Schilderijen als drama

NTGent speelt Rothko

Volgens Rothko moest een schilderij een voldragen ervaring tweegbrengen tussen het schilderij en de kijker. ‘Er mag niets tussen mijn schilderij en de toeschouwer staan’. NTGent maakte een toneelvoorstelling over Mark Rothko en zijn schilderkunst: Rood.

Rood. Dat is: Knallend gestifte vrouwenlippen, hoge elegante pumps, een laag gesneden galajurk. Cadmiumrood, karmozijnrood, vermiljoen, rode oker, ossenbloed. Het rode vlak van fotograaf Johan Nieuwenhuize in zijn nieuwe boek IMG_ en Barnett Newman’s doek Who’s afraid of red, yellow and blue III, die zijn ook nogal rood. En dan is er het indringende No. 3 uit 1967 van Mark Rothko. Met name de twee laatstgenoemde werken zijn kleurvlakken waar je je als het ware gehypnotiseerd in kunt verdrinken. Rothko’s kleurformaties trekken de toeschouwer een met innerlijk licht gevulde ruimte in, een ruimte waarin daglicht vijandig is. Rothko zelf: ‘De waardering van een kunstwerk is een ware vereniging van geesten. Evenals in het huwelijk is het uitblijven van gemeenschap grond voor ontbinding.’

Mark Rothko (1903-1970) behoort tot de generatie van Amerikaanse kunstenaars die een totale ommekeer in het wezen van de opzet van de abstracte schilderkunst tot stand bracht. Zijn stijlontwikkeling – van figuratief en visueel naar abstract – is een belichaming van de radicale visie die de naoorlogse wedergeboorte van de schilderkunst in bezit nam. Rothko verzette zich altijd tegen pogingen zijn schilderijen te interpreteren.

Rothko – donkere kleurvlakken bovenin, lichtere daaronder – was al bijkans een godheid toen hij een assistent toeliet. “Maar het was zo dat hij die eigenlijk nodig had”, zegt acteur Servé Hermans, die de rol van assistent speelt in Rood. “Rothko wilde altijd controle, alles zelf doen. Op een gegeven moment was dat niet langer vol te houden en liet hij het opspannen van doeken en het mengen van verf over aan een jonge jongen. Die hij eerst als voetveeg en praatpaal behandelde, maar daarna gaandeweg zijn hoogstpersoonlijke leerling-in-opleiding werd. Een relatie die eindigde in het voeren van eindeloze gesprekken over het wezen van kunst, over schilderkunst en over Rothko’s werken: ‘Je hebt de kunst nodig om niet aan de waarheid ten onder te gaan’. En verder zijn beslag kreeg toen Rothko hem uitriep tot zijn opvolger”.

In het stuk, een tekst van de Amerikaanse schrijver John Logan, zien we Rothko, een rol van Wim Opbrouck, en zijn assistent op het moment dat Rothko een grote opdracht aanvaardt heeft van het Canadese grootbedrijf Seagram, van oorsprong een distilleerder. Voor het nieuwe hoofdgebouw in de Verenigde Staten, dat in New York door architect Mies van der Rohe werd ontworpen, legde hij zich tegen een lucratief geldbedrag dat in termijnen werd uitbetaald vast op het maken van een serie enorme doeken die het bedrijfsrestaurant Four Seasons moesten sieren. Hermans:“Stel je voor: de man die niets tussen zijn doeken en de kijker duldde, díe man ging dus doeken maken die ter decoratie moesten dienen!”

Rothko ontdeed zich uiteindelijk van de opdracht maar zou nog jaren strijden om zijn doeken een betere omgeving te geven. Pas toen hij zag dat ze waren veiliggesteld, in de Londense Tate Gallery, kon hij tevreden zijn. Hij ontsloeg vervolgens eerst zijn assistent. En pleegde daarop zelfmoord. “Dat verhaal is waar”, zegt Hermans. “Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat hij toen al terminaal ziek was.”

Van medio september tot medio januari 2015 is er in het Gemeentemuseum Den Haag een Rothko-tentoonstelling. Daarbij is de voorstelling Rood – genomineerd voor een plek op het Nederlands Theaterfestival 2014 – dan op zijn minst een unieke en uitstekende inleiding te noemen.

Rood door NTGent is te zien op dinsdag 13 mei 2014 in Theater aan het Spui. Meer informatie: www.ntgent.be en www.theateraanhetspui.nl. Telefonisch kaarten reserveren: (070) 346 52 72.

Advertentie

De lust van het boosaardige

NTGent en Toneelgroep Amsterdam in klassieker van Molière

Een kleurrijk feest van schijnheiligheid, dat is de Tartuffe van NTGent en Toneelgroep Amsterdam. Wim Opbrouck speelt de rol van Orgon, bankier én slachtoffer, een dezer dagen op zijn minst opvallende combinatie.

In Shakespeares Romeo en Julia is het de befaamde balkonscène. Ook in Molières Tartuffe zit zo’n legendarisch moment. Dat is wanneer de stinkend rijke bankier Orgon zich onder de tafel verschuilt en prompt even later lijdzaam moet toezien hoe de door hem hooggeachte maar in wezen schijnheilige avonturier Tartuffe de kat in het donker knijpt door zijn vrouw Elmire het hof te maken – en hem trouwens en passant zijn hele bezit afhandig maakt. Molières Tartuffe laat zien hoe blind mensen kunnen handelen en anderen daar zonder wroeging profijt van proberen te trekken.

Bij de Haagse Comedie tekenden in 1981 Willem Nijholt als Tartuffe, Wim van Rooij (Orgon) en Arda Brokmann als Elmire onder regie van Pierre Laroche voor een daverende versie, die gespeeld werd in het toenmalige en inmiddels legendarische HOT Theater.

“Tartuffe, ja, dat is de man die met weldadig plezier en genoegen de lust van het boze botviert”, antwoordt Wim Opbrouck. “Hij is voor velen de belichaming van het kwaad, maar niet per se van het slechte. Met een beetje goede wil kun je in hem een ‘Robin Hood’ zien. Het is Orgon die Tartuffe als een messias aanbidt, hem in huis haalt en hem overstelpt met liefde, die hem bepaalde kwaliteiten toeschrijft en hem wat dan ook ten geschenke geeft. Zelf vraagt Tartuffe nergens om. En als Orgon, die deftige bourgeois-homme van vijftig jaar, met welstand gezegend door een vooraanstaande positie aan het hof, de behoefte heeft om gerustgesteld en gekoesterd te worden, en iedereen die hem omringt ertoe dwingt zijn angsten te delen, ja, dan maakt Tartuffe al te graag misbruik van diens naïviteit. Dan ontstaat gelijktijdig van twee kanten een ideologisch en affectief terrorisme. Uiteindelijk kan de devote Orgon slechts als lamgeslagen toekijken hoe Tartuffe een vermetele poging doet diens vrouw te schaken”.

Volgens Opbrouck is er in de Tartuffe van NTGent en Toneelgroep Amsterdam sprake van een omgekeerde werkelijkheid. “Met de ogen van de actualiteit kun je in Tartuffe de belichaming zien van de arrogante bancaire beleggingsinstellingen en financiële markten, terwijl de bankier Orgon juist een indignado is, een krokodillentranende, verontwaardigde burger, die zich tot machteloos slachtoffer waant. Hij heeft zichzelf stroop om de mond gesmeerd”. Door Tartuffe te zien, verstrikt in zijn eigen manoeuvres, brengt Molière ons ertoe de anderen te bekijken door zijn ogen. Het ging Molière er met Tartuffe niet om op het toneel morele of religieuze problemen aan te kaarten, eerder om oplichterij en goedgelovigheid aan de kaak te stellen. Plaats van handeling is nota bene het huis van Orgon zelf, in Parijs.

Tartuffe wordt gerekend tot Molières ‘serieuze blijspelen’, sociale satires met een menselijke zwakte als basis. ‘Ik wil me met de belachelijke trekjes van de mensheid bezighouden en de tekortkomingen van de wereld theatraal aangenaam verbeelden’, schreef Molière zelf eens. Na de eerste opvoering te Versailles in mei 1664 tijdens een hoffeest, werd het stuk onder druk van notabelen, en ondanks de gunstige houding van Lodewijk XIV, lange tijd verboden. Pas in 1669 kon een derde versie de goedkeuring van de bourgeoisie wegdragen. ‘De meest subtiele passages van een ernstige verhandeling over de moraal hebben maar al te vaak minder uitwerking dan de satire en voor de meeste mensen is er geen beter middel tot berisping dan hun fouten voor hen te schilderen: de meest effectieve wijze de ondeugd aan te vallen is die over te leveren aan de algemene spot’, becommentarieerde Molière indertijd eigenhandig de commotie rond het stuk. ‘Tegen berispingen kunnen mensen zich verweren, maar zij kunnen het niet verdragen te worden uitgelachen. Zij zijn bereid verdorven te zijn, maar verafschuwen het belachelijk te schijnen.’

Regisseur Dimiter ‘Mitko’ Gottscheff bewerkte de tekst, zoals Molière dat eigenlijk ook steeds opnieuw deed. “Het stuk eindigt nu met een scène waarin de familie en Orgon door een berg afval kruipen, op zoek naar het vermaledijde spaarbankboekje van de heer des huizes, terwijl deze jammerend van wanhoop uitroept: ‘Hoe kan het masker van zo’n godvruchtigheid / Een ziel verbergen met zoveel leugenachtigheid’”. Gottscheff, bijkans een levende legende en een van de fenomenale regisseurs uit het grijze theaterverleden van de jaren zeventig en tachtig, is opgegroeid onder het communistische (lees: anti-kapitalistische) juk van Bulgarije. Opbrouck: “Hij is nu bijna zeventig maar heeft nog niets van zijn wilde haren verloren. Als geen ander weet hij traditie en avant-garde te verbinden. Hij heeft van Tartuffe een feest van schijnheiligheid van gemaakt, een aanklacht tegen elke vorm van fundamentalisme. In Tartuffe verschijnt nu in wezen een revolutionair op het podium die ons waarschuwt voor de geluksmachine die bij ons ‘economie’ heet. Hij toont een maatschappij in de greep van de angst, angst voor het vreemde dat onze grenzen binnensluipt en onze waarden ondermijnt”. Toch wil Opbrouck met dit stuk niet spreken van een ‘wake up call’ die er van deze nieuwe versie van Molières klassieker zou uitgaan. “Het heeft eventjes geduurd maar er zijn nu opeens heel wat stukken over de wereld van kredietbeoordelaars en de bankensector. Gottscheff heeft zich eerder ten doel gesteld een verbinding tot stand gebracht tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur. “Zo is het stuk onder meer gelardeerd met tal van liedjes, beat poems en er klinken gesamplede geluiden.”

Opbrouck, eerder dit seizoen te zien als Nero bij NTGent, speelt met Orgon de tweede grote rol in een half jaar. “Ik sta bijna evenveel op het podium als Tartuffe. In die zin vormen Tartuffe en Orgon een uniek duo in de theatergeschiedenis. Het is een mooi gevecht tussen ons beiden, er zit een perfecte balans tussen ons tweeën, zoals dat jullie dat bijvoorbeeld wel kennen van het duo Johnny Kraaykamp en Rijk de Gooyer”. Wim Opbrouck voert ook nog eens de artistieke leiding over NTGent. Zijn gezelschap is komend seizoen veelvuldig te zien in Den Haag door een innige samenwerking met het Nationale Toneel.

Tartuffe door NTGent / Toneelgroep Amsterdam is te zien op 2 juni in de Koninklijke Schouwburg. Meer informatie op www.ntgent.be, www.toneelgroepamsterdam.nl en www.ks.nl. Telefonisch kaarten reserveren op 0900-3456789.

‘Een verwijfde lafaard én een wrede keizer’

Nero als gemankeerd dichter bij NTGent

Hij kreunde, tierde en schmierde op het toneel – en dat vond het toekijkende volk juist zo aantrekkelijk aan hem. Volgens de Romeinse cultuurhistoricus Gaius Suetonius (70-140) kon Nero niet geweldig acteren of zingen. Maar daar dacht Nero zelf heel anders over. NTGent maakte een nieuw toneelstuk over de Romeinse achterneef en erfgenaam van Julius Caesar en over diens niet te beteugelen streven naar schoonheid en orde.

Volgens de genoemde geschiedkundige, die zelfs in zijn tijd als volksschrijver gold, deed Nero werkelijk alles om zijn stem in topconditie te houden: Hij at geen fruit omdat dat slecht zou zijn voor zijn stem. Hij gebruikte braakmiddelen voor zijn optreden, zodat hij niet met een volle maag hoefde te zingen. En als ontbijt at hij bieslook in olie, waarmee hij zijn stem smeerde. Nero was trouwens niet alleen een fanatiek zanger, maar beschouwde zich ook als een professioneel luitspeler en dichter. En ook in de sport wilde hij zo goed mogelijk presteren. Bij elke muziek- of sportwedstrijd kocht hij de scheidsrechter en juryleden om, teneinde zelf als winnaar uit de bus te komen. En zodra hij tot winnaar was uitgeroepen, liet hij de beelden van de vorige winnaars weghalen. Suetonius schreef: ‘Om te voorkomen dat er ook maar één andere winnaar (…) in de herinnering bleef voortbestaan, gaf hij opdracht al hun beelden en portretten omver te halen, weg te slepen en in het riool te werpen.’

Volgens NTGent en Nero’s vertolker Wim Opbrouck wordt Imperator Caesar Divi filius Augustus Nero vaak afgeschilderd als een paljas. “Als een man die zo graag dichter had willen zijn, een verwijfde lafaard die niet eens in staat was zelfmoord te plegen. Terwijl hij natuurlijk ook een wrede keizer was”, zegt Opbrouck. “Een machthebber en dictator die christenen als fakkels gebruikte, en die zijn geliefde stad Rome in de hens zette om als brandend decor voor zijn gezangen te dienen.” Nee, volgens de bronnen was Nero geen lieverdje. Hij was eerder een wellusteling, een jongen die een liefdesverhouding had met zijn moeder Agrippina en later liet vermoorden, en die zijn zwangere vrouw Octavia bijkans doodschopte. Toen hij last kreeg van de bij hem in ongenade gevallen leermeester Seneca dwong hij hem tot zelfmoord. En zo heeft hij nog wat linke akkefietjes op zijn naam.
Maar er zijn ook bronnen die Nero verheerlijken als een begenadigd heerser en een ster van de Circus Maximus, als een man die de beschikking had over een niet-aflatend oog, oor en hart voor kunst en schoonheid. ‘Alleen schoonheid zal ons redden’, laat Opbrouck zijn personage declameren . En: ‘Alles voor de schoonheid. Ik beloof de keizer-kunstenaar te zijn die de twee hoogste kunstvormen, muziek en poëzie, in de twee kamers van zijn hart voelt leven. Alles voor de schoonheid.’ Zich onaantastbaar wanende dictators die fervente kunstaanhangers zijn, geen onalledaagse combinatie.

“Waarschijnlijk komt die voort uit een pathologisch ingegeven streven naar ultieme beheersing en macht, dat blind maakt, en waarbij alles moet wijken voor het ideaalbeeld.” Opbrouck verwijst naar nog een zinsnede die Nero uitspreekt in het stuk: ‘Denk aan de zon. Rond de zon cirkelen planeten in een eeuwige baan. Laat het hart van de stad gelijk zijn aan de zon. In elk gebouw in elke straat moet het mogelijk zijn om het hart de zon te zien. Dat is het uitgangspunt. Het hart van de stad is het toneel, de straat zijn de tribunes. (…) Het hart van de stad moet tegelijk het brein van de stad, het geheugen. (…) Het doel van het hart van de stad is mensen raken in hun hart. Emoties. Wie de emoties van de mensen beheert is hun heerser.’ Opbrouck verwijst in het gesprek onder meer naar de gevallen Libische leider Kadhaffi, die zich tot op het laatste moment in protserige en potsierlijke gewaden vertoonde. Naar Berlusconi, die meer oog voor esthetiek aan de dag legde dan voor politiek. En naar Hitler, die dank zij Speer een kunstbeleid kon voeren. Maar dat streven naar utopische schoonheid is vrijwel steeds misleidend. “Want”, zegt Opbrouck, “ ondertussen komen op lieflijke toon de meest gruwelijke woorden uit Nero’s mond. Je zou bijna begrip voor hem krijgen.” Opbrouck ziet opnieuw parallellen. “Hitler die een hond aait, bijvoorbeeld. Bruno Ganz heeft in de film Der Untergang treffend laten zien hoe alledaagse, huiselijke taferelen de blik danig kunnen vertroebelen.”

De overeenkomsten in dit stuk met de prangende actualiteit van gecorrumpeerde, geknakte alleenheersers is frappant, maar nochtans niet de aanleiding voor deze productie van NTGent. “Peter Verhelst, onze ‘huisschrijver’, is verleden jaar een project gestart om voor al onze vaste acteurs een monoloog te maken. Opbrouck: “Eerder werd Lex gemaakt, gebaseerd op Alexander de Grote en vorig seizoen maakte Peter met Aus Greidanus jr. Julius Caesar.” Pas gaandeweg het maken van Nero ontstond de  Arabische Lente. “De voorstelling is evenwel geen geschiedenisles”, benadrukt Opbrouck. “Ik speel de Nero van de kinderjaren, de jongen die bezeten is van muziekjes. Het jongetje dat in zijn eigen stad op zoek gaat naar iemand die met hem wil spelen en in het donker zingt om zijn angst te bezweren. De jongen die dieren uit nieuwsgierigheid open snijdt. Uit liefde. Altijd op zoek naar iets warms, iets liefs, iets zachts. Voor mij is dat niet gemakkelijk spelen”, zegt Opbrouck. “Ik ben gewend om groots en barok uit te pakken, en nu moet ik ingetogen spelen. Dat is niet eenvoudig. De tekst is zo geschreven dat het bijna een partituur is. Een monoloog is het trouwens niet in de strikte zin van het woord, want ook Johanna Lesage speelt een rol. Zij is de alwetende voedster die Nero én mij kwetsbaarder maakt op het podium.”

Ten dele gaat de voorstelling ook over architectuur. De voorstelling speelt zich af op een speelvloer waarop op groot uitgevallen maquette van een stad is te zien. ‘De mooiste stad is de stad bij nacht, stad die ’s nachts herinneringen maakt, die broeit van verlangen. (…) Laat de stad symmetrisch zijn. Alles is de helft van een geheel. Laat de stad leeg zijn. De mooiste stad is de lege stad. De volgebouwde lege stad. Geen duiven, geen honden, geen kinderen.’ Het is de stoïca van Seneca die deze utopieën in zijn hoofd moet hebben geslepen. “Hij duldde geen tegenspraak of verstoringen van zijn beelden. Uiteindelijk wilde hij behagen, toneelspeler zijn.  Daartoe stak hij zijn eigen stad in brand. Er zijn ook mensen die de horroraanslagen van nine eleven als een uiting van kunst zien. Dat fascineert me. Nero had een droom. Het is die droom die we laten zien.”

Nero van NTGent is op 11 januari te zien in Theater aan het Spui. Meer informatie en online bestellen: www.ntgent.be of www.theateraanhetspui.nl. Telefonisch reserveren: (070) 346 52 72.