Stadsgezicht

Serie Den Haag Centraal: Juweeltjes

Auke de Vries’ aubade aan de stad

Wat is het allermooiste? Haagse kunstenaars delen wat hun het meest inspireert of inspireerde. In deze aflevering: Beeldend kunstenaar Auke de Vries (1937) zag als kind de stad zich openbaren.

‘7 jaar was ik – toen ik met spoed naar een ziekenhuis moest, ver weg van het dorp waar ik opgegroeid ben. In nachtelijke uren in een auto weggebracht – het begon al een beetje licht te worden – toen ik de chauffeur hoorde zeggen: ‘We zijn er’.

Ik kwam in een wereld die ik niet kende. Ik keek naar buiten en zag een groot donker gebouw. Van binnen helemaal wit. Lange gangen naar alle richtingen. Veel mensen, veelal in het wit gekleed. Bedden met wieltjes reden door de gangen. Ineens wist ik het, geen twijfel mogelijk: Dit moest een stad zijn. Ik kende het woord maar had er geen voorstelling van. Toen ik uit de narcose wakker werd zat een zuster naast mijn bed – breiend.

Ik vroeg haar: ‘Zuster, is dit een stad?’ ‘Nee, nee, dit is een heel groot huis’. Heel veel later las ik een uitspraak van architect Aldo van Eyck. ‘Een kleine stad is een groot huis.’ Onverwachte herkenning.

Grootgebracht in een wereld waar alles groeit, seizoenen zichtbaar zijn, vee in de weilanden – en dan is hier de stad. Dat wil zeggen: een verzonnen stad. Bedacht, getekend, gemaakt. Straten, pleinen, parkeerplaatsen, alles.

Mijn fascinatie voor de stad was geboren – en ik genoot ervan. Toen ik in Parijs verbleef werd ik elke ochtend gewekt door de eerste metro, tussen 5 en 6 uur, gerommel onder de grond. Het appartement was precies boven de halte Chambre des Députés. Ik voelde het als een groet.

De stad, een metropool, is te vergelijken met het menselijk lichaam. De bloedsomloop: transport, kruispunten, stremming, voorrang, aan- en afvoer, afval. En overal in het lichaam foto-elektrische cellen die controleren. Om nog even in Parijs te blijven: Charles Baudelaire, dichter en kunstcriticus, noemt de stad een roerig wezen. En de Duitse cultuurfilosoof Walter Benjamin schrijft over het flaneren. Wat een rijkdom.

Met de stad Den Haag sta ik op goede voet. Een kalme stad – maar er is de zee. De dynamische factor. Altijd in beweging, ook als we slapen. Atmosferische wisselingen. Ruimte. Schoonheid. Gevaar.

Via de Pompstationweg, waar Vincent van Gogh rondzwierf en prachtige tekeningen maakte, voorbij de watertoren – een markante vriend – kom je bij de monumentale houten trap. Staande op dit hoge punt rijzen mij associaties op uit de beeldende kunst.

Wat hier opdoemt, steeds opnieuw, is het expressionistische Meeresstrand van de Duitse schilder Max Beckmann. Op de vlucht voor naziterreur verbleef hij in Nederland en ook in Scheveningen. En ik zie de geweldige luchten van Jean Brusselmans voor me: De Storm.

Op dit deel van het Scheveningse strand ligt aan de horizon een armada van schepen, wachtend op vracht. Heel stil, geheimzinnig. Soms, onverwacht verandert door de wind hun positie, langzaam en verheven. Nog twintig van die giganten erbij en is het aan elkaar verbonden, althans in mijn fantasie, een drijvende stad. Blijvend of verplaatsbaar. Met een eigen orde. Misschien wel een eigen taal.

Biografie
Auke de Vries is autodidact. Hij maakt metalen sculpturen, abstracte constructies opgebouwd uit geometrische vormen die lijken te zweven. Hij is houder van de Ouborgprijs 1997, de Cultuurprijs Den Haag 2005, de Wilhelminaring 2015, en de Gerrit Benner Prijs 2019. In Den Haag staan verschillende van zijn werken, onder meer in de Grote Marktstraat en de Paleistuin.

Beckmann’s Meeresstrand hangt in Museum Ludwig (Köln); dat van Brusselmans is in privébezit. Ze zijn allebei ook via internet te vinden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s