spoorloos, Pleidooi, Oud Geld, Retour Den Haag, 9 Dagen van de Gier, Waltz, Annie MG, Volgens Robert, Volgens Jacqueline en De Fractie.
Han is getrouwd met Els Dottermans en samen hebben ze twee zonen.

NTGent: Wie is bang… In Stadsschouwburg Eindhoven op zaterdag 21 december 2019 (dernière). Meer informatie: ntgent.be

 

Advertentie

Lam Gods 2.0

Het wereldbeeld van Milo Rau

Wie zijn de Adam en Eva van nu? En wie Maria, wie de Verlosser? Bij NTGent is theatermaker Milo Rau naar ze op zoek gegaan. Hij laat ze en passant uit de lijst stappen van hét ijkpunt van de westerse schilderkunst: het Lam Gods, uit 1432.

Terug naar het paradijs: de Villakapel van de Sint-Baafskathedraal te Gent. De Aanbidding van Het Lam Gods. Oog in oog met een wereldwonder, een middeleeuws mirakel. Het staat verdekt opgesteld, achter opgestapelde lagen van millimeterdik veiligheidsglas, dat wel. Maar de woelige geschiedenis van het altaarstuk, mijlpaal in de westerse schilderkunstgeschiedenis, rechtvaardigt dat.

Bijna vernietigd door protestanten, verdwenen, buitgemaakt door Napoleon en de nazi’s, bedreigd door brand, uit elkaar gehaald, gekopieerd, vervalst, gesmokkeld, illegaal verkocht, gecensureerd, aangevallen door beeldenstormers, verborgen, vrijgekocht, gered en keer op keer gestolen… Nog altijd is de ‘Rechtvaardige Rechters’, een van de twaalf panelen zoek, nadat het in 1934 verdween.

De glazen kooi in de Villakapel moet trouwens ook de jaarlijks honderdduizenden pelgrims en toeristen die van heinde en verre toestromen om het te bewonderen en soms te aanbidden, op eerbiedwaardige afstand houden. Sinds het retabel door de gebroeders Van Eyck (eerst Hubert, daarna Jan) in 1432 werd voltooid, is geen kunstwerk ooit zo belaagd.

Olieverf
De 12 eikenhouten panelen van Lam Gods scharnieren op de rand van middeleeuwen en renaissance. Het werd destijds regelrecht beschouwd als een wereldwonder: De landschaps- en stadsschilderingen, de materieweergave, het gevoel voor perspectief en groepscompositie en de levensechte afbeeldingen van het menselijk lichaam: ze waren ongeëvenaard verfijnd dankzij het gebruik van olieverf.

Het altaarstuk is – en dat was voor het eerst in de geschiedenis – volledig opgebouwd uit olieverf. De gebroeders hadden het procédé vervolmaakt, er wordt gefluisterd dat zij zelfs de uitvinders waren. Met olieverf is het mogelijk laag na laag op te brengen. Het toen veelgebruikte onoverschilderbare eitempera was opeens hopeloos ouderwets. Voor de gemiddelde Middeleeuwer moet de aanschouwing van Lam Gods een bizarre, vrome én sensationele ervaring geweest zijn geweest, te vergelijken met zoiets als ‘virtual reality’ nu.

Het altaarstuk over de christelijke heilsgeschiedenis omvat 26 taferelen, verdeeld over liefst 25 vierkante meter, en leest als een stripverhaal avant la lettre. Het retabel heeft een Weekzijde (zijluiken gesloten) en een Feestdagzijde (geopend op zondagen en religieuze feestdagen).

De Weekzijde geeft de annunciatie weer van de komst van de Verlosser, terwijl op de Feestdagzijde de aardse realiteit plaats maakt voor de zuivere schoonheid van het hemelrijk van de Verlosser.

De panelen zijn bevolkt met heiligen, kluizenaars, pelgrims, rechters, engelen, apostelen, Adam & Eva, martelaren, rechters, aartsvaders en kruisvaarders. Van heinde en verre en uit vier windstreken zijn zij komen toestromen op de offerande van het Lam. Onder hen ook eigentijdse modellen, dat was revolutionair indertijd, en onder hen ook de opdrachtgever en de beide Van Eyckjes zelf.

Verhalenvertellers
Dit bijna zeshonderd jaar durende aanloopje beweegt zich vanaf nu richting Milo Rau. Als kersvers aangetreden artistiek directeur van NTGent heeft hij voor zijn openingsproductie bij NTG de mengeling van personen op Lam Gods als uitgangspunt genomen voor een versie met een dwarsdoorsnede uit de Gentse bevolking van nu, stromen samen, zoals dat ook op het retabel gebeurde. Rau laat ze als het ware uit de lijst van het schilderwerk stappen en simpelweg en ze vervolgens op het podium ongekunsteld en in hun eigen woorden zelf hun (levens)verhaal vertellen.

De voorwaarde die Rau vooraf aan ze stelde was om zich te identificeren met een van de figuren uit Lam Gods. En zo kan het gebeuren dat een moderne Eva (‘want ik ben zó vruchtbaar’) op het podium plaatsneemt naast haar eveneens in adamskostuum gehulde Adam; dat de moeder van een Syriëganger zich opwerpt als nieuwe Maria op; en dat een voormalige vluchteling uit Afghanistan zich als moderne Christoffel beschouwt omdat hij net als deze heilige een kind op zijn schouders meedroeg tijdens zijn voettocht.

In de voorstelling annex performance van Rau spreken elf personen ons om beurten toe, daartoe uitgenodigd en aangemoedigd door twee oudgedienden van NTG, de acteurs Frank Focketyn en Chris Thys. Niet alle elf spreken ons in levende lijve toe, er staan ook getuigenissen op video: sommigen voelden een te zware druk opkomen om live acte de présence te geven.

De getuigenissen worden nu en dan onderbroken door een engelachtig kinderkoor van Gentse jongens en meisjes dat live plaatselijke volkswijsjes zingt. Ook kijken ze toe bij alles wat op het podium en videoscherm voorbijtrekt – tot de innige naaktscènes aan toe, net zoals op hun beurt de kudde schapen die in den beginne onder leiding van een herder de toneelvloer op werden geleid.

Alles in de zaal gebeurt zacht en sereen en dat levert een onnadrukkelijke kalmte op. Zelfs als uit correspondentie van de jihadganger wordt geciteerd, is het er op het bedaarde af fluisterstil. Maar monumentaal stil. Juist daardoor hebben de verhalen geregeld een verpletterende uitwerking, en ontroeren ze diep. Het meest aangedaan was ikzelf toen met videobeelden het slachten van een schaap werd getoond, terwijl gelijktijdig op het podium een van de schapen werd geschoren.

Doodsbedreigingen
Milo Rau is uit op ‘een mondiaal volkstheater’, zoekt ‘globaal realisme’ en een ‘stadstheater van de toekomst’. Bij zijn ‘voorstellingen’ (soms zijn het ‘re-enactments’ of performances) zet hij bij voorkeur amateurs – en ook dieren – in naast profacteurs, als in een ‘theater van allen, voor allen’. Rau in deel twee van een ingezette reeks ‘Gouden Boeken’ waarin hij zijn opvattingen uiteenzet: ‘Theater moet een act zijn, geen vertoning. We willen het theater voor de stad openstellen en de stad voor theater. Lam Gods is ons geschenk aan Gent door het democratische gebaar van de gebroeders Van Eyck te herhalen’.

Rau werpt daarbij meteen een serie wezensvragen op over theater én een politiek-theatraal manifest: ‘Van wie is de stad? Wie mag op het podium staan? Wie mag spreken?’ En dus plaatste NTGent voor Lam Gods oproepen in lokale kranten: ‘Hebt u uw broer (of zus) gedood of ernstig gekwetst? Vocht u voor IS, voor andere religies? De afzender: lamgods@ntgent.be. De weken voorafgaand aan de première slaagde de Zwitser er op die manier in om de kwestie van een nieuwe stadsrealiteit hoog op de stadsagenda te krijgen. Daarvan getuigen in ieder geval het grote aantal en de erg uiteenlopende reacties in het Gouden Boek bij Lam Gods: tot aan doodsbedreigingen voor de spelers en betrokkenen aan toe.

Daad
Na afloop van een van de voorstellingen in Gent nam Rau plaats in een portocabin die vóór de schouwburg was opgesteld. In deze ‘waarheidskamer ‘ liet Rau zich onderwerpen aan een kruisverhoor door een journalist, terwijl hij daarbij zelf was verbonden aan een leugendetector. Vraag: Zou Rau zelf een levend schaap slachten op het podium? Antwoord, na enig aarzelen: ‘Ja.’ Rau weet als geen ander theater tot een daad te maken. In woord en gebaar. Het zou me benieuwen wat er gebeurt als de Nachtwacht eens tot leven wordt gewekt.

kader
Brandhaarden
Werk van Milo Rau staat vanaf 24 januari tot en met 6 februari 2019 centraal op theaterfestival Brandhaarden. Het festival in Internationaal Theater Amsterdam biedt jaarlijks een podium aan een internationaal gerenommeerde theatermaker of een gezelschap. Op het programma van Brandhaarden 2019 staan Lam Gods (NTGent), Die 120 Tage von Sodom (Schauspielhaus Zürich en Theater Hora), Lenin (Schaubühne Berlin), Empire (IIPM), Five Easy Pieces (Campo / Kunstenfestivaldesarts) en La Reprise, l’Histoire du théâtre I (NTGent / Kunstenfestivaldesarts). Er is tevens een uitgebreid (B)randprogramma te bezoeken met documentaires, gesprekken en ontmoetingen. Op 29 januari vertelt Milo Rau op het podium van de Rabozaal tijdens An evening with Milo Rau meer over wat hem beweegt en inspireert.

kader
Milo Rau?
Milo Rau (Bern, 1977) is theatermaker, filmmaker, socioloog, schrijver en journalist. In september 2018 trad hij aan als directeur van NTGent. Hij gaat te werk als een kunstenaar/activist/journalist die de vinger op de zere plek legt, niet om te choqueren of te confronteren maar om vragen te stellen.

Hij maakt bij voorkeur producties over sociale of politieke misstanden, bezien door de ogen van betrokkenen. Zo ging Lenin over de gelijknamige Russische president, Empire over Syrische vluchtelingen en Five Easy Pieces over de zaak-Dutroux. Rau construeert ‘gebeurtenissen’ op basis van onderzoek.

Rau is vooral bekend van ‘re-enactments’, het naspelen of uitbeelden van historische gebeurtenissen, meestal op de plaats waar ze oorspronkelijk plaats vonden. In Nederland was er begin 2018 veel aandacht voor The Congo Tribunal. Daarin verzamelde Rau slachtoffers, daders, getuigen en analisten van de Congolese oorlog en bracht ze voor een burgerlijke rechtbank samen in oostelijk Congo.

Donderdag 24 tot en met zaterdag 26 januari 2019 in Stadsschouwburg Amsterdam.

Danse macabre met de dood

NTGent speelt ‘Kroniek’

De tragiek van de mens is niet dat hij sterft. Dat doen alle dieren. De tragiek van de mens is dat hij dat zo goed weet. NTGent speelt ‘Kroniek of een man ligt dood in zijn appartement sinds 28 maanden’.

Een optelsom. Volgens je kroegvrienden en de uitbater van het buurtcafé ben je al weken met onbekende bestemming en langdurig met vakantie gegaan, buren menen dat je in het ziekenhuis verblijft vanwege die ene chronische aandoening, en Facebookvrienden denken dat je je uit privacyredenen nu echt uit het platform hebt teruggetrokken. Je bent gebrouilleerd met je enige kind en leeft al decennia op gespannen voet met je broer. Je ouders leven niet meer. Alle rekeningen worden automatisch voldaan. Maar ja, je ligt in je eigen appartement al wel 28 maanden aaneengesloten dood. Daar lig of zit je dan. Uitkomst: Niemand die je echt mist.

Een dergelijke ‘danse macabre’ is aanleiding en onderwerp voor de voorstelling Kroniek of een man ligt dood in zijn appartement sinds 28 maanden van NTGent. “Het bizarre is,” vertelt acteur Bert Luppes, “dat uitgerekend op de premièredag, half oktober, in Gent een man van 81 levenloos aangetroffen in zijn woonhuis. Acht maanden geleden een natuurlijke dood gestorven, zo maakte de politie op, afgaande op de vervaldatum van de etensresten. Later werd dat vermoeden middels autopsie bevestigd. En iedereen dacht aan een publiciteitsstunt door ons.” Dat was natuurlijk niet het geval. Wél hadden de drie acteurs bij wijze van spreken zelf ter plaatse onderzoek kunnen doen, legt Luppes uit: “Voor Kroniek hebben we gesprekken gevoerd, onder meer met een postbode, een bankemployé en een uitvaartondernemer. Een forensisch expert is ons komen uitleggen hoe je kunt herkennen of sprake is van een misdrijf, en hoe een lichaam in staat van ontbinding zich verder ontwikkelt.”

“Met Kroniek schetsen we al associërend een veekleurig beeld, als tableaux vivants en ‘contemplaties’ rond aspecten van de dood” zegt geboren Hagenaar Luppes. “Gedrieën, met naast mij Oscar van Rompay en dansers Charlotte Vanden Eynde, doen we een poging het daarbij vooral feitelijk te houden, geen emoties door te laten schemeren. Een dergelijke te spelen afstandelijkheid is best lastig voor een acteur, die wil zich juist altijd inleven. Maar in dit stuk is het nodig om zo te spelen, omdat dan het documentaire karakter het beste naar voren komt. Theater is een kunstvorm, dus enige stilering is onvermijdelijk. Maar geheel kleurloos spelen, dat kan natuurlijk niet.”

Confronterend
Kroniek is volgens NTGent een voorstelling ‘over de wil om vergeten te worden’. Er ligt natuurlijk ook een parallel met theater als kunstuiting. “Ook dat vervliegt, is vluchtig van karakter: van een gespeelde theatervoorstelling blijft vaak maar weinig over, verwaait als het ware.” En toevallig of niet, Kroniek valt ook samen met de actuele discussie over de eigen keuze voor de dood bij een gevoeld voltooid leven. “Ik ben voorstander van de vrijheid voor ieder individu, maar vind wel dat het aan een bepaalde leeftijd verbonden moet zijn en dat er sprake moet zijn van uitzichtloos lijden. Hij heeft begrip voor mensen die de dood als bevrijding of verlossing beschouwen. “Vorig jaar is mijn vrouw overleden. Dus de discussie én de voorstelling zitten mij dicht op de huid,” aldus de vader van twee uitwonende kinderen van nu respectievelijk 23 en 21 jaar oud. “Je leeft voort in mensen, hooguit twee generaties.”

Learning How To Walk
NTGent is drie weken later opnieuw in Den Haag, dan met ‘Learning How To Walk’, een ‘pleidooi voor machteloosheid en het niet weten als in een kindertekening’. Tijd nemen, stilstaan, om opnieuw naar de werkelijkheid te kijken zonder ze meteen te interpreteren, zo licht speler/regisseur Benny Claessens de vier uur durende voorstelling toe, die zich trouwens meer laat beleven als een performance. Met op de vloer onder meer Risto Kübar (winnaar Arlecchino 2016) en Elsie de Brauw (Theo d’Or, 2011).

NTGent is op maandag 7 en dinsdag 8 november te zien met ‘Kroniek’; en op dinsdag 29 november met ‘Learning How To Walk’. Allebei in Theater aan het Spui. Telefonisch tickets reserveren: (070) 346 52 72.

‘Laat het simpel zijn, gewoon simpel!’

Elsie de Brauw in Tsjechovs ‘De kersentuin’ en Ida Wasserman Lezing

De rijke familieboomgaard op het uitgestrekte landgoed, die beroemde kersentuin: hij gaat eraan! Tsjechovs meesterwerk ‘De kersentuin’ wordt bij NTGent gespeeld door een sterrencast met onder meer Pierre Bokma en Elsie de Brauw. De Haagse topactrice spreekt bovendien de Ida Wasserman Lezing uit.

Terwijl familie, vrienden en personeel reikhalzend uitzien naar haar komst, detoneert haar vergane glorie. In ‘De kersentuin’ keert Ljoeba (Elsie de Brauw) na vijf jaar van reizen berooid weer thuis op haar landgoed-in-verval. Terwijl ze in vervoering raakt van herinneringen aan haar kindertijd, wordt haar gedrag aldoor ondoorgrondelijker.

Beschreef Tsjechov louter een anekdotisch tijdsbeeld zo rond het jaar negentienhonderd? Of reikte ‘De kersentuin’ toen al verder, over een strijd van alle tijden: een clash van generaties? Voelt niet iedere gearriveerde vijftiger zich weleens bedreigd, voorbijgestreefd door jongere generaties? Ook tegenwoordig zien zij verworven zekerheden zienderogen afbrokkelen – terwijl nieuwe maatschappelijke werkelijkheden zich in sneltempo aandienen.
In De kersentuin, Tsjechovs laatste stuk, roept grootgrondbezitter Lopachin uit: ‘Laten we er maar eerlijk voor uitkomen, ons leven is stompzinnig.’ Die zinloosheid (volgens sommigen: betekenisloosheid) weglachen – en ondertussen volleerd en praktiserend arts zijn. Voor Tsjechov bleek het een vruchtbare spagaat. Na zijn medische studie bracht de beroepspraktijk hem in contact met ellende, ziekte en dood; ervaringen die zijn kennis van de menselijke geest verrijkten. En bovenmatige mensenkennis opleverde.
De tragiek van het menselijk onvermogen, uitzichtloosheid, verlies: Tsjechov wordt vaak beticht van een (te) melancholieke ondertoon. Misverstand. Tsjechov zelf meende dat ‘De kersentuin’ een komedie moest zijn. Maar al in de eerste opvoering, die in Moskou met geestdrift werd onthaald, werd juist sterk de nadruk gelegd op het tragische. Tot verdriet van de schrijver. Over de première van De kersentuin, op 17 januari 1904 in het Kunsttheater te Moskou, was Tsjechov ziedend. Terugreizend naar zijn kuuroord Jalta noteerde hij in een brief aan echtgenote/actrice Olga dat ‘regisseur Stanislavski mijn stuk heeft geruineerd.’
Waarom toch hamert hijzelf, ook in het geval van ‘De kersentuin’, er zo op dat zijn stuk in de eerste plaats ‘komisch’ bedoeld is? Het antwoordt luidt dat Tsjechov zwaarwichtigheid, ponderositeit, wilde vermijden. En had hij een gloeiende hekel aan sentimenteel, bombastisch gekwezel. Door zijn stuk een komedie te noemen hoopte hij op een ‘lichte’ speeltrant, een koele, scherpe benadering van de personages die hij had bedacht, maar ook op het achterwege laten van realistische details om het stuk een schijn van werkelijkheid te verlenen. Een tijdgenoot die hem tijdens een repetitie gadesloeg: ‘Iedere valse noot, ieder cliché, iedere ijdele of vulgaire nuance deed Tsjechov huiveren… Dikwijls interrumpeerde hij de acteurs om te bepleitten: ‘Niet theatertaal, alsjeblieft. Laat het simpel zijn, gewoon simpel!’

NTGent
Tsjechov biedt genoeg materiaal voor vrijwel welke interpretatie dan ook. Bij regisseur Johan Simons, een van de grote meneren uit het Nederlandse toneel, is ‘De kersentuin’ een verwijzing naar de staat van het Europa van nu. Simons: “Door zijn sociale betrokkenheid stelde Tsjechov als mens een onvoorstelbaar groot voorbeeld. Hij was werkzaam als arts terwijl de hongersnood en de cholera-epidemie het Rusland van eind negentiende eeuw teisterden, en hij was nauw betrokken bij de gemeenschap waarin hij werkte. Ondertussen onderhield hij innig contact met zijn familie. Een generositeit die in tijden van extreem individualisme tot nadenken stemt.”

De kersentuin was Tsjechovs laatste stuk. En het enige stuk waarvan de titel niet naar een personage maar een plek verwijst. Simons: “Tsjechov schreef ‘De kersentuin’ op de drempel van een tijdperk dat zou worden gekenmerkt door toenemende migratie, dat werd beheerst door een soms tendentieus beeld van de mens als nomade. Een evolutie die vandaag is uitgemond in verwarring. Een verwarring over het verschil tussen zelfgekozen onthechting en noodgedwongen ontworteling.”

Elsie de Brauw & Ida Wasserman Lezing
Hoofdrolspeelster in ‘De kersentuin’ is Ljoeba, bij NTGent gespeeld door Elsie de Brauw. De geboren Haagse won eerder twee keer de Theo d’Or voor beste vrouwelijke rol. Zij spreekt op zaterdagmiddag 13 februari in de Koninklijke Schouwburg de Ida Wasserman Lezing uit, vernoemd naar de Residentie Tooneel-actrice, die voor háár vertolking van Ljoeba indertijd een Theo d’Or won.

Dit zijn de namen
NTGent neemt ook bezit van de Koninklijke Schouwburg met ‘Dit zijn de namen’ speelt, naar de roman van Tommy Wieringa. Het verhaal speelt zich af op de puinhopen van de beschaving, en stelt prangende vragen: Moet een samenleving eerst worden ontdaan van zijn illusies alvorens er ruimte ontstaat voor empathie en barmhartigheid?

NTGent met ‘De kersentuin’ op vrijdag 12, zaterdag 13 en zondag 14 februari 2016. ‘Dit zijn de namen’ speelt op woensdag 17 februari 2016. Elsie de Brauw spreekt de Ida Wasserman Lezing uit op zaterdag 13 februari 2016, 16.30 uur. Meer informatie op ks.nl. Telefonisch reserveren: 0900 – 3456789.

 

‘Je kijkt niet naar ’n schilderij’

Elsie de Brauw in ‘De Kersentuin’ en Ida Wasserman Lezing

In haar kindertijd stotterde ze. Werd naar eigen zeggen daarmee gepest. Niettemin, en al sinds een kleine dertig jaar (!), speelt ze als actrice alle sterren van de hemel. Binnenkort in Tsjechovs De kersentuin en, eervol, spreekt Elsie de Brauw de jaarlijkse Ida Wasserman Lezing uit.

Tweevoudig prijswinnend actrice (2006, 2011) is Elsie de Brauw, van een Theo d’Or, de belangrijkste toneelonderscheiding van ons land. Die eer deelt ze met Ida Wasserman. Na de oorlog speelde Wasserman (1901-1977) onder meer bij het Residentie Tooneel en diens opvolger de Haagsche Comedie. Daarom is Wasserman naamgeefster van de Ida Wassermanlezing die de Koninklijke Schouwburg sinds tien jaar jaarlijks presenteert.

Maar er zijn meer overeenkomsten. Net als De Brauw is Ida Wasserman tweevoudig winnares (1956, 1959) van de Theo d’Or, toen nog Theo Mann-Bouwmeesterprijs geheten. Maar de in Den Haag geboren topactrice heeft ongemerkt meer gemeen met Wasserman. Zo speelt ze dit seizoen de glansrol van Ljubov Ranjevskaja, roepnaam ljoeba, in De kersentuin, het magnum opus van Anton Tsjechov. Het is een van de topstukken uit het moderne toneelrepertoire en inmiddels een van de bekendste klassiekers aller tijden. Diezelfde rol van ljoeba in werd ooit óók vertolkt door Ida Wasserman. In 1962 werd ze voor haar rol in dat stuk door het publiek zelfs uitgeroepen tot actrice van het jaar.

Niet alleen daarom spreekt De Brauw de komende Wasserman Lezing uit, er zijn meer overeenkomsten tussen beiden. Zo kennen beiden Vlaanderen als hun werkterrein. Wasserman speelde bij de toenmalige Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) in haar geboortestad Antwerpen, terwijl De Brauw sinds 2005 kind aan huis is bij NTGent. En ze hebben beiden een keur aan Nederlandse toneelgezelschappen als werkgever op hun naam. Wasserman onder meer bij het Rotterdamsch Tooneel en het Amsterdams Hollandsch Tooneel; De Brauw bij F Act, Toneelgroep Amsterdam, Theatergroep Hollandia en ZTHollandia. Redenen te over dus om De Brauw te vragen de Wassermanlezing op zich te nemen.

“Ik ga echt geen koddige anekdotes opdissen, hoor”, waarschuwt De Brauw. “Over een hoed die ik vergat op te zetten of zoiets, of rond een collega die toen en toen enorm stond te schmieren op een of andere dernière”. Neen, De Brauw is een actrice met een missie. En die is ze van plan tijdens ‘haar’ Wasserman Lezing, de tiende die de Koninklijke Schouwburg houdt, pontificaal en goed onder de aandacht van haar gehoor te brengen. Die missie spitst zich toe op de waarde die kunst voor schoolgaande kinderen kan hebben.

Móet hebben, volgens haar. “Kunst is ontstaan om de pijnlijke schoonheid van de realiteit onder ogen te kunnen zien. Op lagere scholen is er weliswaar aandacht voor kunst”, aldus De Brauw, “maar slechts mondjesmaat. Voor kunst die buiten de lijntjes kleurt, voor kunst die buiten het realistische gaat is er geen aandacht. Musicals worden kant-en-klaar ingekocht, beperkt is er onder lestijd aandacht voor dramatische vorming. Kinderen krijgen daardoor niet mee wat het kan betekenen om ‘out of the box’ te denken. Ik wil daarom structureel, op iedere school, een project doen dat de fantasie wél prikkelt. Eerder heb ik al twee van zulke projecten gedaan. De tijd is gekomen om deze aanpak groter uit te rollen”. Voor haar project, waarin ze ook zelf speelt, heeft ze inmiddels geld toegezegd gekregen.

Competitie
Haar eigen jonge jeugd in een Haagse juristenfamilie van adellijke afkomst, stond door haar gestotter voor een belangrijk deel in het teken van ‘kunnen praten net als mijn zusje’. Ze vond troost en inspiratie in haar schooljuf die onder lestijd veelvuldig zong. “Toen dacht ik: Daar zit iets”.

Aanvankelijk werkte ze, eventjes maar, in een psychiatrische instelling in Amersfoort; daarna studeerde ze theologie, in Groningen. “Maar ik was ook al wel aan het studententoneel”. Ze toog daarop naar Amsterdam, knutselde tijdens de toelatingsperiode bij de toneelschool ook graag aan decors, maar werd er ten slotte afgewezen. En zo kwam Maastricht in beeld.“Daar, in het zuiden ontwaakte langzaam maar zeker het gevoel dat theater mijn wezen is. En dat ik het kón, toneelspelen. Onbewust gaf me die wetenschap, dat gevoel, een grote innerlijke kracht. Zonder dat ik me daarbij toen kon voorstellen dat ik de rest van mijn professionele leven op de planken zou doorbrengen”.

Terloops
Haar opvatting over wat toneelspelen is, wat het móet zijn, is afhankelijk van de tijd, van de tijdgeest. “Je ziet het vak onder je handen veranderen. Zelf heb ik een voorkeur om zo ‘menselijk’ mogelijk te spelen. Niet per se naturalistisch, maar wél altijd organisch. Een bijna niet-spelen, een speelstijl die een ‘nulpunt’ raakt. Vandaag vraagt de tijd om een ‘terloopsheid’ in het spel.

Niettemin: voor ieder stuk, voor iedere rol opnieuw en opnieuw, moet je weer graven in je innerlijk. Naar de beste stijl voor dát ene stuk, die productie, die sleutelscène, dat precaire moment, die ene zin. Maar in zijn algemeenheid moet je meegaan met de tijd. Toneel is een levende kunstuiting, je kijkt niet naar een schilderij”.

De kersentuin, de voorstelling waarin ze bij NTGent als ‘weduwe’ naast acteurs als Pierre Bokma, Lien Wildemeersch en Oscar Van Rompay schittert, reflecteert die rolopvatting. En koppelt die in dit geval aan actualiteit. In Tsjechovs stuk moet die tuin eraan geloven, want het kappen en de grond leveren immers geld op. Maar de weduwe-eigenaresse van de tuin snapt dat niet, wil dat niet snappen.“Die tuin?”, oppert De Brauw vragend. “Rendementsdenken. Die tuin staat in deze productie voor het Europa van vandaag de dag. Een kantelmoment dient zich voor ons allemaal aan op dit continent, nu en hier. Maar rendementsdenken, neen, dat kent Ljubov Ranjevskaja niet, en dat is voor haar zeker niet de enige waarheid in het leven”.

Om dát te kunnen spelen, góed te kunnen spelen, dat vergt heel wat van haar: “Er moet ook een zekere abstractie uit spreken, een ‘ertegenin’ spelen. Er moet uit naar voren komen dat de wereld groter is, groter dan de strekking die dat stuk laat zien”.

De kersentuin van NTGent, regie Johan Simons, is van vrijdag 12 tot en met zondag 14 februari 2016 te zien in de Koninklijke Schouwburg. Op woensdag 17 februari is NTGent daar opnieuw te gast, dan met Dit zijn de namen. Meer informatie: ks.nl. Telefonisch tickets reserveren/kopen: 0900-3456789.

Tip
Elsie de Brauw spreekt de Ida Wasserman Lezing uit op zaterdag 13 februari 2016, 15.30 uur in de Paul Steenbergen Foyer van de Koninklijke Schouwburg.

 

Schilderijen als drama

NTGent speelt Rothko

Volgens Rothko moest een schilderij een voldragen ervaring tweegbrengen tussen het schilderij en de kijker. ‘Er mag niets tussen mijn schilderij en de toeschouwer staan’. NTGent maakte een toneelvoorstelling over Mark Rothko en zijn schilderkunst: Rood.

Rood. Dat is: Knallend gestifte vrouwenlippen, hoge elegante pumps, een laag gesneden galajurk. Cadmiumrood, karmozijnrood, vermiljoen, rode oker, ossenbloed. Het rode vlak van fotograaf Johan Nieuwenhuize in zijn nieuwe boek IMG_ en Barnett Newman’s doek Who’s afraid of red, yellow and blue III, die zijn ook nogal rood. En dan is er het indringende No. 3 uit 1967 van Mark Rothko. Met name de twee laatstgenoemde werken zijn kleurvlakken waar je je als het ware gehypnotiseerd in kunt verdrinken. Rothko’s kleurformaties trekken de toeschouwer een met innerlijk licht gevulde ruimte in, een ruimte waarin daglicht vijandig is. Rothko zelf: ‘De waardering van een kunstwerk is een ware vereniging van geesten. Evenals in het huwelijk is het uitblijven van gemeenschap grond voor ontbinding.’

Mark Rothko (1903-1970) behoort tot de generatie van Amerikaanse kunstenaars die een totale ommekeer in het wezen van de opzet van de abstracte schilderkunst tot stand bracht. Zijn stijlontwikkeling – van figuratief en visueel naar abstract – is een belichaming van de radicale visie die de naoorlogse wedergeboorte van de schilderkunst in bezit nam. Rothko verzette zich altijd tegen pogingen zijn schilderijen te interpreteren.

Rothko – donkere kleurvlakken bovenin, lichtere daaronder – was al bijkans een godheid toen hij een assistent toeliet. “Maar het was zo dat hij die eigenlijk nodig had”, zegt acteur Servé Hermans, die de rol van assistent speelt in Rood. “Rothko wilde altijd controle, alles zelf doen. Op een gegeven moment was dat niet langer vol te houden en liet hij het opspannen van doeken en het mengen van verf over aan een jonge jongen. Die hij eerst als voetveeg en praatpaal behandelde, maar daarna gaandeweg zijn hoogstpersoonlijke leerling-in-opleiding werd. Een relatie die eindigde in het voeren van eindeloze gesprekken over het wezen van kunst, over schilderkunst en over Rothko’s werken: ‘Je hebt de kunst nodig om niet aan de waarheid ten onder te gaan’. En verder zijn beslag kreeg toen Rothko hem uitriep tot zijn opvolger”.

In het stuk, een tekst van de Amerikaanse schrijver John Logan, zien we Rothko, een rol van Wim Opbrouck, en zijn assistent op het moment dat Rothko een grote opdracht aanvaardt heeft van het Canadese grootbedrijf Seagram, van oorsprong een distilleerder. Voor het nieuwe hoofdgebouw in de Verenigde Staten, dat in New York door architect Mies van der Rohe werd ontworpen, legde hij zich tegen een lucratief geldbedrag dat in termijnen werd uitbetaald vast op het maken van een serie enorme doeken die het bedrijfsrestaurant Four Seasons moesten sieren. Hermans:“Stel je voor: de man die niets tussen zijn doeken en de kijker duldde, díe man ging dus doeken maken die ter decoratie moesten dienen!”

Rothko ontdeed zich uiteindelijk van de opdracht maar zou nog jaren strijden om zijn doeken een betere omgeving te geven. Pas toen hij zag dat ze waren veiliggesteld, in de Londense Tate Gallery, kon hij tevreden zijn. Hij ontsloeg vervolgens eerst zijn assistent. En pleegde daarop zelfmoord. “Dat verhaal is waar”, zegt Hermans. “Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat hij toen al terminaal ziek was.”

Van medio september tot medio januari 2015 is er in het Gemeentemuseum Den Haag een Rothko-tentoonstelling. Daarbij is de voorstelling Rood – genomineerd voor een plek op het Nederlands Theaterfestival 2014 – dan op zijn minst een unieke en uitstekende inleiding te noemen.

Rood door NTGent is te zien op dinsdag 13 mei 2014 in Theater aan het Spui. Meer informatie: www.ntgent.be en www.theateraanhetspui.nl. Telefonisch kaarten reserveren: (070) 346 52 72.

‘Wat er niet is en wel had moeten zijn’

NTGent herneemt prijswinnend ‘Gif’, met Elsie de Brauw

Gif van NTGent is rijkelijk onderscheiden met toneelprijzen. De vaste bezoekers van Theater aan het Spui riepen het stuk vorig jaar zelfs uit tot het beste. In dit ‘duet’ biedt de geboren Haagse actrice Elsie de Brauw onnavolgbaar weerwerk aan acteur Steven van Watermeulen.

Een van de eerste scènes uit Zus van staat nog altijd in goudgekleurd koper  geëtst. Dat stuk over de zus van Antigone begon met een door merg en been trekkend wolvengehuil dat actrice Elsie de Brauw uit haar keel liet ontsnappen. In het stuk Gif, eveneens geschreven door Lot Vekemans, is de van oorsprong Haagse opnieuw zeer op dreef: ze won er de Theo d’Or 2011 als ‘beste actrice’ mee, en het stuk werd eerst onderscheiden met de Taalunie Toneelschrijfprijs 2010 en, daarna, met de publieksprijs van Theater aan het Spui. “Het is een goed stuk en ik speel het met plezier”, zegt De Brauw over de komende nieuwe serie voorstellingen, “maar al die prijzenregen verleent me geen extra paar vleugels, hoor. Het is soms zelfs zo dat je tegen een al te hoog verwachtingspatroon bij het publiek op moet zien te boksen. Gelukkig is Gif een uiterst knap bedacht stuk met een intelligent plot en met openingswoorden die aan het eind nóg eens te horen zijn, maar op een andere toon en dus voorzien van een andere lading. Lot Vekemans oordeelt niet over haar personages, maar weet daardoor juist diep door te dringen in het menselijk tekort”.

In Gif ontmoeten een man en een vrouw elkaar tien jaar na hun scheiding voor het eerst weer, op de plaats waar hun enige kind begraven ligt, als gevolg van een brief waarin de herbegrafenis van hun kind wordt aangekondigd: er is gif in de bodem gevonden. Allebei zijn ze, toen en nu, verscheurd door verdriet, maar slagen er niet in om in gezamenlijkheid en eensgezind te rouwen. “Vroeger”, zegt De Brauw, “was Zij een leuke levenslustige vrouw. Nu leidt Zij een geheel gecontroleerd bestaan, voornamelijk omdat ze haar verdriet niet los heeft kunnen laten. Ze is er een wat grijze muis door geworden die de ballast van haar verdriet met zich meetorst alsof ze die innig koestert. Hij is een man die juist een nieuw leven heeft weten op te bouwen en veel meer dan haar in het ‘nu’ leeft. Hij is een lieve, aardige man, die zich heeft afgevraagd wie er mee gebaat is dat hij aldoor verdrietig door het leven zou gaan. Hij heeft een knop weten te vinden, en heeft die omgezet, als was het een bijna puur rationele beslissing”. Gif is volgens De Brauw vooral een stuk verschillende manieren om zielenpijn te lijf te gaan: “Trek je er in cirkeltjes omheen of ben je in staat het te verinnerlijken. In een heerlijk tweegevecht staan Van Watermeulen en De Brauw tegenover elkaar en trekken alle registers open. Niet door gooi- en smijtwerk, maar eerder door ingetogen, verfijnd en broos toneelspel.

NTGent speelt Gif de komende tijd ook enkele malen in München, in het Duits. “Dat leek in eerste instantie een tour de force, maar het valt allemaal reuze mee. Gelukkig hebben we de toon van de voorstelling kunnen vasthouden, want de vraag luidt immers of je in een andere taal hetzelfde kunt ‘voelen’ als hetgeen wordt opgeroepen in het oorspronkelijke stuk. Maar dat is volgens mij allemaal prima gelukt”.

Gif door NTGent is op maandag 10 september 2012 te zien in Theater aan het Spui. Kaarten reserveren: (070) 346 52 72. Meer informatie: www.ntgent.be en www.theateraanhetspui.nl.

De lust van het boosaardige

NTGent en Toneelgroep Amsterdam in klassieker van Molière

Een kleurrijk feest van schijnheiligheid, dat is de Tartuffe van NTGent en Toneelgroep Amsterdam. Wim Opbrouck speelt de rol van Orgon, bankier én slachtoffer, een dezer dagen op zijn minst opvallende combinatie.

In Shakespeares Romeo en Julia is het de befaamde balkonscène. Ook in Molières Tartuffe zit zo’n legendarisch moment. Dat is wanneer de stinkend rijke bankier Orgon zich onder de tafel verschuilt en prompt even later lijdzaam moet toezien hoe de door hem hooggeachte maar in wezen schijnheilige avonturier Tartuffe de kat in het donker knijpt door zijn vrouw Elmire het hof te maken – en hem trouwens en passant zijn hele bezit afhandig maakt. Molières Tartuffe laat zien hoe blind mensen kunnen handelen en anderen daar zonder wroeging profijt van proberen te trekken.

Bij de Haagse Comedie tekenden in 1981 Willem Nijholt als Tartuffe, Wim van Rooij (Orgon) en Arda Brokmann als Elmire onder regie van Pierre Laroche voor een daverende versie, die gespeeld werd in het toenmalige en inmiddels legendarische HOT Theater.

“Tartuffe, ja, dat is de man die met weldadig plezier en genoegen de lust van het boze botviert”, antwoordt Wim Opbrouck. “Hij is voor velen de belichaming van het kwaad, maar niet per se van het slechte. Met een beetje goede wil kun je in hem een ‘Robin Hood’ zien. Het is Orgon die Tartuffe als een messias aanbidt, hem in huis haalt en hem overstelpt met liefde, die hem bepaalde kwaliteiten toeschrijft en hem wat dan ook ten geschenke geeft. Zelf vraagt Tartuffe nergens om. En als Orgon, die deftige bourgeois-homme van vijftig jaar, met welstand gezegend door een vooraanstaande positie aan het hof, de behoefte heeft om gerustgesteld en gekoesterd te worden, en iedereen die hem omringt ertoe dwingt zijn angsten te delen, ja, dan maakt Tartuffe al te graag misbruik van diens naïviteit. Dan ontstaat gelijktijdig van twee kanten een ideologisch en affectief terrorisme. Uiteindelijk kan de devote Orgon slechts als lamgeslagen toekijken hoe Tartuffe een vermetele poging doet diens vrouw te schaken”.

Volgens Opbrouck is er in de Tartuffe van NTGent en Toneelgroep Amsterdam sprake van een omgekeerde werkelijkheid. “Met de ogen van de actualiteit kun je in Tartuffe de belichaming zien van de arrogante bancaire beleggingsinstellingen en financiële markten, terwijl de bankier Orgon juist een indignado is, een krokodillentranende, verontwaardigde burger, die zich tot machteloos slachtoffer waant. Hij heeft zichzelf stroop om de mond gesmeerd”. Door Tartuffe te zien, verstrikt in zijn eigen manoeuvres, brengt Molière ons ertoe de anderen te bekijken door zijn ogen. Het ging Molière er met Tartuffe niet om op het toneel morele of religieuze problemen aan te kaarten, eerder om oplichterij en goedgelovigheid aan de kaak te stellen. Plaats van handeling is nota bene het huis van Orgon zelf, in Parijs.

Tartuffe wordt gerekend tot Molières ‘serieuze blijspelen’, sociale satires met een menselijke zwakte als basis. ‘Ik wil me met de belachelijke trekjes van de mensheid bezighouden en de tekortkomingen van de wereld theatraal aangenaam verbeelden’, schreef Molière zelf eens. Na de eerste opvoering te Versailles in mei 1664 tijdens een hoffeest, werd het stuk onder druk van notabelen, en ondanks de gunstige houding van Lodewijk XIV, lange tijd verboden. Pas in 1669 kon een derde versie de goedkeuring van de bourgeoisie wegdragen. ‘De meest subtiele passages van een ernstige verhandeling over de moraal hebben maar al te vaak minder uitwerking dan de satire en voor de meeste mensen is er geen beter middel tot berisping dan hun fouten voor hen te schilderen: de meest effectieve wijze de ondeugd aan te vallen is die over te leveren aan de algemene spot’, becommentarieerde Molière indertijd eigenhandig de commotie rond het stuk. ‘Tegen berispingen kunnen mensen zich verweren, maar zij kunnen het niet verdragen te worden uitgelachen. Zij zijn bereid verdorven te zijn, maar verafschuwen het belachelijk te schijnen.’

Regisseur Dimiter ‘Mitko’ Gottscheff bewerkte de tekst, zoals Molière dat eigenlijk ook steeds opnieuw deed. “Het stuk eindigt nu met een scène waarin de familie en Orgon door een berg afval kruipen, op zoek naar het vermaledijde spaarbankboekje van de heer des huizes, terwijl deze jammerend van wanhoop uitroept: ‘Hoe kan het masker van zo’n godvruchtigheid / Een ziel verbergen met zoveel leugenachtigheid’”. Gottscheff, bijkans een levende legende en een van de fenomenale regisseurs uit het grijze theaterverleden van de jaren zeventig en tachtig, is opgegroeid onder het communistische (lees: anti-kapitalistische) juk van Bulgarije. Opbrouck: “Hij is nu bijna zeventig maar heeft nog niets van zijn wilde haren verloren. Als geen ander weet hij traditie en avant-garde te verbinden. Hij heeft van Tartuffe een feest van schijnheiligheid van gemaakt, een aanklacht tegen elke vorm van fundamentalisme. In Tartuffe verschijnt nu in wezen een revolutionair op het podium die ons waarschuwt voor de geluksmachine die bij ons ‘economie’ heet. Hij toont een maatschappij in de greep van de angst, angst voor het vreemde dat onze grenzen binnensluipt en onze waarden ondermijnt”. Toch wil Opbrouck met dit stuk niet spreken van een ‘wake up call’ die er van deze nieuwe versie van Molières klassieker zou uitgaan. “Het heeft eventjes geduurd maar er zijn nu opeens heel wat stukken over de wereld van kredietbeoordelaars en de bankensector. Gottscheff heeft zich eerder ten doel gesteld een verbinding tot stand gebracht tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur. “Zo is het stuk onder meer gelardeerd met tal van liedjes, beat poems en er klinken gesamplede geluiden.”

Opbrouck, eerder dit seizoen te zien als Nero bij NTGent, speelt met Orgon de tweede grote rol in een half jaar. “Ik sta bijna evenveel op het podium als Tartuffe. In die zin vormen Tartuffe en Orgon een uniek duo in de theatergeschiedenis. Het is een mooi gevecht tussen ons beiden, er zit een perfecte balans tussen ons tweeën, zoals dat jullie dat bijvoorbeeld wel kennen van het duo Johnny Kraaykamp en Rijk de Gooyer”. Wim Opbrouck voert ook nog eens de artistieke leiding over NTGent. Zijn gezelschap is komend seizoen veelvuldig te zien in Den Haag door een innige samenwerking met het Nationale Toneel.

Tartuffe door NTGent / Toneelgroep Amsterdam is te zien op 2 juni in de Koninklijke Schouwburg. Meer informatie op www.ntgent.be, www.toneelgroepamsterdam.nl en www.ks.nl. Telefonisch kaarten reserveren op 0900-3456789.

‘De grenzen opzoeken’

Steven Van Watermeulen als ‘zichzelf’ in Decemberhonger

Hoe bekrachtig je de liefde die tussen twee mensen bestaat? Door een buitenstaande in die relatie te laten infiltreren die het tegen het tweetal moet afleggen.

‘Jullie zijn niet te redden. En jij ook niet.’ De jonge sta-in-de-weg Maya Sannen neemt in Decemberhonger geen blad voor de mond. In het stuk, op een nieuwe tekst die Oscar van den Boogaard op maat schreef voor de acteurs Sara De Roo en Steven Van Watermeulen, doet ze dankbaar dienst als splijtzwam. Toneeldocente De Roo brengt haar pupil, tevens de heimelijke minnares van haar man, zelf ook toneeldocent, in huis. Met een soort van ontwapenende venijnigheid onderzoekt Sannen de rek tussen de oudere geliefden. Haar spel lijkt gedreven door nieuwsgierigheid, eerder dan door passie. Twintig jaar oud is ze en ze wordt beschouwd als een nestklever uit een oppervlakkige generatie. “Geen van beiden,” zegt hoofdrolspeler Steven Van Watermeulen, “Sara noch mijn alter ego spreekt de waarheid, maar denkt evenmin dat wat zij zelf uitspreken een leugen is.”

Dat er kennelijk geen pasklare formule bestaat voor een geslaagde liefdesrelatie-tussen-twee noch voor een open driehoeksrelatie, dat wisten of vermoedden we al wel. “Maar in Decemberhonger krijgt de broosheid die iedere willekeurige verhouding dan ook in de greep houdt, in flitsende dialogen gestalte.” Who’s afraid of Virginia Woolf lijkt op de achtergrond te dwalen, en dat is doorgaans een teken van dramatische zwakte, maar niet in Decemberhonger. Waar in het stuk van Edward Albee het duo Martha en George na een party een jong koppel mee naar hun huis lokt en hen daar de bibbers bezorgt, is het in Decemberhonger de buitenstaander, Maya Sannen, die het duo het vuur na aan de schenen legt. De twee geliefden laven zich aanvankelijk aan haar jeugdige aanwezigheid en onbevangenheid. Zij denkt dat feestjes, verbroedering en morele zijwegen het natuurlijk parcours vormen voor het betreden van de hoogste toneelladders. In de loop van de avond verandert Maya de relatie tussen Steven en Sara in een spreekwoordelijk brandend vuur dat evenwel gevaarlijk hoog oplaait en dat hun relatie somtijds zelfs lijkt te zullen vernietigen. Ze komen tegen haar in opstand.

In Decemberhonger lijken realiteit en fictie door elkaar te lopen: Van Watermeulen is inderdaad docent, zo ook Sara De Roo. Maya is werkelijk net afgestudeerd aan de toneelschool en ze was echt een pupil van zowel Van Watermeulen als De Roo.

De oorsprong van Decemberhonger ligt in feite in Antwerpen, en wel op de toneelopleiding van het conservatorium aldaar, waar Van Watermeulen en De Roo in 1991 gelijktijdig afstudeerden. Maar hun wegen scheidden al gauw. Steven vond zijn weg in het theater van de grote toneelgroepen en schouwburgen, Sara werd een gezichtsbepalende actrice bij toneelspelersgezelschap STAN, dat een voorliefde aan de dag legt voor kleine theaterzalen. Van Watermeulen: “Indertijd werden de Vlaamse schouwburgen als ingeslapen toneelhuizen beschouwd. Het was ‘not done’ om daar je gezicht te laten zien, want in de kleine zalen, daar gebeurde het. Maar ik ging begin jaren negentig naar Nederland, naar Eindhoven, naar het Zuidelijk Toneel van Ivo van Hove. Daar was het grotezalentoneel zeker niet bloedeloos. Hoe nauw wij gedurende die jaren op de toneelschool ook met elkaar verbonden waren – toen onze wegen scheidden gebeurde dat rigoureus”, zegt Van Watermeulen nu. “Pas in 1999 gingen we weer samen op, tijdens Tussenstand, ter gelegenheid van de tiende verjaardag van STAN. Na het zien van deze gelegenheidsvoorstelling stelde Oscar van den Boogaard voor om zijn eerste toneeltekst voor ons te schrijven. Dat werd Lucia smelt. Dat was in 2001.” Van Watermeulen en De Roo behoren nu tot de generatie van veertigers en hun geschiedenissen zijn opnieuw in elkaar vervlochten. Tien jaar na de creatie van Lucia smelt zit Decemberhonger hen nog dichter op de huid dan voorheen. “We zoeken echt de grenzen op van wat kan en wat niet kan. We hanteren in het stuk onze eigen naam. En we stappen toch ook geregeld uit onze rol. De kijker weet niet wanneer we ons een rol aanmeten of wanneer we ‘onszelf’ zijn. Het mag misschien wat cryptisch klinken, maar zo proberen we onszelf en het publiek een spiegel voor te houden. Bovendien krijgt het stuk daardoor als vanzelfsprekend een min of meer Brechtiaans te noemen, wat ‘ongedwongen’ karakter. Het is allemaal zo zwaar niet.”

Decemberhonger, geschreven in opdracht van toneelspelersgroep Stan en NTGent, vormt met Lucia smelt min of meer een tweeluik. “In Lucia smelt speelden Sara en ik dat we ‘slechts’ een intense verhouding hadden. In Decemberhonger vraagt Sara mij uiteindelijk ten huwelijk. Om tot dat punt te geraken hadden we een derde persoon nodig. Aanvankelijk dachten we aan het introduceren van de moeder van een van de twee, daarna aan een tweede man; uiteindelijk werd het Maya, aan wie Sara en ik allebei ook echt les hebben gegeven.“

Van Watermeulen was vorig jaar de tegenspeler van de geboren Haage actrice Elsie de Brauw in Gif, waarvoor zij werd gelauwerd met de Theo d’Or voor de beste hoofdrol van het seizoen, een prijs die Van Watermeulen in het verleden eveneens ten deel viel voor zijn aandeel in De Wespenfabriek van het Ro Theater. De afgelopen weken speelde het tweetal de voorstelling Gif in Berlijn en München. “Bij ons in België en ook in Nederland, merk je nog weleens dat theaterbezoek een vorm van uitgaan, van vertier, is. In Duitsland willen mensen echt tot nadenken gestemd worden. Dat is een geheel andere ervaring. Wat mij betreft is het ook een oprecht spannende onderneming, want stel dat ik opeens een woordje uit de tekst niet meer weet op te lepelen, dan kan ik geen enkele uitvlucht bedenken, want ik ben het Duits niet voldoende machtig.”

Decemberhonger door tg STAN en NTGent is te zien in Theater aan het Spui op di 24 januari. Meer informatie op www.ntgent.be of www.theateraanhetspui.nl. Telefonisch kaarten reserveren: (070) 346 52 72.

‘Een verwijfde lafaard én een wrede keizer’

Nero als gemankeerd dichter bij NTGent

Hij kreunde, tierde en schmierde op het toneel – en dat vond het toekijkende volk juist zo aantrekkelijk aan hem. Volgens de Romeinse cultuurhistoricus Gaius Suetonius (70-140) kon Nero niet geweldig acteren of zingen. Maar daar dacht Nero zelf heel anders over. NTGent maakte een nieuw toneelstuk over de Romeinse achterneef en erfgenaam van Julius Caesar en over diens niet te beteugelen streven naar schoonheid en orde.

Volgens de genoemde geschiedkundige, die zelfs in zijn tijd als volksschrijver gold, deed Nero werkelijk alles om zijn stem in topconditie te houden: Hij at geen fruit omdat dat slecht zou zijn voor zijn stem. Hij gebruikte braakmiddelen voor zijn optreden, zodat hij niet met een volle maag hoefde te zingen. En als ontbijt at hij bieslook in olie, waarmee hij zijn stem smeerde. Nero was trouwens niet alleen een fanatiek zanger, maar beschouwde zich ook als een professioneel luitspeler en dichter. En ook in de sport wilde hij zo goed mogelijk presteren. Bij elke muziek- of sportwedstrijd kocht hij de scheidsrechter en juryleden om, teneinde zelf als winnaar uit de bus te komen. En zodra hij tot winnaar was uitgeroepen, liet hij de beelden van de vorige winnaars weghalen. Suetonius schreef: ‘Om te voorkomen dat er ook maar één andere winnaar (…) in de herinnering bleef voortbestaan, gaf hij opdracht al hun beelden en portretten omver te halen, weg te slepen en in het riool te werpen.’

Volgens NTGent en Nero’s vertolker Wim Opbrouck wordt Imperator Caesar Divi filius Augustus Nero vaak afgeschilderd als een paljas. “Als een man die zo graag dichter had willen zijn, een verwijfde lafaard die niet eens in staat was zelfmoord te plegen. Terwijl hij natuurlijk ook een wrede keizer was”, zegt Opbrouck. “Een machthebber en dictator die christenen als fakkels gebruikte, en die zijn geliefde stad Rome in de hens zette om als brandend decor voor zijn gezangen te dienen.” Nee, volgens de bronnen was Nero geen lieverdje. Hij was eerder een wellusteling, een jongen die een liefdesverhouding had met zijn moeder Agrippina en later liet vermoorden, en die zijn zwangere vrouw Octavia bijkans doodschopte. Toen hij last kreeg van de bij hem in ongenade gevallen leermeester Seneca dwong hij hem tot zelfmoord. En zo heeft hij nog wat linke akkefietjes op zijn naam.
Maar er zijn ook bronnen die Nero verheerlijken als een begenadigd heerser en een ster van de Circus Maximus, als een man die de beschikking had over een niet-aflatend oog, oor en hart voor kunst en schoonheid. ‘Alleen schoonheid zal ons redden’, laat Opbrouck zijn personage declameren . En: ‘Alles voor de schoonheid. Ik beloof de keizer-kunstenaar te zijn die de twee hoogste kunstvormen, muziek en poëzie, in de twee kamers van zijn hart voelt leven. Alles voor de schoonheid.’ Zich onaantastbaar wanende dictators die fervente kunstaanhangers zijn, geen onalledaagse combinatie.

“Waarschijnlijk komt die voort uit een pathologisch ingegeven streven naar ultieme beheersing en macht, dat blind maakt, en waarbij alles moet wijken voor het ideaalbeeld.” Opbrouck verwijst naar nog een zinsnede die Nero uitspreekt in het stuk: ‘Denk aan de zon. Rond de zon cirkelen planeten in een eeuwige baan. Laat het hart van de stad gelijk zijn aan de zon. In elk gebouw in elke straat moet het mogelijk zijn om het hart de zon te zien. Dat is het uitgangspunt. Het hart van de stad is het toneel, de straat zijn de tribunes. (…) Het hart van de stad moet tegelijk het brein van de stad, het geheugen. (…) Het doel van het hart van de stad is mensen raken in hun hart. Emoties. Wie de emoties van de mensen beheert is hun heerser.’ Opbrouck verwijst in het gesprek onder meer naar de gevallen Libische leider Kadhaffi, die zich tot op het laatste moment in protserige en potsierlijke gewaden vertoonde. Naar Berlusconi, die meer oog voor esthetiek aan de dag legde dan voor politiek. En naar Hitler, die dank zij Speer een kunstbeleid kon voeren. Maar dat streven naar utopische schoonheid is vrijwel steeds misleidend. “Want”, zegt Opbrouck, “ ondertussen komen op lieflijke toon de meest gruwelijke woorden uit Nero’s mond. Je zou bijna begrip voor hem krijgen.” Opbrouck ziet opnieuw parallellen. “Hitler die een hond aait, bijvoorbeeld. Bruno Ganz heeft in de film Der Untergang treffend laten zien hoe alledaagse, huiselijke taferelen de blik danig kunnen vertroebelen.”

De overeenkomsten in dit stuk met de prangende actualiteit van gecorrumpeerde, geknakte alleenheersers is frappant, maar nochtans niet de aanleiding voor deze productie van NTGent. “Peter Verhelst, onze ‘huisschrijver’, is verleden jaar een project gestart om voor al onze vaste acteurs een monoloog te maken. Opbrouck: “Eerder werd Lex gemaakt, gebaseerd op Alexander de Grote en vorig seizoen maakte Peter met Aus Greidanus jr. Julius Caesar.” Pas gaandeweg het maken van Nero ontstond de  Arabische Lente. “De voorstelling is evenwel geen geschiedenisles”, benadrukt Opbrouck. “Ik speel de Nero van de kinderjaren, de jongen die bezeten is van muziekjes. Het jongetje dat in zijn eigen stad op zoek gaat naar iemand die met hem wil spelen en in het donker zingt om zijn angst te bezweren. De jongen die dieren uit nieuwsgierigheid open snijdt. Uit liefde. Altijd op zoek naar iets warms, iets liefs, iets zachts. Voor mij is dat niet gemakkelijk spelen”, zegt Opbrouck. “Ik ben gewend om groots en barok uit te pakken, en nu moet ik ingetogen spelen. Dat is niet eenvoudig. De tekst is zo geschreven dat het bijna een partituur is. Een monoloog is het trouwens niet in de strikte zin van het woord, want ook Johanna Lesage speelt een rol. Zij is de alwetende voedster die Nero én mij kwetsbaarder maakt op het podium.”

Ten dele gaat de voorstelling ook over architectuur. De voorstelling speelt zich af op een speelvloer waarop op groot uitgevallen maquette van een stad is te zien. ‘De mooiste stad is de stad bij nacht, stad die ’s nachts herinneringen maakt, die broeit van verlangen. (…) Laat de stad symmetrisch zijn. Alles is de helft van een geheel. Laat de stad leeg zijn. De mooiste stad is de lege stad. De volgebouwde lege stad. Geen duiven, geen honden, geen kinderen.’ Het is de stoïca van Seneca die deze utopieën in zijn hoofd moet hebben geslepen. “Hij duldde geen tegenspraak of verstoringen van zijn beelden. Uiteindelijk wilde hij behagen, toneelspeler zijn.  Daartoe stak hij zijn eigen stad in brand. Er zijn ook mensen die de horroraanslagen van nine eleven als een uiting van kunst zien. Dat fascineert me. Nero had een droom. Het is die droom die we laten zien.”

Nero van NTGent is op 11 januari te zien in Theater aan het Spui. Meer informatie en online bestellen: www.ntgent.be of www.theateraanhetspui.nl. Telefonisch reserveren: (070) 346 52 72.